Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21156
2026-07-29
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/09/696127
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser vindt dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld door hem aan te houden en vast te houden en zijn sleutelbos uit een verzegelde zak te halen. De rechtbank wijst zijn vorderingen af.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2006:AV6956 Hoge Raad 13-10-2006
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.662 tekens)
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/696127 / HA ZA 26-4
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. D. Rezaie,
tegen
DE POLITIE te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. E.P. Ceulen.
1De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 10 december 2025, met producties 1 tot en met 6;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;
- de door [eiser] overgelegde producties 7 tot en met 16.
1.2.
Op 7 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
2De feiten
2.1.
Op 18 februari 2020 omstreeks 20.35 uur hebben twee verbalisanten van de politie [eiser] in zijn woning aan de [adres] te [plaats] aangehouden na een melding van zijn ex-partner, mevrouw [naam 1], dat zij door [eiser] is mishandeld. Na zijn aanhouding is [eiser] overgebracht naar een arrestantencomplex waar hij de nacht heeft doorgebracht.
2.2.
Op 19 februari 2020 is [eiser] verhoord. Op dezelfde dag is hij vrijgelaten en is hem een tijdelijk huisverbod voor de duur van tien dagen opgelegd. De politie heeft de huissleutel van [eiser] ingenomen en heeft hem laten weten dat hij de sleutel vanaf 29 februari 2020 weer op het politiebureau kon afhalen. [eiser] is niet strafrechtelijk vervolgd.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat de politie onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem aan te houden, vast te houden en zijn sleutelbos zonder zijn toestemming uit de verzegelde zak te halen;
II. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure;
een en ander met veroordeling van de politie in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Aan zijn vorderingen legt [eiser] het volgende ten grondslag. De politie heeft [eiser] ten onrechte aangehouden, in een politiecel geplaatst en zonder zijn toestemming zijn gehele sleutelbos uit de verzegelde zak met zijn eigendommen gehaald. De politie heeft daarom gehandeld in strijd met een wettelijke plicht, te weten artikel 4 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verder heeft de politie volgens [eiser] gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt en met de integriteitseisen die voor politieambtenaren gelden. Hierdoor heeft [eiser] schade geleden. Het handelen van de politie kwalificeert als een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.
3.3.
De politie voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Aanhouden / plaatsen in politiecel
4.1.
Volgens het Begaclaimarrest kan een (voormalig) verdachte bij strafvorderlijk optreden van de politie schadevergoeding vorderen op de voet van onrechtmatige overheidsdaad, indien:
de rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden vanaf het begin heeft ontbroken vanwege strijd met het publiekrecht, bijvoorbeeld omdat een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van de aanvang af heeft ontbroken (de a-grond); of
achteraf uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken van de strafzaak is gebleken van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie was gebaseerd (de b-grond).
4.2.
Met betrekking tot de a-grond dient te worden opgemerkt dat de vraag of voor het optreden van politie of justitie een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond beoordeeld moet worden naar het tijdstip waarop dat optreden plaats heeft gehad. Het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld kan het instellen van een strafvervolging of het hanteren van dwangmiddelen rechtvaardigen, ook indien niet bij voorbaat vaststaat dat een veroordeling zal kunnen volgen, bijvoorbeeld omdat onzekerheid bestaat met betrekking tot de reikwijdte van de betrokken strafbepaling. Slechts indien bij voorbaat vaststaat dat geen veroordeling zal kunnen volgen of in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de betrokken strafbepaling valt, is het hanteren van dwangmiddelen of het instellen van strafvervolging niet gerechtvaardigd en dus onrechtmatig.
4.3.
De rechtbank maakt uit de toelichting die [eiser] op de zitting heeft gegeven op dat hij zich erop beroept op de a-grond. Hij vindt dat de politie meer onderzoek had moeten doen alvorens hem aan te houden en in een politiecel te plaatsen.
4.4.
