Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21163

2026-07-20 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.27057
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-20
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.27057
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid, beroep ongegrond. Middelenvereiste – paspoortvereiste – belangenafweging artikel 8 EVRM – herhaald en ingelast.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.437 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.27057


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).



1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), de gemachtigde van eiseres, G. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van verweerder.



1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst. Daarbij is met partijen afgesproken dat verweerder het onderzoeksresultaat van het Bureau Documenten van 4 oktober 2025 zal toevoegen aan het digitale dossier en dat partijen daarna in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren.



1.5.
Verweerder heeft het onderzoeksresultaat overgelegd. Vervolgens heeft eiseres hierop gereageerd.



1.6.
De rechtbank heeft met toestemming van partijen afgezien van een nadere zitting en heeft het onderzoek gesloten.










Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?




2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Eritrese nationaliteit. Referent is de gestelde echtgenoot van eiseres en heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv om bij hem te verblijven.



2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat referent niet voldoet aan het middelenvereiste. Ook voldoet eiseres niet aan het paspoortvereiste. Daarnaast is de huwelijksrelatie tussen referent en eiseres niet aangetoond. Verder ziet verweerder geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden van het beleid af te wijken. Volgens verweerder is het bestreden besluit niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, omdat de belangenafweging uitvalt in het nadeel van eiseres. Er is volgens verweerder ook geen sprake van internationale verplichtingen, een wezenlijk Nederlands belang of humanitaire redenen die maken dat de aanvraag moet worden ingewilligd. Ten slotte ziet verweerder geen aanleiding om referent te horen.



2.2.
Verweerder heeft in het verweerschrift laten weten dat hij de huwelijksrelatie tussen eiseres en referent aanneemt, waardoor het bestaan van de huwelijksrelatie in beroep niet meer in geschil is.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst verzoekt eiseres al hetgeen al in de procedure naar voren is gekomen als herhaald en ingelast te beschouwen. Ten tweede stelt verweerder ten onrechte dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste. Verweerder moet namelijk kijken naar het arbeidsverleden en heeft onvoldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden. Ten derde stelt verweerder ten onrechte dat eiseres niet voldoet aan het paspoortvereiste. Eiseres komt immers in aanmerking voor vrijstelling van het paspoortvereiste en heeft haar identiteit voldoende aannemelijk gemaakt. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat de belangenafweging uitvalt in het nadeel van eiseres en referent.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.



Middelenvereiste


5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen stellen dat referent niet aan het middelenvereiste voldoet, omdat zijn inkomen niet zelfstandig, voldoende en duurzaam is. Referent heeft namelijk vanaf 27 januari 2025 geen arbeidsovereenkomst meer en dus geen inkomen uit arbeid.



5.1.
Verder heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de individuele situatie van referent niet maakt dat zijn inkomen wel zelfstandig, voldoende en duurzaam is. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat niet kan worden vastgesteld dat het gestelde inkomen van referent zo stabiel en regelmatig is dat hij hiermee zijn gezin kan onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op de sociale bijstand. Van belang hierbij is dat referent in bezwaar en beroep geen informatie heeft overgelegd waar dit uit blijkt en dat referent sinds 27 januari 2026 geheel geen aangetoonde inkomen uit arbeid meer had.

6. Omdat de afwijzingsgrond van het middelenvereiste de afwijzing van de aanvraag van eiseres kan dragen, zal de rechtbank niet verder ingaan op de beroepsgronden over het paspoortvereiste.



Artikel 8 van het EVRM


7. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM, waarbij familie- of gezinsleven wordt aangenomen, bij de belangenafweging een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en zijn familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank moet vol toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en moet de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend toetsen.



7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Zo heeft verweerder mogen betrekken dat de belangen van de overheid meestal zwaarder wegen omdat er sprake is van een eerste toelating. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat het economisch belang van de staat zwaar weegt en dat het in het nadeel van eiseres weegt dat referent geen aantoonbaar eigen inkomen heeft. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiseres kunnen wegen dat eiseres geen verblijfsvergunning had toen zij en referent het gezinsleven startten. Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken dat de objectieve belemmering om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen weliswaar in het voordeel van eiseres weegt, maar dat die niet doorslaggevend is, gelet op alle aspecten die in het nadeel zijn meegewogen. Ten slotte heeft verweerder van belang mogen vinden dat eiseres en referent de relatie kunnen voortzetten op afstand en dat eiseres sterkere banden heeft met Eritrea dan met Nederland.



Herhaald en ingelast

8. De rechtbank ziet in het algemene zin herhalen en inlassen van hetgeen eiseres eerder in de procedure naar voren heeft gebracht geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Hieruit kan de rechtbank namelijk niet afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is.






Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).


Zie onder meer uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.


Zie onder meer uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.