Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21090

2026-07-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/09/684726
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/684726
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Telerscoöperatie in groenten en fruit heeft via de RVO Europese landbouwsubsidie ontvangen. De Europese Commissie heeft de subsidie teruggevorderd van RVO, omdat de telerscoöperatie niet aan de erkenningscriteria heeft voldaan. RVO stelt dat het aan een van de leden van de telerscoöperatie is te wijten dat niet aan de erkenningscriteria is voldaan. RVO vordert schadevergoeding van de betreffende vennootschap uit hoofde van onrechtmatige daad. De vordering wordt toegewezen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (89.663 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team Handel





Vonnis van 22 juli 2026




in de zaak van met zaaknummer C/09/684726 / HA ZA 25-393




DE STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, namens dit ministerie: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) te Den Haag,eisende partij,
advocaat: mr. J.H. van der Weide,



tegen





1 [gedaagde 1] B.V. te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,
advocaat: mr. J.M.A. Wintgens-van Luijn,





2 [gedaagde 2] te [woonplaats 1],

gedaagde partij,
advocaat: mr. P. Quist,





3 [gedaagde 3] te [woonplaats 2],

gedaagde partij,
advocaat: mr. P. Quist.



Eisende partij zal hierna worden aangeduid als RVO en gedaagde partij 1 als [gedaagde 1] . Gedaagden partijen 2 en 3 zullen worden aangeduid als [gedaagde 2 en 3] , en alle gedaagden partijen zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden]






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 februari 2025 met producties 1 tot en met 53;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] met producties 1 tot en met 45;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2 en 3] met producties 1 tot en met 60;
- het tussenvonnis van 10 december 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
- de akte overlegging producties en uitlating voeging van RVO, met producties 54 en 55;
- de akte overlegging producties van de RVO, met producties 56 t/m 73;
- de akte nadere uitlating van [gedaagde 1] van 13 mei 2026;
- de akte nadere uitlating van [gedaagde 2 en 3] van 13 mei 2026.



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[gedaagde 1] was tot recent een grote teler van tomaten. [gedaagde 1] handelde onder verschillende handelsnamen voor verschillende nevenactiviteiten, waaronder de handelsnaam [handelsnaam] waar het ging om de verpakking van tomaten.



2.2.

[gedaagde 2] was in de periode tot 1 januari 2013 bestuurder en één van de (middellijk) aandeelhouders van [gedaagde 1] . [gedaagde 3] was in de relevante periode tot 1 januari 2013 ook bestuurder van [gedaagde 1] en ook één van de (middellijk) aandeelhouders van [gedaagde 1] .



2.3.
De coöperatieve vereniging Telerscoöperatie FresQ U.A. (hierna: FresQ) was een coöperatie van telers van groenten en fruit. De leden van FresQ (ongeveer 150 in 2012) waren actief in de teelt van met name tomaten en paprika’s. Eén van de leden van FresQ was [gedaagde 1] .



2.4.

[gedaagde 2] was één van de bestuursleden van FresQ.



2.5.
De heer [naam 1] was algemeen directeur van FresQ in de relevante periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2013.



2.6.
Bij FresQ werden meerdere verkoopkanalen gebruikt voor de verkoop van de door de leden geteelde producten, waarbij de verkoop plaatsvond via zes zogeheten verkoopdochters. FresQ was van alle zes de verkoopdochters (in)direct enig aandeelhouder. Elke verkoopdochter had een eigen bestuur en verkoopmedewerkers in dienst. Eén van de verkoopdochters was Red Star B.V. Red Star B.V. verkocht in de periode tot 1 januari 2010 uitsluitend de tomaten die werden geteeld door [gedaagde 1] . Binnen FresQ werd Red Star B.V. daarom ook wel aangeduid als een éénmanssegment. Verkoopdochters die tomaten verkochten van meerdere telers werden ook wel aangeduid als meermanssegment.



2.7.
FresQ was tevens enig aandeelhouder van FresQ Holding B.V. die op haar beurt weer aandeelhouder en bestuurder was van negen dochtervennootschappen (de zogenaamde vastgoeddochters). De vastgoeddochters waren eigenaar van gebouwen en soms daarin geïnstalleerde machines die werden gebruikt voor opslag of verpakking van door de leden geteelde producten.



2.8.

[gedaagde 3] was tot 1 januari 2010 tevens bestuurder van Red Star B.V.



