Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21149
2026-07-29
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.24787
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BNT, gegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2020:1560 Raad van State 08-07-2020
- ECLI:NL:RVS:2024:5020 Raad van State 05-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2022:3352 Raad van State 30-11-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:3353 Raad van State 30-11-2022
Geciteerd door (87)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28280 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28273 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28272 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28271 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28270 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28267 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28264 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28253 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28250 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28042 Rechtbank Den Haag 24-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27282 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27281 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27279 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27277 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27275 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27273 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27270 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27269 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27268 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27264 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27260 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27262 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27301 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27299 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27298 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27297 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27295 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27291 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27289 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27286 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27283 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26874 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26880 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26879 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26878 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26877 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26876 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26875 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26873 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26455 Rechtbank Den Haag 11-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26414 Rechtbank Den Haag 11-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26417 Rechtbank Den Haag 11-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26418 Rechtbank Den Haag 10-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26450 Rechtbank Den Haag 10-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26456 Rechtbank Den Haag 10-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26411 Rechtbank Den Haag 10-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26447 Rechtbank Den Haag 10-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26454 Rechtbank Den Haag 10-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26444 Rechtbank Den Haag 10-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26117 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26121 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26120 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26116 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26113 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26109 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26107 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26106 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26103 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26102 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26101 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (7.142 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24787
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 24 juni 2025.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Nadere beslistermijn
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden. Als gevolg daarvan is de voornemenprocedure vervallen, omdat deze procedurestap niet is opgenomen in de Procedureverordening. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft tot gevolg dat na het gehoor over de asielmotieven sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan.
6. Uit het dossier blijkt dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. In een dergelijk geval hanteerde deze rechtbank en zittingsplaats tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien. De termijn van acht weken voor het houden van het gehoor blijft passend, omdat deze termijn noodzakelijk is voor de voorbereiding en uitvoering van het gehoor. De rechtbank acht de termijn van acht weken voor het nemen van een besluit niet langer noodzakelijk, nu de voornemenprocedure is komen te vervallen. Gelet hierop acht de rechtbank een termijn van vier weken voor het nemen van een besluit na het gehoor passend. De rechtbank zal vanaf heden uitgegaan van het zogenoemde 8+4-wekenmodel.
8. De rechtbank stelt vast dat de maximale termijn van 21 maanden nog niet is overschreden. Ook voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor beschreven 8+4-wekenmodel. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twaalf weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Rechterlijke dwangsom
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. De rechtbank acht voornoemde afweging evenwichtig en zal dan ook vanaf heden de aanbeveling van het LOVB onverkort volgen. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister twaalf weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet binnen deze termijn, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127. Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47.
ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en ABRvS 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020.
Als bedoeld in artikel 35, zevende lid, onder c, van de Procedureverordening.
ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353.
Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht. In dit overleg zijn alle afdelingen bestuursrecht van de rechtbanken vertegenwoordigd.
Aanbeveling rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, raadpleegbaar via www.rechtspraak.nl.
Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24787
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 24 juni 2025.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Nadere beslistermijn
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden. Als gevolg daarvan is de voornemenprocedure vervallen, omdat deze procedurestap niet is opgenomen in de Procedureverordening. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft tot gevolg dat na het gehoor over de asielmotieven sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan.
6. Uit het dossier blijkt dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. In een dergelijk geval hanteerde deze rechtbank en zittingsplaats tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien. De termijn van acht weken voor het houden van het gehoor blijft passend, omdat deze termijn noodzakelijk is voor de voorbereiding en uitvoering van het gehoor. De rechtbank acht de termijn van acht weken voor het nemen van een besluit niet langer noodzakelijk, nu de voornemenprocedure is komen te vervallen. Gelet hierop acht de rechtbank een termijn van vier weken voor het nemen van een besluit na het gehoor passend. De rechtbank zal vanaf heden uitgegaan van het zogenoemde 8+4-wekenmodel.
8. De rechtbank stelt vast dat de maximale termijn van 21 maanden nog niet is overschreden. Ook voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor beschreven 8+4-wekenmodel. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twaalf weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Rechterlijke dwangsom
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. De rechtbank acht voornoemde afweging evenwichtig en zal dan ook vanaf heden de aanbeveling van het LOVB onverkort volgen. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister twaalf weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet binnen deze termijn, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127. Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47.
ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en ABRvS 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020.
Als bedoeld in artikel 35, zevende lid, onder c, van de Procedureverordening.
ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353.
Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht. In dit overleg zijn alle afdelingen bestuursrecht van de rechtbanken vertegenwoordigd.
Aanbeveling rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, raadpleegbaar via www.rechtspraak.nl.
Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.