De politie voert aan dat zij [eiser] mocht aanhouden en vasthouden, omdat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 Sv. Zij voert aan dat zij beschikte over een zeer concrete en gedetailleerde melding van [naam 1], die [naam 1] in het bijzijn van haar twee kinderen op het politiebureau had gedaan. In haar verklaring schetste [naam 1] een patroon van huiselijk geweld en benoemde zij meerdere voorvallen, waaronder meerdere incidenten in de dagen voorafgaand aan de melding. Dochter [naam 2] zou volgens de politie de door [naam 1] beschreven gebeurtenissen deels hebben bevestigd. Verder was de politie ermee bekend dat op naam van het gezin al meerdere zorgmeldingen waren gedaan en stonden er in het politiesysteem twee eerdere meldingen (antecedenten) vanwege mishandeling op naam van [eiser]. [eiser] is na zijn aanhouding op het politiebureau vastgehouden om te kunnen worden verhoord.
4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 53 Sv mag de politie verdachten aanhouden. Als verdachte wordt op grond van artikel 27 Sv aangemerkt degene ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Op grond van artikel 56a, tweede lid, Sv kan een aangehouden verdachte vervolgens in het belang van het onderzoek negen uur worden vastgehouden op het politiebureau, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens niet wordt meegerekend. Dit betekent dat een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voldoende is om iemand aan te houden en vast te houden op het politiebureau.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de politie met de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden voldoende toegelicht waarom er ten tijde van de aanhouding van [eiser] een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond en daarmee voldoende gemotiveerd betwist dat het aanhouden en vasthouden van [eiser] onrechtmatig was. Het lag, gelet op deze door de politie aangevoerde feiten en omstandigheden, op de weg van [eiser] om nader te onderbouwen dat er geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit was en dat bij voorbaat vaststond dat geen veroordeling voor een strafbaar feit zou kunnen volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] dit onvoldoende gedaan.
4.7.
Volgens [eiser] blijkt uit door hem overgelegde producties, in het bijzonder een rapport van de Jeugdbescherming (door [eiser] overgelegd als productie 14), dat [naam 1] verward was en psychische problemen had. Deze informatie had volgens [eiser] bekend moeten zijn bij de politie. De politie heeft echter betwist dat zij inzage had in deze informatie. [eiser] heeft vervolgens niet geconcretiseerd hoe de politie met dit rapport - dat volgens de kop is afgedrukt op 18 maart 2022, dus twee jaar na de aanhouding van [eiser] - en de daarin opgenomen informatie bekend had kunnen zijn.
4.8.
[eiser] heeft er verder op gewezen dat tijdens zijn verhoor door de politie is gevraagd of [naam 1] ‘geestelijke ziektes die gediagnosticeerd zijn’ had. [eiser] stelt dat hieruit kan worden afgeleid dat de politie dacht dat [naam 1] leed aan een psychische aandoening. Zelfs als de politie al vermoedde dat [naam 1] leed aan een psychische aandoening, heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld dat de politie hem niet mede op basis van [naam 1]’s melding mocht aanhouden en in een politiecel mocht plaatsen. Ook iemand die is gediagnosticeerd met een psychische aandoening kan immers worden mishandeld en daarover naar waarheid verklaren. Dat de twee eerdere meldingen van [naam 1] niet hebben geleid tot vervolging van [eiser], wil verder ook niet zeggen dat hieraan geen waarde kon worden gehecht.
4.9.
Tijdens de zitting heeft [eiser] verder nog gesteld dat hij vóór zijn aanhouding tegen de politie heeft gezegd dat hij verwachtte dat [naam 1] ‘weer zou liegen’. [eiser] heeft echter niet geconcretiseerd wanneer en tegen wie hij dit heeft gezegd. Bovendien is het niet zo dat de politie zich door dergelijke opmerkingen moet laten leiden en dat een redelijk vermoeden van schuld om die reden heeft ontbroken.
4.10.
Tijdens de zitting heeft [eiser] ten slotte gesteld dat tijdens zijn verhoor nauwelijks is gevraagd naar wat er is voorgevallen op 18 februari 2020. Dit verhoor heeft echter plaatsgevonden op 19 februari 2020, dus na de beslissing tot aanhouding en het vasthouden van [eiser] op het politiebureau. Daarmee is dit verhoor niet relevant voor de vraag of voor het optreden van de politie waarover [eiser] klaagt een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond.
4.11.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] zijn stellingen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de politie, onvoldoende heeft onderbouwd. Het beroep van [eiser] op de a-grond faalt dus.
Inname sleutel(bos)
4.12.