Relevante wetgeving





2.9.
Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (hierna: de GMO-Verordening) maakt het mogelijk voor landbouwondernemingen in verschillende sectoren, waaronder landbouwondernemingen in de sector groenten en fruit, om samen te werken door middel van zogenaamde producentenorganisaties. Aan producentenorganisaties kunnen op basis van de GMO-Verordening communautaire financiële steun worden toegekend (subsidie). Om voor subsidie in aanmerking te komen dient een producentenorganisatie onder meer te worden erkend. Een producentenorganisatie wordt erkend als deze aan de zogeheten erkenningscriteria voldoet (voor de relevante periode zijn deze nader uitgewerkt in titel III, hoofdstuk 1 van Uitvoeringsverordening 543/2011).



2.10.
In 1997 is (de rechtsvoorganger van) FresQ erkend als producentenorganisatie. De verkoopdochters van FresQ waren zelf geen erkende productenorganisaties, maar op grond van hun statuten namens FresQ belast met de verkoop van een deel van de opbrengst van telers. Een dergelijke werkwijze is in overeenstemming met de toepasselijke Europese wetgeving, op voorwaarde dat FresQ er op toeziet dat de verkoopdochters in lijn met de erkenningscriteria opereren.



2.11.
Artikel 114 van Verordening 543/2011 bepaalt dat de erkenning van een producentenorganisatie die opzettelijk of uit grove nalatigheid een ernstige inbreuk op de erkenningscriteria pleegt, door de lidstaten wordt ingetrokken. De intrekking werkt terug tot op het moment dat niet meer aan de erkenningscriteria wordt voldaan. De met terugwerkende kracht onverschuldigd betaalde subsidies dienen op grond van artikel 123 van dezelfde verordening met rente te worden terugbetaald aan het Europees Landbouwgarantiefonds.



2.12.
Op grond van artikel 58 van Verordening 1306/2013 is Nederland als lidstaat gehouden om zich maximaal in te spannen om de ten onrechte uitbetaalde subsidies terug te vorderen. Tussen de EU en Nederland vindt een jaarlijkse afrekening plaats. In het kader van die afrekening geldt als hoofdregel dat, in de verhouding tussen Nederland en de EU, eventuele schade uit hoofde van teruggevorderde, maar niet inbare subsidies, bij helfte tussen Nederland en de EU wordt gedeeld.



2.13.
In de relevante periode was de uitvoering van de integrale GMO-Verordening in Nederland opgedragen aan het Productschap Tuinbouw (hierna: het Productschap). Het Productschap was onder meer belast met, ter uitvoering van de GMO-Verordening, het vaststellen van regels en het houden van toezicht op de naleving van de vereisten door de producentenorganisaties. Per 1 januari 2014 zijn de taken van het Productschap overgegaan op de Staat. Het Productschap is ontbonden met ingang van 1 januari 2015. Op grond van artikel XXXVII, lid 1, van de Wet opheffing bedrijfslichamen, zijn alle vermogensbestanddelen van het Productschap overgegaan op de Staat. De Staat heeft de uitvoering van de GMO-Verordening ondergebracht bij RVO.



Raamovereenkomsten en projectovereenkomsten





2.14.

FresQ voerde ten behoeve van haar leden een operationeel programma uit en maakte daarbij aanspraak op subsidie. Het operationeel programma omvatte het maken van kosten onder andere ten behoeve van afvalscheiding en milieu en het doen van
investeringen in faciliteiten. De investeringen in faciliteiten omvatten investeringen in roerende en onroerende zaken op de locatie(s) van het lid of de leden.




2.15.
Ten aanzien van de kosten ten behoeve van afvalscheiding en milieu kwamen tussen FresQ en individuele leden steeds zogenaamde raamovereenkomsten tot stand. Deze raamovereenkomsten waren standaardovereenkomsten die er toe strekten om FresQ een overeenkomst met een derde te laten sluiten ten behoeve van een lid. De raamovereenkomsten kenden een systeem dat er in de kern op neerkwam dat FresQ bepaalde of en in hoeverre Europese steun voor de kosten werd aangevraagd. Slechts als Europese steun werd ontvangen, kwam deze ten goede aan het lid. Daarbij gold op grond van de raamovereenkomsten bovendien dat inhouding of terugvordering van Europese steun jegens FresQ voor rekening en risico kwamen van het lid, behalve “ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ”.



2.16.

