Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21097

2026-06-22 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 25/10726 en AWB 25/10728
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-22
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 25/10726 en AWB 25/10728
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beëindiging van eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan en de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument 'Duurzaam verblijf burgers van de Unie'; Beroep gegrond; Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door een besluit te nemen op bezwaar zonder eiser de gelegenheid te geven om de bezwaargronden aan te vullen; De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.819 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: AWB 25/10726 (beroep) en AWB 25/10728 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 22 juni 2026 in de zaken tussen




[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A. Abdi),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan en de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. De voorzieningenrechter beoordeelt zijn verzoek om een voorlopige voorziening.



1.1.
Bij besluit van 29 januari 2025 (het eerste primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan op 1 maart 2023 beëindigd. Bij besluit van 17 april 2025 (het eerste bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Bij besluit van 29 januari 2025 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’ afgewezen. Bij besluit van 17 april 2025 (het tweede bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primair besluit ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij is gehuwd geweest met een Unieburger (referente) en wenst voortzetting van zijn verblijfsrecht op grond van het Unierecht. Eiser heeft daarnaast op 29 april 2024 een aanvraag gedaan voor afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’.

4. Verweerder heeft het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan op 1 maart 2023 beëindigd, omdat verweerder ervan uitgaat dat de referente van eiser per die datum niet (meer) in Nederland verblijft, waardoor eiser geen afhankelijk verblijfsrecht meer heeft. Volgens verweerder voldoet eiser niet aan de uitzonderingen van artikel 8.15 van het Vb. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 8.15, vierde lid, van het Vb, dat ziet op voortgezet verblijf na verbreking van een huwelijk, niet op eiser van toepassing is omdat eiser nog gehuwd is. Verweerder heeft daarnaast de aanvraag van eiser voor duurzaam verblijf afgewezen, omdat eiser niet 5 jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Eiser heeft een kortere periode verblijfsrecht gehad, namelijk van 15 mei 2019 tot 1 maart 2023. Daarbij heeft eisers referente in die periode niet voldaan aan de voorwaarden voor verblijf als economisch actieve dan wel niet-actieve Unieburger. Ook is er geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels in de zin van artikel 4:84 Awb. Verweerder heeft eiser daarbij een vertrektermijn van vier weken opgelegd.



Wat vindt eiser in beroep?



5. Het bestreden besluit is volgens eiser genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Verweerder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat er geen bezwaar is ingesteld tegen het besluit tot beëindiging van het Unierechtelijk verblijfsrecht. Verweerder heeft een beslissing op bezwaar genomen zonder eiser in de gelegenheid te stellen het bezwaar inhoudelijk aan te vullen, ondanks het nadrukkelijke verzoek daartoe. Hierdoor is eiser het recht onthouden op een behoorlijke en zorgvuldige behandeling van zijn bezwaar. Ook heeft verweerder nagelaten te motiveren waarom eiser geen termijn is gegund voor het aanvullen van de bezwaargronden. Eiser is ook ten onrechte niet gehoord in bezwaar. Daarnaast kan eiser zich niet verenigen met de conclusie dat hij, na de ontbinding van zijn huwelijk met een Unieburger, niet in aanmerking zou komen voor voortzetting van zijn verblijfsrecht. De bijstand die eiser heeft ontvangen was van zeer korte duur en vond plaats tijdens de uitzonderlijke coronaperiode. Daarbij voldoet eiser wel aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning langdurig verblijf als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 2003/109/EG.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. De bestreden besluiten moeten daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Zorgvuldigheid bezwaarprocedure
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 10 maart 2025 aan eiser heeft bevestigd dat hij op 25 februari 2025 een bezwaarschrift heeft ontvangen tegen het besluit waarbij de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’ (het tweede bestreden besluit) is afgewezen. Bij brief van 23 maart 2025 heeft eiser de bezwaargronden ingediend. Eisers heeft daarbij aangegeven dat het bezwaarschrift van 25 februari 2025 ook gericht is tegen de beëindiging van het Unirechtelijk verblijfsrecht (het eerste bestreden besluit). Bij brief van 31 maart 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij niet volgt dat het bezwaarschrift eveneens is ingediend tegen het eerste bestreden besluit, omdat het zaaknummer niet was opgenomen en het besluit niet als bijlage was bijgevoegd. Verweerder heeft verder medegedeeld dat hij de brief van 23 maart 2025 zal aanmerken als bezwaarschrift, nu daarin ook gronden zijn ingediend ten aanzien van de beëindiging van het Unierechtelijk verblijfsrecht. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser het bezwaarschrift niet op tijd heeft ingediend. Eiser heeft op 13 april 2025 stukken overgelegd waaruit blijkt dat het bezwaarschrift gericht tegen het eerste bestreden besluit zowel per fax als per post is ingediend op 25 februari 2025, tegelijkertijd met het bezwaarschrift gericht tegen het tweede bestreden besluit. Eiser heeft daarbij verzocht om een redelijke termijn voor het nader motiveren van zijn bezwaargronden. Op 17 april 2025 is verweerder echter, zonder termijn te stellen voor het aanvullen van de bezwaargronden, tot besluitvorming overgegaan.


