Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21751

2026-05-01 Civiel recht 702206
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-01
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
702206
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding, vordering tot ontruiming huurwoning afgewezen, geen zwaarwegend belang bij onmiddellijke ontruiming voortuitlopend op beslissing in het hoger beroep tegen het niet uitvoerbaar bij voorraad verlaarde vonnis waarin de huurovereenkomst is beëindigd en de ontruiming is bevolen, geen misbruik van recht huurder.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.376 tekens)
Rechtbank den haag


Team handel - voorzieningenrechter



zaak- / rolnummer: C/09/702206 / KG ZA 26/321




Vonnis in kort geding van 1 mei 2026




in de zaak van





[eiser] te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. T.F.W. Bijloo te Den Haag,



tegen:




Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. K. Renssen te Den Haag.



Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘NVAO’.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11;
- de door NVAO overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5;
- de op 17 april 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij namens beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.




1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.






2De feiten


Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.



2.1.

[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres 1] . Sinds 28 januari 2013 verhuurt hij deze woning aan NVAO. De huurprijs bedraag inmiddels € 1.654,60 per maand. NVAO geeft de woning in gebruik aan één of meer van haar bestuursleden. Op dit moment wordt de woning gebruikt door de heer [naam 1] , [functie] van NVAO. Hij verblijft in de woning als hij voor werk in Den Haag moet zijn.



2.2.

[eiser] heeft van 2004 tot 2008 zelf in de woning aan de [adres 1] gewoond. In 2005 is zijn toenmalig partner, mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ), bij hem komen inwonen. In 2008 zijn zij verhuisd naar de [adres 2] , de woning waarin [eiser] is opgegroeid. Daar wonen zij nog altijd, samen met hun minderjarige dochter.



2.3.
De relatie tussen [eiser] en [naam 2] is eind 2024 geëindigd. Met het oog op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en overige aangelegenheden met betrekking tot hun dochter hebben zij een ouderschapsplan opgesteld. In dat plan is onder meer het volgende opgenomen:


“Artikel 1. Gezamenlijke uitoefening van het gezag



1.1
Partijen achten het in het belang van hun minderjarige kind dat zij na de verbreking van hun samenleving gezamenlijk het ouderlijk gezag over haar blijven uitoefenen.


1.2
De ouders vinden het belangrijk dat het contact tussen het kind en de ouders zo min mogelijk door de verbreking van de samenleving wordt beïnvloed. Partijen zullen dan ook bevorderen dat het kind zo goed mogelijk contact heeft met ieder van de ouders.”



2.4.

[eiser] heeft de huurovereenkomst bij brief van 21 februari 2025 opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden op grond van dringend eigen gebruik. NVAO heeft bij brief van 25 maart 2025 laten weten niet met de opzegging in te stemmen.



2.5.

[eiser] is vervolgens een procedure gestart bij de kantonrechter van deze rechtbank. De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 december 2025, na afweging van de belangen van beide partijen, voor recht verklaart dat de huurovereenkomst is opgezegd wegens dringend eigen gebruik. Daarnaast heeft hij bepaald dat de huurovereenkomst eindigt op 1 februari 2026 en NVAO veroordeeld om de woning aan de [adres 1] per die datum te ontruimen. De beëindiging van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming zijn wegens het bepaalde in artikel 7:272 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



2.6.
NVAO heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.






3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, NVAO veroordeelt om binnen 24 uur na het te wijzen vonnis de woning aan de [adres 1] te ontruimen en te verlaten met afgifte van de sleutels aan [eiser] en de woning in afwachting van de lopende appelprocedure ter vrije beschikking aan [eiser] ter beschikking te stellen en NVAO veroordeelt in de kosten van het geding



3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Gelet op zijn recht om na de beëindiging van de relatie met [naam 2] een nieuw leven op te bouwen en vanwege de psychische gevolgen die de voortdurende samenleving in de woning aan de [adres 2] voor hun dochter heeft, heeft [eiser] een zwaarwegend belang om vooruitlopend op de uitkomst van de appelprocedure al over de woning aan de [adres 1] te kunnen beschikken. Volgens [eiser] is de kans dat het hof anders zal beslissen dan de kantonrechter gering, juist omdat zijn belangen zwaarder wegen dan die van NVAO. NVAO is immers maar ‘slechts’ een bedrijf dat haar directeur soms in de woning aan de [adres 1] laat bivakkeren. Voor dergelijke huisvesting zijn ook andere mogelijkheden.