Ten aanzien van de investeringen in faciliteiten kwamen zogenaamde projectovereenkomsten tot stand. Deze projectovereenkomsten werden gesloten tussen FresQ en een categorie van leden alsmede – indien het ging om een investering in onroerende zaken – een vastgoeddochter. De projectovereenkomsten bevatten algemene bepalingen en bepalingen omtrent de categorie. Voorts bevatten de projectovereenkomsten bepalingen op grond waarvan de faciliteit vervaardigd of gekocht werd door FresQ dan wel een vastgoeddochter van FresQ. In ieder geval na afloop van het operationeel programma kon de faciliteit vervreemd worden. De (leden van de) categorie had(den) een eerste recht van koop van de faciliteit tegen de waarde in het economisch verkeer. Als de koopoptie niet
werd uitgeoefend, mocht FresQ of de vastgoeddochter de faciliteit aan een derde
vervreemden.




2.17.

Ook bij de projectovereenkomst gold dat als geen subsidie werd verkregen voor een
faciliteit, dit voor rekening en risico kwam van de categorie. Ten aanzien van
inhouding of terugvordering van subsidie volgt uit de projectovereenkomsten dat dit voor rekening en risico komt van de categorie, behalve “ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ”. In het geval dat een vastgoeddochter bij het project betrokken was bevatte de projectovereenkomst ook een systeem op grond waarvan de vastgoeddochter in geval van een terugvordering jegens FresQ van subsidie gehouden is een corresponderend bedrag aan FresQ te betalen.




2.18.

De heer [naam 2] functioneerde binnen FresQ in de periode
van 2009 tot en met 2011 als afdelingshoofd Projecten, waaronder GMO-projecten.




Controle van de Europese Commissie





2.19.
In de periode van 24 tot en met 28 september 2007 heeft de Europese Commissie controles verricht bij Nederlandse telersverenigingen. Daarbij ging zij na of de in de jaren 2005, 2006 en 2007 gedane uitgaven in overeenstemming waren met de steunregelingen voor telersverenigingen. Op 15 en 16 november 2007 zijn door de Europese Commissie extra controles verricht bij FresQ en een aantal daarbij aangesloten leden. Na mededelingen van de resultaten aan Nederland en een bemiddelingsprocedure heeft de Commissie bij Uitvoeringsbesluit 2011/244/EU van 15 april 2011 door Nederland gedeclareerde uitgaven aan EU-financiering onttrokken voor een bedrag van € 22.691.407,79 voor onder meer de in de jaren 2006, 2007 en 2008 door telersvereniging FresQ in het kader van haar operationele programma’s gemaakte kosten.



2.20.
Nederland heeft tegen dit besluit van de Europese Commissie beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie. Bij arrest van 16 september 2013 heeft het Gerecht dit verworpen (Nederland/Commissie, T‑343/11, ECLI:EU:T:2013:468). Het Gerecht is onder meer tot de conclusie gekomen dat de verkoop van de producten door verkoopdochters die in handen zijn van FresQ, maar ten aanzien waarvan de Nederlandse regering niet heeft aangetoond dat zij onder het toezicht en de leiding van FresQ optreden, niet kan worden geacht in overeenstemming te zijn met het Unierecht, waarin is bepaald dat de telersvereniging zelf de stuwende kracht moet zijn bij de afzet van de producten van haar leden. Geen bewijs is geleverd dat sprake is van een telersvereniging in de zin van het Unierecht. Bij arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 november 2014 (Nederland/Commissie, C-610/13 P, ECLI:EU:C:2014:2349) is de door Nederland ingestelde hogere voorziening afgewezen.



2.21.
De controles door de Europese Commissie en de uitkomsten daarvan hebben het Productschap aanleiding gegeven FresQ onder verscherpt toezicht te plaatsen. In dat kader is FresQ door het Productschap erop gewezen dat zij op verschillende punten, onder meer op het punt van de prijsvaststelling door verkoopdochters, veranderingen diende door te voeren.



Plan van aanpak





2.22.
FresQ heeft onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om alsnog te voldoen aan de erkenningscriteria. Daarbij zijn met betrekking tot FresQ Red Star twee mogelijkheden onderzocht: (i) Red Star wordt onderdeel van een ander segment, te weten FresQ Rainbow Growers Group of (ii) verbreding van het FresQ Red Star segment door het toetreden van nieuwe leden. Op 1 oktober 2009 heeft het bestuur van FresQ met vijf stemmen voor (waaronder van [gedaagde 2] ), en drie stemmen tegen, gekozen voor de tweede mogelijkheid.