Het staat vast dat aan [eiser] een tijdelijk huisverbod is opgelegd op grond van de Wth. Artikel 4, tweede lid, Wth geeft daarbij de bevoegdheid aan politieambtenaren om de sleutel van de woning waarop het huisverbod ziet, zo nodig na de uithuisgeplaatste daartoe aan de kleding onderzocht te hebben, aan de uithuisgeplaatste te ontnemen tegen afgifte van een bewijs van ontvangst.
4.13.
[eiser] stelt dat de politie zonder zijn toestemming zijn gehele sleutelbos uit de verzegelde zak met zijn eigendommen heeft gehaald, zonder bewijs van ontvangst. De politie heeft daarom gehandeld in strijd met artikel 4 Wth. Het zonder toestemming innemen van de gehele sleutelbos vormt bovendien een schending van de in de Ambtenarenwet 2017 en de Gedragscode Integriteit Politie neergelegde verplichting tot integer en zorgvuldig handelen.
4.14.
De politie heeft gemotiveerd betwist dat zij heeft gehandeld in strijd met artikel 4 Wth. De politie betwist dat zij de gehele sleutelbos van [eiser] heeft ingenomen en geen bewijs van ontvangst heeft afgegeven. Zij verwijst naar een e-mail van 19 februari 2020. In deze e-mail heeft [naam 3], Medewerker Intake & Service van de politie, vermeld dat [eiser] drie sleutels heeft ontvangen (van zijn garage, kelderbox en computerslot) en dat zij de huissleutel in de envelop in de sleutellade had gedaan. Ook staat daarin dat het ontvangstbewijs is getekend. Ter zitting heeft de politie toegelicht dat het ontvangstbewijs niet is opgeslagen in het systeem van de politie. De politie gaat er evenwel van uit dat dit het ontvangstbewijs is in de zin van artikel 4, tweede lid, Wth.
4.15.
Het lag op de weg van [eiser] om, gelet op deze gemotiveerde betwisting, nader te onderbouwen dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld. Dit heeft hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan.
4.16.
[eiser] klaagt dat zijn eigendomsrecht is geschonden toen zijn sleutelbos zonder zijn toestemming uit de verzegelde zak is gehaald waarin zijn privé-eigendommen zijn gedaan toen hij in de politiecel is geplaatst. Artikel 4, tweede lid, Wth bevat echter een wettelijke grondslag voor het innemen van de huissleutel van [eiser]. Het halen van de huissleutel uit de verzegelde zak met privé-eigendommen van [eiser] valt naar het oordeel van de rechtbank onder deze wettelijke grondslag. De toestemming van [eiser] was hier niet voor nodig. Dat door de politie de gehele sleutelbos van [eiser], en daarmee dus ook andere sleutels dan alleen zijn huissleutel uit de verzegelde zak zijn gehaald, maakt dit oordeel niet anders. Uit de door de politie overgelegde e-mail van 19 februari 2020 volgt namelijk dat [eiser] zijn andere sleutels op 19 februari 2020 retour heeft ontvangen. Dit is ter zitting door [eiser] ook bevestigd. Daarmee is dus enkel de huissleutel ontnomen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Wth.
4.17.
[eiser] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij op 19 februari 2020 een ontvangstbewijs heeft gekregen. Dit bevestigt wat in voormelde e-mail van 19 februari 2020 staat. [eiser] heeft verder verklaard dat hij niet precies weet wat er in die bevestiging stond. Daarmee heeft hij zijn stelling dat hij geen ontvangstbewijs in de zin van artikel 4, tweede lid, Wth heeft ontvangen onvoldoende nader onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de politie dan ook niet gehandeld in strijd met artikel 4, tweede lid, Wth. Ook is de rechtbank niet gebleken dat het handelen van de politie in strijd met andere - geschreven of ongeschreven - (integriteits)normen was.
Conclusie
4.19.
De rechtbank is van oordeel dat de politie niet onrechtmatig heeft gehandeld. Hoewel invoelbaar is dat het politieoptreden voor [eiser] ingrijpend is geweest, kan niet worden vastgesteld dat de politie heeft gehandeld in strijd met enige wettelijke plicht, integriteitseis of met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.
De rechtbank wijst de gevorderde verklaring voor recht daarom af. Ook zal zij om die reden de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure afwijzen.
Proceskosten
4.20.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de politie worden begroot op:
griffierecht € 714
salaris advocaat € 1.306 (2 x € 653, tarief II)
nakosten € 189
Totaal € 2.209
4.21.
