Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21386

2026-05-27 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.20020 en NL26.20021
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-27
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.20020 en NL26.20021
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Letland, indirect refoulement, verschil in beschermingsbeleid, artikel 17 Dv.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.914 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.20020 (beroep) en NL26.20021 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser]
, V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel)


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Latul).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Letland ervoor verantwoordelijk is.



1.1

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 13 mei 2026 op zitting behandeld.
De gemachtigde van eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




1.2

Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.20021) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.






Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?


1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Soedanese nationaliteit. Eiser heeft op 21 januari 2026 in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Letland asiel heeft aangevraagd. Letland is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.



Wat vindt eiser in beroep?


2. Eiser voert aan dat nu zijn verzoek om internationale bescherming door de Letse autoriteiten is afgewezen, hij bij overdracht aan Letland voor indirect refoulement naar Soedan te vrezen heeft. Verweerder heeft ten onrechte die vrees gepasseerd. De asielaanvragen van alle asielzoekers uit Soedan worden in Letland afgewezen en zij worden allemaal (na lange vreemdelingendetentie) gedwongen uitgezet naar Soedan. Het door Letland gevoerde beschermingsbeleid ten aanzien van Soedanese asielzoekers wijkt evident af van het door verweerder gehanteerde landgebonden beleid voor Soedan. Eiser is van mening dat verweerder veel beter in staat moet worden geacht het voorgaande te verifiëren dan hijzelf en stelt dat de uitspraak van de Afdeling waar verweerder naar verwijst in strijd is met het fair-play beginsel. Eiser vindt het verder niet reëel om terug te keren naar Letland om eerst daar te procederen en dan terug te keren naar Nederland met een negatieve uitspraak van de Letse rechter. Tot slot is ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel en indirect refoulement


5. De rechtbank overweegt allereerst dat de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024 expliciet de uitspraak van 6 juli 2022 heeft verlaten als gevolg van het arrest van het Hof van 30 november 2023. Uit dat arrest volgt namelijk dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Het Hof heeft in voornoemde uitspraak uitdrukkelijk overwogen dat evidente en fundamentele verschillen in beschermingsbeleid geen systeemfout in de asielprocedure kan opleveren. Het arrest van het Hof biedt dus geen ruimte om te toetsen of het beschermingsbeleid van een aangezochte lidstaat ten aanzien van bepaalde groepen of landen van herkomst in algemene zin een refoulementsrisico oplevert, afgemeten naar het beschermingsbeleid dat in Nederland geldt.


5.1.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Letland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 20 december 2023. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er in Letland sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt zoals bedoeld in het Jawo-arrest. Eiser is hier niet in geslaagd. Ten aanzien van eisers vrees voor detentie en uitzetting, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet heeft onderbouwd. Eisers stellingen zijn op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat een overdracht aan Letland zal leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De autoriteiten hebben middels het claimakkoord gegarandeerd dat zij het asielverzoek van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser na overdracht aan Letland gebreken constateert in de opvang of asielprocedure, dan kan eiser hierover klagen bij de (hogere) autoriteiten van Letland. Niet is gebleken dat eiser dit voor eiser onmogelijk is.



Artikel 17 van de Dublinverordening

6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft slechts gesteld dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan dit artikel, maar deze stelling is niet verder geconcretiseerd.





Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Letland ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.

8. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.


Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2022:1864.


ECLI:NL:RVS:2024:2359, zie overweging 6.


ECLI:NL:RVS:2022:1864.


Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.


ECLI:NL:RVS:2023:4732.


ECLI:EU:C:2019:218.


Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.