2.23.
Op 23 december 2009 heeft FresQ een plan van aanpak vastgesteld om te borgen dat in de toekomst wel aan de erkenningscriteria wordt voldaan (hierna: het Plan van Aanpak). In het Plan van Aanpak staat, voor zover relevant, het volgende:

- Management van de verkoopdochter:


 Het management en de organisatie van de verkoopdochter wordt aangepast:



1. De verkoopdochters worden aangestuurd door een verkoopleider/sales manager die centraal vanuit de coöperatie wordt aangestuurd.



2. De leiding van de FresQ verkoopdochters wordt opnieuw georganiseerd.


- Verduidelijken van de regiefunctie van FresQ:


 Middels een FresQ beleidsplan worden de verkoop- en marketingverantwoordelijkheden in de totale organisatie verduidelijkt. Hieruit zal een beleidsplan per verkoopdochters worden opgesteld.



 FresQ stelt een commercieel directeur aan die vanuit de coöperatie de centrale regie voert en verantwoordelijkheid draagt over de omzet en afzet van het product.



 De vaststelling van de dagelijkse verkoopprijs vindt plaatst bij de FresQ verkoopdochter onder leiding van de verkoopleider/salesmanager.



 De kaders waarbinnen de verkoopleider opereert worden door de commercieel directeur opgesteld.



Met betrekking tot het Red Star segment staat in het Plan van Aanpak dat het segment met ingang van 1 januari 2010 zal worden omgevormd tot een meermanssegment met vijf leden onder de naam FresQ Red Star.




2.24.
Het Productschap heeft het Plan van Aanpak beoordeeld en akkoord bevonden.



2.25.
Het Productschap heeft een extern onderzoeksbureau onderzoek laten doen naar de aangepaste organisatie van FresQ en de vraag of de in het Plan van Aanpak aangekondigde wijzingen correct zijn doorgevoerd. De conclusie van het rapport van 4 juni 2010 luidt dat FresQ “een goed functionerend en effectief systeem voor het vaststellen van aanbod en afzet, marktontwikkeling, democratische controle en telerscontrole heeft opgezet en onderhouden conform de eisen van Circulaire GMO erkenning GMO-014 2009 van 23 december 2009”.



De nieuwe organisatie van FresQ Red Star





2.26.

[gedaagde 3] is teruggetreden als enig statutair bestuurder van FresQ Red Star. Met ingang van 1 januari 2010 is [naam 3] tot enig statutair bestuurder benoemd.



2.27.
Met ingang van 1 januari 2010 zijn als nieuwe leden tot FresQ Red Star toegetreden de maatschap [maatschap 1] , [naam 4] , de maatschap [maatschap 2] en Red Growers Westland B.V.



2.28.
Met ingang van 25 oktober 2010 is tot FresQ Red Star toegetreden 3rd Generation B.V. en op enig moment in 2011 Fresunto B.V. De maatschap [maatschap 2] is uitgetreden per 1 januari 2012.



2.29.
Op 10 november 2010 is binnen FresQ Red Star Telersvereniging Exsento (hierna: Exsento) opgericht. Het doel van Exsento was het verenigen van alle telers die samen het verbrede Red Star segment zouden gaan vormen.



Nieuwe controle





2.30.
Op enig moment is het Productschap door een anonieme melder gewezen op een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 10 augustus 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5895). De procedure betrof een geschil tussen [naam 4] en FresQ Red Star. Uit de uitspraak komt het beeld naar voren dat [gedaagde 1] uitbetaalprijzen van de andere telers van het FresQ Red Star segment vaststelde of daar invloed op kon uitoefenen. De uitspraak van de voorzieningenrechter is voor het Productschap mede aanleiding geweest om aanvullend onderzoek te doen. Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het Productschap de erkenning van FresQ als producentenorganisatie geschorst met ingang van 28 augustus 2012 voor maximaal een jaar.



2.31.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft vervolgens op verzoek van het Productschap onderzoek verricht. De resultaten van het onderzoek door de NVWA zijn neergelegd in drie rapporten van respectievelijk 30 maart 2013, 20 juni 2013 en 21 juni 2013.