7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door een besluit te nemen op bezwaar zonder eiser de gelegenheid te geven om de bezwaargronden ten aanzien van de beëindiging van het Unierechtelijk verblijfsrecht aan te vullen. Bij brief van 31 maart 2025 heeft verweerder medegedeeld dat eiser te laat bezwaar heeft ingediend tegen het eerste bestreden besluit. Verweerder heeft eiser vervolgens in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de reden voor het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift naar voren te brengen. Deze termijn verliep op 14 april 2025. De rechtbank kan eiser volgen in zijn betoog dat hij er vanuit ging dat het bezwaar niet-ontvankelijk was en dat hij zich om die reden in de brief van 13 april 2025 uitsluitend heeft gericht op de onderbouwing van het tijdig indienen van het bezwaarschrift gericht tegen het eerste bestreden besluit. Ook volgt de rechtbank dat eiser in zijn stelling dat hij ervanuit ging dat het bezwaar naar aanleiding van zijn schrijven van 13 april 2025 wel ontvankelijk zou worden verklaard, waarna hem een termijn zou zijn geboden om zijn bezwaargronden aan te vullen. Verweerder heeft dit ten onrechte niet gedaan. Dit klemt te meer nu eiser in de eerste gronden van bezwaar van 21 maart 2025 heeft verklaard dat hij op 10 februari 2025 een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. De rechtbank overweegt dat als de ontvankelijkheid van het bezwaar niet ter discussie zou hebben gestaan en eiser in de gelegenheid zou zijn gesteld om aanvullende bezwaargronden in te dienen, eiser wellicht in de bezwaarprocedure dit verzoek had overgelegd en hier meer over had kunnen vertellen.



7.2.
De rechtbank concludeert dat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming. Daarom komen de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen blijven.



Beëindiging verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de vaststelling van verweerder dat referente per 1 maart 2023 niet meer in Nederland verblijft, onvoldoende weersproken. De rechtbank volgt hierin het standpunt van verweerder dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referente na die datum daadwerkelijk in Nederland heeft verbleven. De enkele omstandigheid dat referente zich heeft ingeschreven in de BRP in Nederland, is onvoldoende om het vermoeden te weerleggen. De rechtbank acht in dit kader van belang dat referente na februari 2023 geen arbeid in loondienst meer heeft verricht, hetgeen bevestigt dat zij per 1 maart 2023 niet meer in Nederland verblijft. Dat eiser pas op 3 juni 2024 heeft gemeld dat zij vertrokken was omdat referente aanvankelijk de intentie had om vanuit Bulgarije terug te keren naar Nederland, maakt voorgaande niet anders. Verweerder heeft op juiste gronden vastgesteld dat zij per 1 maart 2023 niet meer in Nederland verbleef.



