Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21142

2026-06-15 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.24827 en NL25.25014
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-15
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.24827 en NL25.25014
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak - besluit 1/80 - verblijfsgat - gebreken evenredigheidsbeoordeling zijn hersteld in aanvullende motivering - beroepen gegrond met instandlating van rechtsgevolgen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.894 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL25.24827 en NL25.25014


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen



[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Erik),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen het intrekken van zijn verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ met terugwerkende kracht per 5 juli 2022 (NL25.24827) en het verlenen van een verblijfsvergunning voor het doel ‘arbeid in loondienst’ per 24 april 2023 (NL25.25014).



1.1.
Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning voor verblijf bij partner ingetrokken met het besluit van 20 maart 2023 en heeft eisers aanvraag tot het wijzigen van zijn verblijfsdoel met het besluit van 28 maart 2023 afgewezen. Bij afzonderlijke besluiten op bezwaar van 22 februari 2024 zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Eiser had tegen deze besluiten beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft verweerder op 4 juli 2024 de besluiten van 22 februari 2024 ingetrokken en nieuwe besluiten op bezwaar genomen, waarbij de bezwaren alsnog gedeeltelijk gegrond zijn verklaard.



1.2.
Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 4 juli 2024 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd.



1.3.
Op 15 mei 2025 heeft verweerder nieuwe besluiten op bezwaar genomen waarbij de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze besluiten. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk, en de gemachtigde van verweerder.



1.5.
In de tussenuitspraak van 2 april 2026 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank gebreken geconstateerd in de bestreden besluiten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken te herstellen.



1.6.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 23 april 2026 een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft op 4 mei 2026 een schriftelijke zienswijze (hierna: de zienswijze) gegeven.



1.7.
De rechtbank heeft op 7 mei 2026 het onderzoek gesloten en bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.




Beoordeling door de rechtbank

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.



Wat stond er in de tussenuitspraak?



3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: besluit 1/80). Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft dat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de bestreden besluiten een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevatten, omdat verweerder hierin niet heeft beoordeeld of bij het niet verlenen van voortgezet verblijf, waardoor een verblijfsgat is ontstaan, sprake is van gevolgen die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De rechtbank heeft hierbij van belang gevonden dat inmiddels drie jaar is verstreken sinds de primaire besluiten en verweerder meerdere keren nieuwe besluiten op bezwaar heeft genomen vanwege gebreken in de besluitvorming en dat in de huidige besluitvorming niet onderkend lijkt te zijn dat eiser op 12 dagen na geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80. Ook heeft de rechtbank verweerder opgedragen om bij het herstellen van de gebreken in te gaan op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel.



Wat staat er in de aanvullende motivering?



4. In de aanvullende motivering heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij geen bijzondere omstandigheden ziet om af te wijken van het beleid. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat geen sprake is van een vergelijkbare zaak. Tot slot is er ook geen sprake van een onevenredig gevolg, omdat eiser een geldige verblijfsvergunning heeft.





Wat vindt eiser van de aanvullende motivering?



5. Eiser vindt dat verweerder de duur van de procedure, die te wijten is aan de onzorgvuldigheid van verweerder, niet kenbaar heeft betrokken bij de evenredigheidsbeoordeling. Verweerder heeft in eerdere besluiten, in tegenstelling tot wat verweerder betoogt, de indruk gewekt dat eiser in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. Verweerder heeft zelfs een vergunning verleend op de grond dat eiser een geslaagd beroep toekomt op artikel 13 van besluit 1/80. Eenmaal verkregen rechten kunnen niet zonder een evenredigheidstoetsing worden beperkt. Ook heeft verweerder in de aanvullende motivering, in strijd met de tussenuitspraak, niet nader gemotiveerd waarom hij geen reden ziet om af te wijken van zijn beleid in het feit dat eiser op 12 dagen na geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80. Verder is eiser van mening dat hij wel een geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel. In de zaak waar eiser op heeft gewezen was ten tijde van de verbreking van de relatie op een maand na niet voldaan aan het vereiste van een jaar legale arbeid verrichten, maar heeft verweerder evenredigheid toegepast door die maand niet tegen te werpen. Tot slot is er wel sprake van een onevenredig gevolg. Hoewel eiser een verblijfsvergunning heeft, is sprake van een afhankelijke en onzekere vergunning.



Wat is het oordeel van de rechtbank over de aanvullende motivering?



6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de aanvullende motivering voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van gevolgen die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.


6.1.
Verweerder heeft in het feit dat hij meerdere besluiten heeft moeten nemen in deze zaak, vanwege gebreken in de besluitvorming, geen bijzondere omstandigheid hoeven zien, omdat in deze besluiten nooit de indruk aan eiser is gegeven dat hij in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. Verweerder heeft zich in alle besluiten op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf. In het intrekkingsbesluit van 22 februari 2024 is gesteld dat eiser als Turkse werknemer binnen het toepassingsbereik van besluit 1/80 valt. Maar in dat besluit is ook aangegeven dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf, omdat zijn relatie binnen drie jaar is verbroken. Hoewel verweerder vervolgens in het besluit van 4 juli 2024 wel heeft aangenomen dat de relatie langer dan drie jaar heeft standgehouden, heeft verweerder zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat artikel 13 van besluit 1/80 niet op eiser van toepassing is en eiser daarom niet voldoet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak al heeft overwogen, heeft verweerder kunnen vaststellen dat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt. Hoewel aan eiser op basis van een eerdere foutieve beoordeling wel een vergunning voor arbeid in loondienst is verleend, heeft de rechtbank in de tussenuitspraak ook al overwogen dat met een beroep op het vertrouwensbeginsel niet bereikt kan worden dat verweerder alsnog vaststelt dat eiser onder artikel 13 van besluit 1/80 valt (zie overweging 8 in de tussenuitspraak). Hetzelfde geldt voor het evenredigheidsbeginsel.



6.2.
Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. In de zaak waarop gewezen is, verrichtte betrokkene op het moment van verbreking van de relatie 11 maanden arbeid in loondienst. Op het moment van verbreking van de relatie en ten tijde van het primaire intrekkingsbesluit op 20 maart 2023 verrichtte eiser geen arbeid in loondienst en, zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geconcludeerd, was eiser ook niet voornemens om arbeid in loondienst te gaan verrichten. Hierom is geen sprake van vergelijkbare gevallen.



6.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het enkele feit dat eiser op 12 dagen na niet voldoet aan de voorwaarden van het beleid voor voortgezet verblijf, zoals verweerder dat heeft opgenomen in paragraaf B10/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, geen bijzondere omstandigheid hoeven zien. Daarbij heeft verweerder ook kunnen concluderen dat geen sprake is van een onevenredig gevolg, omdat eiser een geldige verblijfsvergunning heeft.




Conclusie en gevolgen

7. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand. Dit betekent dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ per 5 juli 2022 en de verlening van de verblijfsvergunning voor het doel ‘arbeid in loondienst’ per 24 april 2023, in stand blijven.

8. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. Op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. De proceskostenvergoeding bedraagt daarom € 2.335,-.























Beslissing


De rechtbank:



verklaart de beroepen gegrond;


vernietigt de bestreden besluiten;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;


bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 388,- vergoedt; en


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.







Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zaaknummers NL24.7316 en NL24.7351 (niet gepubliceerd).


Op grond van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).


Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2798 en 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1013.


Zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.


1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-.