2.32.
Het Productschap heeft bij besluit van 23 augustus 2013 de erkenning van FresQ als producentenorganisatie met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 28 november 2014 ongegrond verklaard. Het Productschap heeft – kort samengevat – aan de intrekking ten grondslag gelegd dat FresQ ernstige inbreuk heeft gemaakt op:


(i) de voorwaarde dat FresQ de doelstelling moet nastreven om de productiekosten te optimaliseren en de productieprijzen te stabiliseren;



(ii) de eis van democratische controle, dat wordt voorkomen dat één of meer leden van FresQ misbruik maken van hun macht of invloed uitoefenen ten aanzien van het beheer en de werking van de producentenorganisatie;



(iii) de eis dat FresQ verantwoordelijk dient te blijven voor de uitvoering van de uitbestede activiteit, voor de algemene beheerscontrole en voor het toezicht op de voor de uitvoering van de uitbestede activiteit getroffen commerciële regeling.



Uit het besluit volgt verder dat de bovengenoemde inbreuken op de erkenningscriteria het gevolg zijn van grove nalatigheid van FresQ. Als gevolg van het besluit kan FresQ met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 geen aanspraak maken op financiële steun voor de uitvoering van een operationeel programma. In het besluit wordt geconstateerd dat reeds uitgekeerde bedragen die betrekking hebben op programma’s vanaf 2010 onverschuldigd zijn betaald en zullen worden teruggevorderd.




2.33.
FresQ heeft [gedaagde 1] bij brief van 15 maart 2013 en 14 februari 2014 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het handelen van [gedaagde 1] .



2.34.
Het Productschap heeft meerdere conservatoire beslagen gelegd ten laste van FresQ, onder meer onder Rabobank. Rond 30 december 2013 heeft Rabobank uit hoofde van de gelegde beslagen een bedrag van € 1.787.000 aan het Productschap betaald.



2.35.
Bij besluit van 28 november 2014 heeft het Productschap het bezwaar van FresQ ongegrond verklaard. FresQ heeft vervolgens beroep ingesteld.



2.36.
Bij uitspraak van 25 april 2017 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (hierna: CBb) het door FresQ ingestelde beroep verworpen. Het CBb heeft, voor zover relevant, geoordeeld als volgt:



4.3

De steun aan producentenorganisaties is onderdeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dat (volgens (thans) artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) onder andere ten doel heeft de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren en aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn. Zoals het Gerecht van de Europese Unie in het arrest van 16 september 2013 (zaak T-343/11) in de punten 119 en volgende heeft overwogen, heeft de hoofdactiviteit van een telersvereniging (thans producentenorganisatie) betrekking op de verkoop van de producten van de leden waarvoor zij erkend is. Daarbij houdt de verkoop van de productie in dat de producentenorganisatie de verkoopvoorwaarden en meer in het bijzonder de verkoopprijzen daadwerkelijk kan bepalen. Door het vereiste dat de volledige productie via de producentenorganisatie wordt verkocht, en door te bepalen dat die producentenorganisatie bepaalde essentiële taken moet vervullen, heeft de wettelijke regeling van de Unie de producentenorganisatie een belangrijke en bijzondere rol willen toekennen in het kader van de diverse verrichtingen die erop gericht zijn de betrokken producten op de markt te brengen. De financiële steun voor producentenorganisaties strekt ertoe aan de aanbodzijde de productie te bundelen en zodoende de positie van de telers op de markt te verbeteren. Het begrip “verkoop van de productie” in de zin van artikel 125bis, eerste lid, onder c, van Verordening 1234/2007, welke bepaling een met artikel 11, eerste lid, sub c, punt 3, van de ingetrokken Verordening 2200/96 vergelijkbare bepaling bevat, moet worden gedefinieerd als een akkoord over de zaak en de prijs. De producentenorganisatie dient de verkoopvoorwaarden te bepalen en met name de prijs vast te leggen waartegen de productie wordt verkocht (punt 151). De organisatie dient een effectieve controle over de prijzen uit te oefenen en te behouden. De mogelijkheid om taken aan derden te delegeren ontslaat de producentenorganisatie niet van haar verantwoordelijkheden. De producentenorganisatie moet derhalve voldoende controle houden over derden die belast zijn met essentiële activiteiten. Het gaat daarbij om de feitelijke werking van de producentenorganisatie (punten 123 en volgende). Uit het Unierecht volgt dat de telersvereniging zelf de stuwende kracht moet zijn bij de afzet van de producten van haar leden om daarmee de positie van de telers op de markt te verbeteren (punten 153 en 121).




