Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21170

2026-07-27 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.39311 en NL26.39313
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.39311 en NL26.39313
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 59a (AMP) / deel gronden niet bestreden / geen lichter middel / medische omstandigheden staan overdracht niet in de weg / verweerder heeft non-refoulement voldoende gemotiveerd / ongegrond

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.449 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummers: NL26.39311 en NL26.39313


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser en


[eiseres], V-nummer: [V-nummer 2], eiseres (samen: eisers) (gemachtigde: mr. B.A. Palm),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).




Procesverloop


1. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 heeft verweerder aan eisers de maatregel op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



1.2.
Verweerder heeft op 21 juli 2026 ter zitting aangegeven dat eisers zijn overgedragen naar Duitsland en niet meer in bewaring verblijven.



1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.






Beoordeling door de rechtbank



De aan eisers opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

2. Verweerder heeft aan eisers de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening.



2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eisers:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;r. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;s. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eisers voert aan dat de grond k ten onrechte ten grondslag is gelegd aan de maatregel van bewaring. Eisers hebben verklaard dat ze niet terug willen naar Duitsland, maar als het moet dat ze mee zullen werken. Eisers hebben aangegeven dat ze liever naar Nigeria vertrekken. Verweerder had een lichter middel op moeten leggen zodat eisers het IOM hadden kunnen benaderen en eventueel met het IOM kunnen vertrekken. Verder heeft verweerder het non-refoulement beginsel onvoldoende gemotiveerd. Alleen het refoulement beginsel is getoetst ten aanzien van Duitsland, maar niet ten aanzien van Nigeria.
4. De rechtbank overweegt het volgende.

5. De rechtbank stelt vast dat de gronden a, r en s niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eisers het risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeft de door eisers bestreden grond geen bespreking meer.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Weliswaar hebben eisers verklaard dat zij medische omstandigheden hebben, maar zoals door gemachtigde van eisers ter zitting is aangegeven staan deze medische omstandigheden een overdracht niet in de weg.

7. De rechtbank verwijst ter motivering naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2026. Hierin heeft de Afdeling bevestigd dat het arrest Adrar, waar in de door eiser aangehaalde jurisprudentie naar wordt verwezen, alleen ziet op bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn. In dit geval is sprake van bewaring in het kader van overdracht op grond van de Asiel- en Migratiebeheerverordening. De Afdeling heeft echter ook overwogen dat een overdracht aan een andere lidstaat in het kader van de Asiel- en Migratiebeheerverordening kan leiden tot een situatie die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest. Voor bewaring op grond van de Dublinverordening hoeft verweerder dat evenwel niet te beoordelen als er nog geen overdrachtsbesluit is genomen, bijvoorbeeld in afwachting van een claimakkoord. In het geval van eisers heeft verweerder een claimakkoord ontvangen en is verweerder gehouden om een non-refoulement beoordeling te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring de non-refoulement beoordeling voldoende heeft gemotiveerd ten aanzien van Duitsland. Een non-refoulement beoordeling ten aanzien van Nigeria zal door Duitsland worden gemaakt.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Internationale Organisatie voor Migratie


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3387.


Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647


Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2026, onder 1.1.


Voorheen de Dublinverordening