Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21173
2026-07-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.37163 en NL25.60032
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen afwijzing aanvraag verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid, beroep gegrond met in stand laten van de rechtsgevolgen, verzoek om schadevergoeding afgewezen, verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Turks Associatierecht – artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn – Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel – artikel 8 EVRM – onredelijke hardheid – afwijzing op grond van de openbare orde – onbevoegd genomen besluit – overschrijding van de redelijke termijn.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1134 Rechtbank 's-Gravenhage 18-12-2007
- ECLI:NL:RVS:2014:4481 Raad van State 03-12-2014
- ECLI:NL:RVS:2022:1722 Raad van State 29-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588 Raad van State 13-02-2007
- ECLI:NL:RVS:2026:3698 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:5355 Raad van State 23-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.027 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.37163 en NL25.60032
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Daarna heeft verweerder het bezwaar hiertegen gegrond verklaard. Met het primaire besluit van
27 augustus 2024 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 november 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de zoon van eiser [naam] die voor eiser heeft vertaald, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1953 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning om bij zijn echtgenote [referente] (referente) te verblijven.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Ten eerste heeft eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser wordt volgens verweerder niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht. Ook wordt eiser niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat de belangenafweging uitvalt in het nadeel van eiser. Hierbij heeft verweerder zwaar in eisers nadeel gewogen dat hij in Nederland misdrijven heeft gepleegd. In 1985 is eiser namelijk onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf jaren wegens het door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van het misdrijf moord. In 1997 is eiser vervolgens veroordeeld omdat hij als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling was verklaard. Verder is het bestreden besluit niet in strijd met eisers recht op familie-, gezins- of privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook is het bestreden besluit niet in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en is er geen reden om hem vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Ten tweede heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verder is het primaire besluit volgens verweerder onbevoegd genomen, maar kan dit gebrek worden gepasseerd. Verweerder ziet ten slotte geen aanleiding om eisers aanvraag in te willigen wegens bijzondere omstandigheden.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst moet eiser worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht, omdat referente een Turkse werkneemster was. Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet kan worden vrijgesteld op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Zo heeft verweerder de duur van eisers verblijf in Nederland, de situatie na de veroordeling, de aard en hechtheid van het familieleven en de hechtheid van de banden met Nederland en Turkije onjuist betrokken. Ten derde is het bestreden besluit in strijd met eisers recht op gezins- en familieleven. Ten vierde heeft verweerder ten onrechte gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is met eisers recht op privéleven. Ten vijfde heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Ten zesde is het bestreden besluit in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Ten zevende is het bestreden besluit onredelijk hard. Ten achtste is het primaire besluit onbevoegd genomen, waardoor het recht op een proceskostenvergoeding moet worden vastgesteld. Ten slotte voert eiser aan dat hij recht heeft op een schadevergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Turks Associatierecht
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet hoefde vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht. Hierbij is van belang dat referente niet heeft aangetoond dat zij de Turkse nationaliteit heeft en dat niet is gebleken dat zij een werknemer is in de zin van het Besluit 1/80. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser verwezen naar een uitspraak van de zittingsplaats Arnhem. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hieruit volgt dat de nationaliteit van referente niet van belang is, alleen al omdat de huidige zaak niet vergelijkbaar is omdat het hier gaat om een aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning en geen aanvraag tot verlenging.
Artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn
6. Omdat bij deze belangenafweging openbare ordeaspecten een rol spelen, moeten de in het Boultif- en het Üner-arrest benoemde criteria (guiding principles) bij de belangenafweging worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en ernst van het gepleegde misdrijf, de duur van het verblijf in het gastland, het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd, en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst. De rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de duur van eisers verblijf in Nederland, de situatie na de veroordeling, de aard en hechtheid van het familieleven en de hechtheid van de banden met Nederland en Turkije onjuist heeft betrokken. Verweerder heeft namelijk mogen betrekken dat het gebruik van regels voor toelating en het verblijf van vreemdelingen in het belang is van de Nederlandse overheid, en specifiek het stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser twee keer ongeoorloofd Nederland is ingereisd en meerdere keren Nederland is uitgezet. Verweerder heeft ook mogen meewegen dat eiser ondanks dat hij wist dat hij niet in Nederland mocht blijven, gezinsleven heeft uitgeoefend met referente.
6.2.