4.4


Met het voorgaande is naar het oordeel van het College niet verenigbaar dat aangesloten telers onderling een akkoord over de prijs bereiken en (slechts) een van hen vervolgens profiteert van de verkoopprijs die de producentenorganisatie voor de producten weet te verkrijgen. Uit de onderzoeken van de NVWA blijkt genoegzaam dat dit bij FresQ wel het geval was. Door de overeenkomsten waarbij producentenprijzen werden afgesproken kwamen de inspanningen voor verkoopprijzen die boven de overeengekomen producentenprijs uitstegen immers niet ten goede aan de desbetreffende producenten, maar aan [naam 3] B.V. Dat het verschil tussen de verkoopprijzen en de producentenprijs volledig zou zijn verdeeld onder de leden is boekhoudkundig niet onderbouwd. De NVWA heeft op basis van de grootboekstukken uit de administratie van [naam 3] B.V. vastgesteld dat er in totaal over de jaren 2010, 2011 en 2012 een bedrag van € 2,8 miljoen aan surplus definitief is geboekt op de grootboekrekening van [naam 3] B.V.


(…) Voorts was het bestuur van FresQ (met uitzondering van [naam 4] ) niet op de hoogte van de overeenkomsten ten aanzien van de producentenprijzen en de aanvullende afspraken (zie nader 6.3 hierna).





4.5

Het College is op basis van het vorenstaande van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat door FresQ een ernstige inbreuk is gemaakt op het criterium voor erkenning als producentenorganisatie dat zij daadwerkelijk het doel nastreeft de productiekosten te optimaliseren en de producentenprijzen te stabiliseren (zie de onder 1.4, eerste gedachtestreepje, aangehaalde bepalingen). De stelling van FresQ dat er pas sprake is van een ernstige inbreuk op de erkenningscriteria die een intrekking kan rechtvaardigen als geen van de doelstellingen genoemd in artikel 122 van Verordening 1234/2007 wordt nagestreefd kan niet worden gevolgd, nu de tekst van artikel 114 van Verordening 543/2011 voor de juistheid van die stelling geen aanknopingspunt biedt. (…)




5.3

Verweerder heeft er naar het oordeel van het College terecht op gewezen dat niet enkel met statutaire bepalingen voldaan kan worden aan het vereiste dat geen van de leden misbruik kan maken van zijn macht of invloed kan uitoefenen ten aanzien van het beheer en de werking van een producentenorganisatie. De aangesloten producenten moeten feitelijk voldoende controle kunnen uitoefenen en zeggenschap kunnen hebben bij de besluiten die de producentenorganisatie neemt. Het College is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat hiervan geen sprake was. FresQ voerde zelf geen controle en was niet betrokken bij de vaststelling van de producentenprijzen en de aanvullende afspraken. Verweerder heeft er daarnaast terecht op gewezen dat door onder andere financieringsovereenkomsten controle en zeggenschap uitoefenen illusoir werd. Dat dergelijke overeenkomsten bestonden tussen [naam 3] B.V. en andere leden die hun producten verkochten via FresQ Red Star B.V. is voldoende gebleken. Dat mogelijk niet alle leden dergelijke overeenkomsten hadden afgesloten maakt niet dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin een lid misbruik maakte van zijn macht of invloed. Voorts is voldoende komen vast te staan dat [naam 3] B.V. heeft geprofiteerd van de overeenkomsten met de andere leden, door voor de door die andere leden geproduceerde producten een hogere prijs te ontvangen dan de andere leden zelf. FresQ heeft onvoldoende toezicht gehouden en regie gevoerd. Ook op dit punt is er naar het oordeel van het College sprake van een ernstige inbreuk op het criterium voor erkenning als producentenorganisatie dat wordt voorkomen dat één of meer leden van de producentenorganisatie misbruik maken van hun macht of invloed uitoefenen ten aanzien het beheer en de werking van de producentenorganisatie (zie de onder 1.4, tweede gedachtestreepje, aangehaalde bepalingen).