De door de politie gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de politie van € 2.209, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald;
5.4.
verklaart de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
type: 3053
Hoge Raad 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956.
Team handel
Zaaknummer: C/09/696127 / HA ZA 26-4
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. D. Rezaie,
tegen
DE POLITIE te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. E.P. Ceulen.
1De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 10 december 2025, met producties 1 tot en met 6;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;
- de door [eiser] overgelegde producties 7 tot en met 16.
1.2.
Op 7 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
2De feiten
2.1.
Op 18 februari 2020 omstreeks 20.35 uur hebben twee verbalisanten van de politie [eiser] in zijn woning aan de [adres] te [plaats] aangehouden na een melding van zijn ex-partner, mevrouw [naam 1], dat zij door [eiser] is mishandeld. Na zijn aanhouding is [eiser] overgebracht naar een arrestantencomplex waar hij de nacht heeft doorgebracht.
2.2.
Op 19 februari 2020 is [eiser] verhoord. Op dezelfde dag is hij vrijgelaten en is hem een tijdelijk huisverbod voor de duur van tien dagen opgelegd. De politie heeft de huissleutel van [eiser] ingenomen en heeft hem laten weten dat hij de sleutel vanaf 29 februari 2020 weer op het politiebureau kon afhalen. [eiser] is niet strafrechtelijk vervolgd.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat de politie onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem aan te houden, vast te houden en zijn sleutelbos zonder zijn toestemming uit de verzegelde zak te halen;
II. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure;
een en ander met veroordeling van de politie in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Aan zijn vorderingen legt [eiser] het volgende ten grondslag. De politie heeft [eiser] ten onrechte aangehouden, in een politiecel geplaatst en zonder zijn toestemming zijn gehele sleutelbos uit de verzegelde zak met zijn eigendommen gehaald. De politie heeft daarom gehandeld in strijd met een wettelijke plicht, te weten artikel 4 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verder heeft de politie volgens [eiser] gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt en met de integriteitseisen die voor politieambtenaren gelden. Hierdoor heeft [eiser] schade geleden. Het handelen van de politie kwalificeert als een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.
3.3.
De politie voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Aanhouden / plaatsen in politiecel
4.1.
Volgens het Begaclaimarrest kan een (voormalig) verdachte bij strafvorderlijk optreden van de politie schadevergoeding vorderen op de voet van onrechtmatige overheidsdaad, indien:
de rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden vanaf het begin heeft ontbroken vanwege strijd met het publiekrecht, bijvoorbeeld omdat een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van de aanvang af heeft ontbroken (de a-grond); of
achteraf uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken van de strafzaak is gebleken van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie was gebaseerd (de b-grond).
4.2.
Met betrekking tot de a-grond dient te worden opgemerkt dat de vraag of voor het optreden van politie of justitie een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond beoordeeld moet worden naar het tijdstip waarop dat optreden plaats heeft gehad. Het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld kan het instellen van een strafvervolging of het hanteren van dwangmiddelen rechtvaardigen, ook indien niet bij voorbaat vaststaat dat een veroordeling zal kunnen volgen, bijvoorbeeld omdat onzekerheid bestaat met betrekking tot de reikwijdte van de betrokken strafbepaling. Slechts indien bij voorbaat vaststaat dat geen veroordeling zal kunnen volgen of in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de betrokken strafbepaling valt, is het hanteren van dwangmiddelen of het instellen van strafvervolging niet gerechtvaardigd en dus onrechtmatig.
4.3.
De rechtbank maakt uit de toelichting die [eiser] op de zitting heeft gegeven op dat hij zich erop beroept op de a-grond. Hij vindt dat de politie meer onderzoek had moeten doen alvorens hem aan te houden en in een politiecel te plaatsen.
4.4.
De politie voert aan dat zij [eiser] mocht aanhouden en vasthouden, omdat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 Sv. Zij voert aan dat zij beschikte over een zeer concrete en gedetailleerde melding van [naam 1], die [naam 1] in het bijzijn van haar twee kinderen op het politiebureau had gedaan. In haar verklaring schetste [naam 1] een patroon van huiselijk geweld en benoemde zij meerdere voorvallen, waaronder meerdere incidenten in de dagen voorafgaand aan de melding. Dochter [naam 2] zou volgens de politie de door [naam 1] beschreven gebeurtenissen deels hebben bevestigd. Verder was de politie ermee bekend dat op naam van het gezin al meerdere zorgmeldingen waren gedaan en stonden er in het politiesysteem twee eerdere meldingen (antecedenten) vanwege mishandeling op naam van [eiser]. [eiser] is na zijn aanhouding op het politiebureau vastgehouden om te kunnen worden verhoord.