8.1.
Nu is vastgesteld dat referente per 1 maart 2023 Nederland heeft verlaten, voldoet eiser vanaf die datum niet langer aan de voorwaarden om in Nederland een verblijfsrecht te hebben op grond van artikel 8.13, eerste lid, van het Vb. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser op grond van een andere bepaling van het Unierecht rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat artikel 8.15, vierde lid, van het Vb, niet op eiser van toepassing is nu dat ziet op voortgezet verblijf na verbreking van een huwelijk, en eiser nog gehuwd is.


8.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle omstandigheden heeft gewogen en tot het oordeel heeft kunnen komen dat de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt. Verweerder heeft hierbij waarde kunnen hechten aan de omstandigheid dat eiser relatief kort rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen stellen dat eisers banden met Nederland niet zodanig sterk zijn dat afgezien moet worden van de verblijfsbeëindiging. Ook heeft verweerder in eisers nadeel kunnen meewegen dat zijn banden met Pakistan sterk zullen zijn, nu hij in 2019 naar Nederland is gekomen en reeds 35 jaar oud was, en dat hij een beroep op de openbare kas heeft gedaan. Eisers betoog dat dit van zeer korte duur was en plaatsvond tijdens de uitzonderlijke coronaperiode, doet daar niet aan af.


8.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan op goede gronden beëindigd per 1 maart 2023. Ondanks dat eiser geen aanvullende bezwaargronden heeft kunnen indienen, is hij in beroep en ter zitting voldoende in de gelegenheid gesteld om aan te geven wat hij in bezwaar naar voren had willen brengen, indien hij daartoe in de gelegenheid zou zijn gesteld. Hierop heeft eiser niets naar voren gebracht. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’
9. Om aan de voorwaarden van artikel 8.12, eerste lid, van de Vb te voldoen, diende eiser vijf jaar onafgebroken en rechtmatig verblijf te hebben gehad in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aan deze voorwaarden heeft voldaan en overweegt hiertoe als volgt.



9.1.
Uit de gegevens van de Basisregistratie Personen blijkt dat eiser sinds 26 maart 2019 in Nederland staat ingeschreven. In het eerste bestreden besluit is vastgesteld dat eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan met ingang van 1 maart 2023 van rechtswege is geëindigd. Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. In maart 2023 waren er immers nog geen vijf jaren verstreken. Verweerder heeft ook van belang kunnen achten dat eiser en referente van 29 april 2020 tot en met 5 januari 2021 een beroep hebben gedaan op de openbare kas en referente daarom in die periode niet voldeed aan de voorwaarden voor verblijf als economisch actieve danwel niet-actieve EU-burger. Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat er geen sprake is van rechtmatig duurzaam verblijf voor burgers van de Unie. Verweerder heeft daarbij ook kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiser valt onder één van de categorieën waarvoor de vereiste onafgebroken periode van vijf jaar niet geldt.


9.2.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder op goede gronden de aanvraag tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ heeft afgewezen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Hoorplicht
10. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, verweerder de bezwaren kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren en daarom op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb heeft kunnen afzien van het horen in bezwaar. Een hoorzitting zou immers niets veranderen aan het feit dat referente uit Nederland is vertrokken en eisers verblijfsrecht daarvan afhankelijk is.





Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond, omdat de bezwaarprocedure onzorgvuldig is verlopen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. Omdat eiser in beroep en ter zitting alsnog alles naar voren heeft kunnen brengen en verweerder op goede gronden het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan heeft beëindigd en de aanvraag tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ heeft afgewezen, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand te laten.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-.
13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de bestreden besluiten van 17 april 2025;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;


veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;


bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 388,- moet vergoeden.




De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.














griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.





Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).


Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.


1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.