3.3.
NVAO voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.





4De beoordeling van het geschil


4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of NVAO vooruitlopend op de uitkomst van de door haar gestarte appelprocedure de woning aan de [adres 1] (tijdelijk) dient te verlaten. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag gelet op het hiernavolgende ontkennend.



4.2.
Op grond van artikel 7:272 lid 1 BW blijft een huurovereenkomst die betrekking heeft op de verhuur van woonruimte na opzegging van kracht totdat door de rechter onherroepelijk is beslist over de beëindiging van de huurovereenkomst. Dit betekent dat, zoals ook in dit geval, een beëindiging- en ontruimingsvonnis in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Het artikel heeft echter niet de strekking om aan de rechter elke bevoegdheid te ontnemen om het vonnis tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen en de ontruiming moet plaatsvinden uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook staat het bepaalde in het artikel er niet aan in de weg dat een voorlopige voorziening bij voorraad wordt getroffen op grond waarvan de huurder de woning al voordat definitief over de beëindiging is beslist zal moeten ontruimen. Dat kan echter alleen als sprake is van uitzonderlijke, door de verhuurder aan te voeren, omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan gevallen waarin sprake is van misbruik van recht, waarin de verhuurder kennelijk alleen hoger beroep heeft ingesteld om een kansloze zaak te rekken, of waarin van de verhuurder niet kan worden verlangd het gehuurde nog langer aan de huurder ter beschikking te stellen. Een enkele afweging van belangen volstaat niet.



4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er in dit geval geen aanleiding om een uitzondering te maken op de hoofdregel van artikel 7:272 lid 1 BW. Op zichzelf is het begrijpelijk dat [eiser] , mede in het belang van zijn dochter, snel een einde wil maken aan de verre van ideale (woon)situatie die na de beëindiging van zijn relatie met [naam 2] is ontstaan. Aannemelijk is dat de onduidelijkheid die het voortduren van die situatie met zich meebrengt het (psychische) welzijn van zijn dochter negatief beïnvloedt. Nog los van de vraag of de kantonrechter dit niet al heeft meegewogen bij de beslissing om de beëindiging van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, geldt echter dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat enkel de ontruiming van de woning aan de [adres 1] een oplossing biedt voor de door hem geschetste problemen. NVAO heeft in dit verband gewezen op het inkomen van [eiser] zoals dat uit het ouderschapsplan blijkt. [eiser] heeft niet gemotiveerd betwist dat hij met dit inkomen, waarbij de voorzieningenrechter er gelet op de overeengekomen verdeling van de kosten vanuit gaat dat zijn aanvullend inkomen uit vermogen substantieel is, ook een andere, al dan niet tijdelijke, woning in de (nabije) omgeving van de woning aan de [adres 2] kan vinden. Het door [eiser] gestelde zwaarwegende belang bij onmiddellijke ontruiming van de woning aan de [adres 1] is dan ook niet aannemelijk geworden.
Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat NVAO in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de wetenschap dat het door haar gevoerde en te voeren verweer tegen de beëindiging van de huurovereenkomst kansloos is of dat zij om andere reden misbruik maakt van recht.




4.4.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.



4.5.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze proceskosten (inclusief nakosten) worden begroot aan de hand van het liquidatietarief. NVAO heeft weliswaar gevorderd om [eiser] in de werkelijke proceskosten te veroordelen, maar daarvoor bestaat – mede gelet op de daarbij in acht te nemen terughoudendheid – naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond. Dat de kantonrechter de door [eiser] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft afgewezen, ontneemt hem niet de bevoegdheid om in kort geding een voorziening te vragen die in essentie dezelfde strekking heeft als hij meent dat daar grond voor bestaat. De lat voor toewijzing van een dergelijke voorziening ligt weliswaar hoog, maar dat maakt nog niet dat [eiser] moest begrijpen dat zijn vordering geen (realistische) kans van slagen had. Van misbruik van misbruik van procesrecht is dan ook geen sprake. Dit oordeel brengt mee, dat ook voor het verzoek van NVAO tot veroordeling van [eiser] tot betaling van het dubbele forfaitaire tarief geen aanleiding bestaat.



4.6.
De proceskosten van NVAO worden aldus begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)
Totaal € 2.101






5De beslissing


De voorzieningenrechter:



5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;



5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.



EI