5.4

Het College is op basis van het vorenstaande van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 114 van Verordening 543/2011 verweerder terecht heeft geoordeeld dat voldoende gronden aanwezig waren om de erkenning van FresQ als producentenorganisatie in te trekken, mits de geconstateerde ernstige inbreuken het gevolg zijn geweest van grove nalatigheid dan wel opzet. Het College zal, gelet op het hierna overwogene met betrekking tot “grove nalatigheid”, de derde aan de intrekking ten grondslag gelegde intrekkingsgrond onbesproken laten. (…)




6.3

Het College is van oordeel dat verweerder FresQ terecht grove nalatigheid heeft verweten voor de ernstige inbreuken op de erkenningscriteria. Naar aanleiding van de controles door de Commissie is FresQ er, in ieder geval in 2009, uitdrukkelijk op gewezen dat er mogelijk sprake was van inbreuken op de erkenningscriteria in verband met onder meer de prijsvaststelling door de verkoopdochters. Het Productschap heeft verscherpt toezicht gehouden, maar had tot 2012 geen wetenschap van de actieve rol van [naam 4] bij het vaststellen van de producentenprijzen en de daarmee samenhangende afspraken over het toedelen van het surplus en het verdelen van het beschikbare GMO-budget. Er is door FresQ een onjuist en onvolledig beeld geschetst van de situatie en de door haar doorgevoerde aanpassingen. Met uitzondering van [naam 4] , die daarbij echter niet handelde in zijn hoedanigheid van bestuurslid van FresQ, waren de bestuursleden van FresQ, blijkens hun verklaringen, niet op de hoogte van de afspraken omtrent de vaststelling van de producentenprijzen bij FresQ Red Star B.V. en er is niet gebleken van enig toezicht hierop. Op grond van de verantwoordelijkheid die het bestuur had om op de hoofdtaak van de producentenorganisatie, de verkoop van de producten van de leden waarvoor zij erkend is, de regie te voeren en effectief controle uit te oefenen over de prijzen, had het bestuur op de hoogte moeten zijn van de overeenkomsten ten aanzien van de producentenprijzen en de aanvullende afspraken. Ondanks de door de Commissie geconstateerde inbreuken op de voorschriften en de constateringen van het Productschap heeft FresQ geen (toereikende) maatregelen getroffen.




2.37.
Bij besluit van 12 oktober 2015 heeft het Productschap de intrekking van de erkenning van FresQ vervroegd naar 1 juli 2009 en zijn de over de 3e en 4e kwartaal ontvangen subsidies van FresQ teruggevorderd.



2.38.
Bij beslissing op bezwaar van FresQ van 13 april 2017 is het bezwaar van FresQ tegen het vervroegingsbesluit van 12 oktober 2015 ongegrond verklaard. FresQ heeft ook tegen deze beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij het CBb. Bij uitspraak van 13 februari 2018 heeft het CBb dit beroep afgewezen.



Faillissement FresQ en verdere procedures





2.39.
Bij vonnis van 23 mei 2017 heeft de rechtbank Den Haag het faillissement van FresQ uitgesproken. Tot curator is benoemd mr. Bentfort van Valkenburg. Bij beschikking van 28 november 2024 is mr. Van de Wiel als medecurator aangesteld (hierna gezamenlijk: de Curatoren). RVO heeft in het faillissement een vordering ingediend van in totaal € 52.638.264,48. De Curatoren hebben deze vordering erkend. De vordering bestond in hoofdsom uit een bedrag van € 46.900.602,94 aan subsidie die door het verlies van erkenning van FresQ onverschuldigd is betaald. Indien rekening wordt gehouden met hetgeen reeds uit hoofde van het onder Rabobank gelegde conservatoir beslag is uitbetaald (zie rov. 2.34), resteert een bedrag van € 45.113.602,94 dat FresQ gehouden is aan ten onrechte verstrekte financiële steun terug te betalen, te vermeerderen met rente. De baten in het faillissement zijn onvoldoende om alle schuldeisers te voldoen. De Curatoren hebben [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement. De mondelinge behandeling in die procedure heeft gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure plaatsgevonden.



2.40.
Op 10 mei 2015 heeft RVO bij het Openbaar Ministerie aangifte gedaan. Het Openbaar Ministerie is vervolgens een strafrechtelijk onderzoek gestart waarin onder meer [gedaagde 1] en [gedaagde 2 en 3] als verdachten van valsheid in geschrifte (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) en oplichting (artikel 326 Sr) zijn aangemerkt. Het onderzoek heeft enkele jaren in beslag genomen. Het Openbaar Ministerie heeft uiteindelijk in 2024 een transactie aan [gedaagde 1] aangeboden, welke door [gedaagde 1] is aanvaard. Het strafrechtelijk onderzoek tegen [gedaagde 2 en 3] is via een beleidssepot geëindigd.