4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 53 Sv mag de politie verdachten aanhouden. Als verdachte wordt op grond van artikel 27 Sv aangemerkt degene ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Op grond van artikel 56a, tweede lid, Sv kan een aangehouden verdachte vervolgens in het belang van het onderzoek negen uur worden vastgehouden op het politiebureau, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens niet wordt meegerekend. Dit betekent dat een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voldoende is om iemand aan te houden en vast te houden op het politiebureau.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de politie met de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden voldoende toegelicht waarom er ten tijde van de aanhouding van [eiser] een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond en daarmee voldoende gemotiveerd betwist dat het aanhouden en vasthouden van [eiser] onrechtmatig was. Het lag, gelet op deze door de politie aangevoerde feiten en omstandigheden, op de weg van [eiser] om nader te onderbouwen dat er geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit was en dat bij voorbaat vaststond dat geen veroordeling voor een strafbaar feit zou kunnen volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] dit onvoldoende gedaan.
4.7.
Volgens [eiser] blijkt uit door hem overgelegde producties, in het bijzonder een rapport van de Jeugdbescherming (door [eiser] overgelegd als productie 14), dat [naam 1] verward was en psychische problemen had. Deze informatie had volgens [eiser] bekend moeten zijn bij de politie. De politie heeft echter betwist dat zij inzage had in deze informatie. [eiser] heeft vervolgens niet geconcretiseerd hoe de politie met dit rapport - dat volgens de kop is afgedrukt op 18 maart 2022, dus twee jaar na de aanhouding van [eiser] - en de daarin opgenomen informatie bekend had kunnen zijn.
4.8.
[eiser] heeft er verder op gewezen dat tijdens zijn verhoor door de politie is gevraagd of [naam 1] ‘geestelijke ziektes die gediagnosticeerd zijn’ had. [eiser] stelt dat hieruit kan worden afgeleid dat de politie dacht dat [naam 1] leed aan een psychische aandoening. Zelfs als de politie al vermoedde dat [naam 1] leed aan een psychische aandoening, heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld dat de politie hem niet mede op basis van [naam 1]’s melding mocht aanhouden en in een politiecel mocht plaatsen. Ook iemand die is gediagnosticeerd met een psychische aandoening kan immers worden mishandeld en daarover naar waarheid verklaren. Dat de twee eerdere meldingen van [naam 1] niet hebben geleid tot vervolging van [eiser], wil verder ook niet zeggen dat hieraan geen waarde kon worden gehecht.
4.9.
Tijdens de zitting heeft [eiser] verder nog gesteld dat hij vóór zijn aanhouding tegen de politie heeft gezegd dat hij verwachtte dat [naam 1] ‘weer zou liegen’. [eiser] heeft echter niet geconcretiseerd wanneer en tegen wie hij dit heeft gezegd. Bovendien is het niet zo dat de politie zich door dergelijke opmerkingen moet laten leiden en dat een redelijk vermoeden van schuld om die reden heeft ontbroken.
4.10.
Tijdens de zitting heeft [eiser] ten slotte gesteld dat tijdens zijn verhoor nauwelijks is gevraagd naar wat er is voorgevallen op 18 februari 2020. Dit verhoor heeft echter plaatsgevonden op 19 februari 2020, dus na de beslissing tot aanhouding en het vasthouden van [eiser] op het politiebureau. Daarmee is dit verhoor niet relevant voor de vraag of voor het optreden van de politie waarover [eiser] klaagt een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond.
4.11.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] zijn stellingen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de politie, onvoldoende heeft onderbouwd. Het beroep van [eiser] op de a-grond faalt dus.
Inname sleutel(bos)
4.12.
Het staat vast dat aan [eiser] een tijdelijk huisverbod is opgelegd op grond van de Wth. Artikel 4, tweede lid, Wth geeft daarbij de bevoegdheid aan politieambtenaren om de sleutel van de woning waarop het huisverbod ziet, zo nodig na de uithuisgeplaatste daartoe aan de kleding onderzocht te hebben, aan de uithuisgeplaatste te ontnemen tegen afgifte van een bewijs van ontvangst.