Verder heeft verweerder zwaar in eisers nadeel mogen wegen dat hij een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de openbare orde. Daarbij heeft verweerder kenbaar getoetst aan de Boultif- en Üner-Criteria. Ten eerste heeft verweerder in eisers nadeel mogen wegen dat eiser een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de openbare orde door de twee veroordelingen. Ten tweede heeft verweerder in eisers nadeel mogen betrekken dat hij zijn stelling dat hij sinds 2008 onafgebroken in Nederland verblijft, niet heeft aangetoond. De rechtbank ziet in dat het wellicht moeilijker is voor eiser om te onderbouwen dat hij al sinds 2008 in Nederland verblijft. Dit neemt echter niet weg dat verweerder meer (objectief) bewijs mocht verlangen. Zoals tijdens de zitting is besproken, gaat het om een lange periode en zouden er bijvoorbeeld ook andere mensen kunnen zijn die verklaringen kunnen afleggen. Verweerder mocht er dan ook vanuit gaan dat eiser waarschijnlijk sinds 2019 weer in Nederland verblijft. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser tot 1988 rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, maar dat zijn verblijfsvergunning toen is ingetrokken in verband met de openbare orde en dat is gebleken dat eiser sinds 2012 meerdere keren voor korte periodes in Nederland heeft verbleven zonder verblijfvergunning. Ten derde heeft verweerder in eisers nadeel mogen betrekken dat eiser na zijn eerste veroordeling nogmaals is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. Verweerder heeft eisers gevorderde leeftijd weliswaar in eisers voordeel betrokken, maar heeft dit niet doorslaggevend hoeven vinden. Ten vierde heeft verweerder het gezinsleven tussen eiser en referente in het nadeel van eiser mogen laten wegen, omdat zij niet altijd hebben samengewoond en dit niet duidt op een intensief gezinsleven. Daarbij heeft verweerder in eisers voordeel kunnen betrekken dat referente de Nederlandse nationaliteit bezit en artsen in Nederland bezoekt, maar verweerder heeft dit niet van doorslaggevend belang hoeven vinden, omdat referente eiser niet hoeft te volgen naar Turkije en zij er ook niet op kon vertrouwen dat zij met eiser samen kon zijn in Nederland. Over eisers zoon heeft verweerder in eisers voordeel kunnen betrekken dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, maar verweerder heeft dit niet als doorslaggevend hoeven wegen omdat hij het contact met zijn zoon op afstand kan voortzetten. Ten slotte heeft verweerder in eisers nadeel mogen laten meetellen dat eisers banden met Turkije sterker zijn dan die met Nederland. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser weliswaar banden heeft met Nederland, maar dat hij niet heeft aangetoond dat hij hier verder vrienden en kennissen heeft. Daartegenover heeft verweerder mogen stellen dat eiser op volwassen leeftijd naar Nederland is gekomen, tussendoor voor een langere periode in Turkije heeft gewoond en niet heeft aangetoond dat hij geen vrienden of familie meer heeft in Turkije.
Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat het bestreden besluit niet in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die verweerder niet al heeft betrokken in de beoordeling van artikel 17 van de Gezinshereniging en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel in het bestreden besluit.
Artikel 8 van het EVRM
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte geen vrijstelling van het mvv-vereiste heeft verleend aan eiser op grond van artikel 8 van het EVRM.
8.1.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op basis van zijn familie- of gezinsleven. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit in strijd is met eisers recht op familie- of gezinsleven onder artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de belangen van eiser kenbaar betrokken in de belangenafweging die hij heeft verricht in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
8.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in het privéleven van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder heeft de belangen van eiser namelijk kenbaar afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid en voldoende gemotiveerd dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Verweerder heeft alle door eiser naar voren gebrachte belangen betrokken in de belangenafweging. Zo heeft verweerder mogen betrekken dat de Nederlandse overheid belang heeft bij het toepassen van de regels en het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid en economisch welzijn. Verweerder heeft hierbij mogen stellen dat het economisch belang ook ziet op de door de overheid betaalde voorzieningen zoals gezondheidszorg en infrastructuur. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen betrekken dat hij een lange tijd in Nederland heeft gewoond zonder verblijfsvergunning. Verweerder heeft in het voordeel van eiser gewogen dat referente al lang in Nederland woont en dat hun meerderjarige zoon Nederlands is en hier werkt, maar heeft ook kunnen tegenwerpen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij andere familieleden en vrienden heeft in Nederland en dat de contacten ook op afstand kunnen worden onderhouden. Daarnaast heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen betrekken dat zijn banden met Turkije sterker zijn dan die met Nederland.
Onredelijke hardheid
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet hoefde vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd heeft verweerder namelijk al betrokken in de beoordeling van artikel 17 van de Gezinshereniging en artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder in het verweerschrift mogen betrekken dat de door eiser in beroep aangevoerde omstandigheden niet leiden tot een andere conclusie.