4.13.
[eiser] stelt dat de politie zonder zijn toestemming zijn gehele sleutelbos uit de verzegelde zak met zijn eigendommen heeft gehaald, zonder bewijs van ontvangst. De politie heeft daarom gehandeld in strijd met artikel 4 Wth. Het zonder toestemming innemen van de gehele sleutelbos vormt bovendien een schending van de in de Ambtenarenwet 2017 en de Gedragscode Integriteit Politie neergelegde verplichting tot integer en zorgvuldig handelen.
4.14.
De politie heeft gemotiveerd betwist dat zij heeft gehandeld in strijd met artikel 4 Wth. De politie betwist dat zij de gehele sleutelbos van [eiser] heeft ingenomen en geen bewijs van ontvangst heeft afgegeven. Zij verwijst naar een e-mail van 19 februari 2020. In deze e-mail heeft [naam 3], Medewerker Intake & Service van de politie, vermeld dat [eiser] drie sleutels heeft ontvangen (van zijn garage, kelderbox en computerslot) en dat zij de huissleutel in de envelop in de sleutellade had gedaan. Ook staat daarin dat het ontvangstbewijs is getekend. Ter zitting heeft de politie toegelicht dat het ontvangstbewijs niet is opgeslagen in het systeem van de politie. De politie gaat er evenwel van uit dat dit het ontvangstbewijs is in de zin van artikel 4, tweede lid, Wth.
4.15.
Het lag op de weg van [eiser] om, gelet op deze gemotiveerde betwisting, nader te onderbouwen dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld. Dit heeft hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan.
4.16.
[eiser] klaagt dat zijn eigendomsrecht is geschonden toen zijn sleutelbos zonder zijn toestemming uit de verzegelde zak is gehaald waarin zijn privé-eigendommen zijn gedaan toen hij in de politiecel is geplaatst. Artikel 4, tweede lid, Wth bevat echter een wettelijke grondslag voor het innemen van de huissleutel van [eiser]. Het halen van de huissleutel uit de verzegelde zak met privé-eigendommen van [eiser] valt naar het oordeel van de rechtbank onder deze wettelijke grondslag. De toestemming van [eiser] was hier niet voor nodig. Dat door de politie de gehele sleutelbos van [eiser], en daarmee dus ook andere sleutels dan alleen zijn huissleutel uit de verzegelde zak zijn gehaald, maakt dit oordeel niet anders. Uit de door de politie overgelegde e-mail van 19 februari 2020 volgt namelijk dat [eiser] zijn andere sleutels op 19 februari 2020 retour heeft ontvangen. Dit is ter zitting door [eiser] ook bevestigd. Daarmee is dus enkel de huissleutel ontnomen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Wth.
4.17.
[eiser] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij op 19 februari 2020 een ontvangstbewijs heeft gekregen. Dit bevestigt wat in voormelde e-mail van 19 februari 2020 staat. [eiser] heeft verder verklaard dat hij niet precies weet wat er in die bevestiging stond. Daarmee heeft hij zijn stelling dat hij geen ontvangstbewijs in de zin van artikel 4, tweede lid, Wth heeft ontvangen onvoldoende nader onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de politie dan ook niet gehandeld in strijd met artikel 4, tweede lid, Wth. Ook is de rechtbank niet gebleken dat het handelen van de politie in strijd met andere - geschreven of ongeschreven - (integriteits)normen was.
Conclusie
4.19.
De rechtbank is van oordeel dat de politie niet onrechtmatig heeft gehandeld. Hoewel invoelbaar is dat het politieoptreden voor [eiser] ingrijpend is geweest, kan niet worden vastgesteld dat de politie heeft gehandeld in strijd met enige wettelijke plicht, integriteitseis of met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.
De rechtbank wijst de gevorderde verklaring voor recht daarom af. Ook zal zij om die reden de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure afwijzen.
Proceskosten
4.20.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de politie worden begroot op:
griffierecht € 714
salaris advocaat € 1.306 (2 x € 653, tarief II)
nakosten € 189
Totaal € 2.209
4.21.
De door de politie gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de politie van € 2.209, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald;
5.4.
verklaart de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
type: 3053
Hoge Raad 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956.