Afwijzing op grond van de openbare orde
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers aanvraag wordt afgewezen op grond van de openbare orde. Uit verweerders beleid blijkt dat hij een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf onder andere afwijst op grond van de openbare orde als de vreemdeling voor een misdrijf tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld. Als er een aantal jaren zijn verstreken sinds de veroordeling, kan dit voor verweerder een reden zijn om de aanvraag niet af te wijzen op grond van de openbare orde. Zoals verweerder tijdens de zitting heeft erkend, heeft hij in het bestreden besluit niet gemotiveerd wat het tijdsverloop betekent voor deze zelfstandige afwijzingsgrond. Dit is een gebrek en de rechtbank ziet geen aanleiding dit te passeren. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te houden, omdat de afwijzingsgrond van het mvv-vereiste de afwijzing van eisers aanvraag al kan dragen.
Onbevoegd genomen besluit
11. De rechtbank stelt vast dat de beschikking van 30 juli 2024 ten onrechte is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank is echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2007, van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd. De beschikking is ondertekend door een ambtenaar die daartoe bevoegd was. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad.
Overschrijding van de redelijke termijn
12. De rechtbank vat eisers verzoek om schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn op als de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de redelijke termijn nog niet is verstreken. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Hieruit volgt ook dat als uitgangspunt een redelijke termijn van vier jaar geldt voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties. Die termijn bestaat uit een half jaar voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor het hoger beroep. Daarbij geldt dat een relatief trage behandeling in bezwaar of beroep kan worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling in beroep of hoger beroep. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,- voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van deze procedure is begonnen op 24 september 2024, de datum waarop verweerder het tweede bezwaar heeft ontvangen. De rechtbank gaat uit van de datum van het tweede bezwaar, omdat dit het bezwaar is waarop het bestreden besluit op is gebaseerd. Het eerste bezwaar, tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag, is door verweerder weliswaar gegrond verklaard maar het was aan de onvolledige aanvraag te wijten dat de inhoudelijke beslissing op de aanvraag niet eerder kon worden genomen. De redelijke termijn voor de bezwaarfase en beroepsfase bedraagt twee jaar en zal zijn verstreken op 24 september 2026. De redelijke termijn is dus op het moment van het doen van deze uitspraak nog niet verstreken.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand laten.
14. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
15. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-.
16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80).
Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Op grond van artikel 4:84 van de Awb.
In het kader van artikel 8 van het EVRM.
In het kader van artikel 8 van het EVRM.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1134.
Uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001, nr. 54273/00 (Boultif).
Uitspraak van het EHRM van 18 oktober 2006, nr. 46410/99 (Üner).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4481), onder 2.1.
Uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1722), onder 5.4.
Zie artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3698 en van 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5355.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.37163 en NL25.60032
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Daarna heeft verweerder het bezwaar hiertegen gegrond verklaard. Met het primaire besluit van
27 augustus 2024 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 november 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de zoon van eiser [naam] die voor eiser heeft vertaald, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1953 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning om bij zijn echtgenote [referente] (referente) te verblijven.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Ten eerste heeft eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser wordt volgens verweerder niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht. Ook wordt eiser niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat de belangenafweging uitvalt in het nadeel van eiser. Hierbij heeft verweerder zwaar in eisers nadeel gewogen dat hij in Nederland misdrijven heeft gepleegd. In 1985 is eiser namelijk onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf jaren wegens het door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van het misdrijf moord. In 1997 is eiser vervolgens veroordeeld omdat hij als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling was verklaard. Verder is het bestreden besluit niet in strijd met eisers recht op familie-, gezins- of privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook is het bestreden besluit niet in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en is er geen reden om hem vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Ten tweede heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verder is het primaire besluit volgens verweerder onbevoegd genomen, maar kan dit gebrek worden gepasseerd. Verweerder ziet ten slotte geen aanleiding om eisers aanvraag in te willigen wegens bijzondere omstandigheden.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst moet eiser worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht, omdat referente een Turkse werkneemster was. Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet kan worden vrijgesteld op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Zo heeft verweerder de duur van eisers verblijf in Nederland, de situatie na de veroordeling, de aard en hechtheid van het familieleven en de hechtheid van de banden met Nederland en Turkije onjuist betrokken. Ten derde is het bestreden besluit in strijd met eisers recht op gezins- en familieleven. Ten vierde heeft verweerder ten onrechte gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is met eisers recht op privéleven. Ten vijfde heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Ten zesde is het bestreden besluit in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Ten zevende is het bestreden besluit onredelijk hard. Ten achtste is het primaire besluit onbevoegd genomen, waardoor het recht op een proceskostenvergoeding moet worden vastgesteld. Ten slotte voert eiser aan dat hij recht heeft op een schadevergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Turks Associatierecht
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet hoefde vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht. Hierbij is van belang dat referente niet heeft aangetoond dat zij de Turkse nationaliteit heeft en dat niet is gebleken dat zij een werknemer is in de zin van het Besluit 1/80. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser verwezen naar een uitspraak van de zittingsplaats Arnhem. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hieruit volgt dat de nationaliteit van referente niet van belang is, alleen al omdat de huidige zaak niet vergelijkbaar is omdat het hier gaat om een aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning en geen aanvraag tot verlenging.
Artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn
6. Omdat bij deze belangenafweging openbare ordeaspecten een rol spelen, moeten de in het Boultif- en het Üner-arrest benoemde criteria (guiding principles) bij de belangenafweging worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en ernst van het gepleegde misdrijf, de duur van het verblijf in het gastland, het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd, en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst. De rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de duur van eisers verblijf in Nederland, de situatie na de veroordeling, de aard en hechtheid van het familieleven en de hechtheid van de banden met Nederland en Turkije onjuist heeft betrokken. Verweerder heeft namelijk mogen betrekken dat het gebruik van regels voor toelating en het verblijf van vreemdelingen in het belang is van de Nederlandse overheid, en specifiek het stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser twee keer ongeoorloofd Nederland is ingereisd en meerdere keren Nederland is uitgezet. Verweerder heeft ook mogen meewegen dat eiser ondanks dat hij wist dat hij niet in Nederland mocht blijven, gezinsleven heeft uitgeoefend met referente.
6.2.
Verder heeft verweerder zwaar in eisers nadeel mogen wegen dat hij een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de openbare orde. Daarbij heeft verweerder kenbaar getoetst aan de Boultif- en Üner-Criteria. Ten eerste heeft verweerder in eisers nadeel mogen wegen dat eiser een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de openbare orde door de twee veroordelingen. Ten tweede heeft verweerder in eisers nadeel mogen betrekken dat hij zijn stelling dat hij sinds 2008 onafgebroken in Nederland verblijft, niet heeft aangetoond. De rechtbank ziet in dat het wellicht moeilijker is voor eiser om te onderbouwen dat hij al sinds 2008 in Nederland verblijft. Dit neemt echter niet weg dat verweerder meer (objectief) bewijs mocht verlangen. Zoals tijdens de zitting is besproken, gaat het om een lange periode en zouden er bijvoorbeeld ook andere mensen kunnen zijn die verklaringen kunnen afleggen. Verweerder mocht er dan ook vanuit gaan dat eiser waarschijnlijk sinds 2019 weer in Nederland verblijft. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser tot 1988 rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, maar dat zijn verblijfsvergunning toen is ingetrokken in verband met de openbare orde en dat is gebleken dat eiser sinds 2012 meerdere keren voor korte periodes in Nederland heeft verbleven zonder verblijfvergunning. Ten derde heeft verweerder in eisers nadeel mogen betrekken dat eiser na zijn eerste veroordeling nogmaals is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. Verweerder heeft eisers gevorderde leeftijd weliswaar in eisers voordeel betrokken, maar heeft dit niet doorslaggevend hoeven vinden. Ten vierde heeft verweerder het gezinsleven tussen eiser en referente in het nadeel van eiser mogen laten wegen, omdat zij niet altijd hebben samengewoond en dit niet duidt op een intensief gezinsleven. Daarbij heeft verweerder in eisers voordeel kunnen betrekken dat referente de Nederlandse nationaliteit bezit en artsen in Nederland bezoekt, maar verweerder heeft dit niet van doorslaggevend belang hoeven vinden, omdat referente eiser niet hoeft te volgen naar Turkije en zij er ook niet op kon vertrouwen dat zij met eiser samen kon zijn in Nederland. Over eisers zoon heeft verweerder in eisers voordeel kunnen betrekken dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, maar verweerder heeft dit niet als doorslaggevend hoeven wegen omdat hij het contact met zijn zoon op afstand kan voortzetten. Ten slotte heeft verweerder in eisers nadeel mogen laten meetellen dat eisers banden met Turkije sterker zijn dan die met Nederland. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser weliswaar banden heeft met Nederland, maar dat hij niet heeft aangetoond dat hij hier verder vrienden en kennissen heeft. Daartegenover heeft verweerder mogen stellen dat eiser op volwassen leeftijd naar Nederland is gekomen, tussendoor voor een langere periode in Turkije heeft gewoond en niet heeft aangetoond dat hij geen vrienden of familie meer heeft in Turkije.
Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat het bestreden besluit niet in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die verweerder niet al heeft betrokken in de beoordeling van artikel 17 van de Gezinshereniging en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel in het bestreden besluit.
Artikel 8 van het EVRM
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte geen vrijstelling van het mvv-vereiste heeft verleend aan eiser op grond van artikel 8 van het EVRM.
8.1.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op basis van zijn familie- of gezinsleven. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit in strijd is met eisers recht op familie- of gezinsleven onder artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de belangen van eiser kenbaar betrokken in de belangenafweging die hij heeft verricht in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
8.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in het privéleven van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder heeft de belangen van eiser namelijk kenbaar afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid en voldoende gemotiveerd dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Verweerder heeft alle door eiser naar voren gebrachte belangen betrokken in de belangenafweging. Zo heeft verweerder mogen betrekken dat de Nederlandse overheid belang heeft bij het toepassen van de regels en het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid en economisch welzijn. Verweerder heeft hierbij mogen stellen dat het economisch belang ook ziet op de door de overheid betaalde voorzieningen zoals gezondheidszorg en infrastructuur. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen betrekken dat hij een lange tijd in Nederland heeft gewoond zonder verblijfsvergunning. Verweerder heeft in het voordeel van eiser gewogen dat referente al lang in Nederland woont en dat hun meerderjarige zoon Nederlands is en hier werkt, maar heeft ook kunnen tegenwerpen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij andere familieleden en vrienden heeft in Nederland en dat de contacten ook op afstand kunnen worden onderhouden. Daarnaast heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen betrekken dat zijn banden met Turkije sterker zijn dan die met Nederland.
Onredelijke hardheid
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet hoefde vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd heeft verweerder namelijk al betrokken in de beoordeling van artikel 17 van de Gezinshereniging en artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder in het verweerschrift mogen betrekken dat de door eiser in beroep aangevoerde omstandigheden niet leiden tot een andere conclusie.
Afwijzing op grond van de openbare orde
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers aanvraag wordt afgewezen op grond van de openbare orde. Uit verweerders beleid blijkt dat hij een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf onder andere afwijst op grond van de openbare orde als de vreemdeling voor een misdrijf tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld. Als er een aantal jaren zijn verstreken sinds de veroordeling, kan dit voor verweerder een reden zijn om de aanvraag niet af te wijzen op grond van de openbare orde. Zoals verweerder tijdens de zitting heeft erkend, heeft hij in het bestreden besluit niet gemotiveerd wat het tijdsverloop betekent voor deze zelfstandige afwijzingsgrond. Dit is een gebrek en de rechtbank ziet geen aanleiding dit te passeren. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te houden, omdat de afwijzingsgrond van het mvv-vereiste de afwijzing van eisers aanvraag al kan dragen.
Onbevoegd genomen besluit
11. De rechtbank stelt vast dat de beschikking van 30 juli 2024 ten onrechte is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank is echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2007, van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd. De beschikking is ondertekend door een ambtenaar die daartoe bevoegd was. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad.
Overschrijding van de redelijke termijn
12. De rechtbank vat eisers verzoek om schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn op als de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de redelijke termijn nog niet is verstreken. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Hieruit volgt ook dat als uitgangspunt een redelijke termijn van vier jaar geldt voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties. Die termijn bestaat uit een half jaar voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor het hoger beroep. Daarbij geldt dat een relatief trage behandeling in bezwaar of beroep kan worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling in beroep of hoger beroep. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,- voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van deze procedure is begonnen op 24 september 2024, de datum waarop verweerder het tweede bezwaar heeft ontvangen. De rechtbank gaat uit van de datum van het tweede bezwaar, omdat dit het bezwaar is waarop het bestreden besluit op is gebaseerd. Het eerste bezwaar, tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag, is door verweerder weliswaar gegrond verklaard maar het was aan de onvolledige aanvraag te wijten dat de inhoudelijke beslissing op de aanvraag niet eerder kon worden genomen. De redelijke termijn voor de bezwaarfase en beroepsfase bedraagt twee jaar en zal zijn verstreken op 24 september 2026. De redelijke termijn is dus op het moment van het doen van deze uitspraak nog niet verstreken.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand laten.
14. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
15. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-.
16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80).
Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Op grond van artikel 4:84 van de Awb.
In het kader van artikel 8 van het EVRM.
In het kader van artikel 8 van het EVRM.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1134.
Uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001, nr. 54273/00 (Boultif).
Uitspraak van het EHRM van 18 oktober 2006, nr. 46410/99 (Üner).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4481), onder 2.1.
Uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1722), onder 5.4.
Zie artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3698 en van 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5355.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1.