2.41.
Op 21 november 2024 heeft RVO meerdere beslagen gelegd ten laste van [gedaagde 1] en onder derden. Op 29 september 2025 is tussen [gedaagde 1] , RVO en de Curatoren een overeenkomst tot stand gekomen waaruit volgt dat, kort gezegd, de gelegde beslagen worden opgeheven tegen het stellen van zekerheid door [gedaagde 1] aan RVO en de Curatoren ten bedrage van de hoofdsom van € 45.113.602,94. [gedaagde 1] heeft deze zekerheid gesteld. In de overeenkomst is verder afgesproken dat RVO en de Curatoren zich pas op de gestelde zekerheid zullen kunnen verhalen indien zij beschikken over een toewijzende uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan en dat RVO en de Curatoren zich pas op andere vermogensbestanddelen van [gedaagde 1] mogen verhalen als de gestelde zekerheid ontoereikend is.



2.42.
Op enig moment heeft de Europese Commissie het standpunt ingenomen dat Nederland onvoldoende doet om de ten onrechte aan FresQ uitbetaalde subsidies terug te vorderen, en dat daarom moet worden afgeweken van de hoofdregel dat eventuele schade uit hoofde van teruggevorderde, maar niet inbare subsidies, 50/50 wordt gedeeld tussen de EU en het betrokken lidstaat (zie rov. 2.12). Volgens de Europese Commissie moet de schade in dit geval voor 100% worden gedragen door Nederland. Nederland kan zich niet met dit standpunt verenigen en heeft bij het Gerecht van de Europese Unie een procedure aanhangig gemaakt tegen de Europese Commissie. Het is onbekend wanneer in deze procedure een mondelinge behandeling gaat plaatsvinden.





3Het geschil


3.1.
RVO vordert de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot:



primair en subsidiair:

I. betaling van € 45.113.602,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 35.855.331,59 vanaf 25 september 2013 en te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 9.258.271,35 vanaf 12 oktober 2015;




meer subsidiair:

II. betaling van € 3.984.885, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 september 2013, en tot veroordeling van het profijt van [gedaagde 1] over de periode van 1
juli 2009 tot en met 31 december 2010 nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de rente daarover vanaf 12 oktober 2015;




en daarnaast in alle gevallen:

III. betaling van de proceskosten en de kosten van de gelegde beslagen, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente.






4De beoordeling


4.1.
RVO houdt [gedaagden] aansprakelijk voor schade die RVO heeft geleden wegens een oninbare vordering uit hoofde van teruggevorderde subsidies op FresQ. Tussen partijen is niet in geschil dat FresQ in de periode van medio 2009 tot eind 2012 voor een bedrag van ongeveer € 45 miljoen aan (Europese) GMO-subsidie heeft ontvangen, en dat om voor deze subsidies in aanmerking te komen, FresQ moest voldoen aan een aantal erkenningscriteria. Het erkenningscriterium waar het in deze procedure over gaat is het voeren van regie over de verkoop. Volgens RVO heeft [gedaagden] doelbewust in strijd met dit erkenningscriterium gehandeld door de regie over de verkoop feitelijk te behouden. De Europese Commissie heeft in 2007 reeds geoordeeld dat (de verkoopdochters van) FresQ onvoldoende regie voerde(n). [gedaagden] heeft hierna een schijnwerkelijkheid gecreëerd waarbij het op papier leek alsof FresQ Red Star, de verkoopdochter van FresQ, de regie in handen had gekregen, terwijl [gedaagden] feitelijk nog steeds de dienst uitmaakte. Alle betrokkenen die hebben samengewerkt om [gedaagde 1] feitelijk de regie te laten behouden en dit toe te dekken met een papieren schijnwerkelijkheid hebben volgens RVO als groep onrechtmatig jegens RVO gehandeld (artikel 6:162 jo. 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Volgens [gedaagden] is van het bewust handelen in strijd met de erkenningscriteria geen sprake. [gedaagde 1] heeft zich constructief opgesteld om aan de door de Commissie in 2007 gegeven uitleg van de erkenningscriteria te voldoen. Zij heeft aan haar eigen deskundigen gevraagd om te waarborgen dat zij (via FresQ Red Star) rechtmatig aanspraak kon maken op subsidie, en dit afgestemd met zowel FresQ als het Productschap. Dat achteraf is komen vast te staan dat FresQ Red Star niet de regie over de eigen verkoop voerde, was voor [gedaagden] niet te voorzien.



4.2.
De rechtbank zal in dit vonnis eerst beoordelen of RVO belang bij zijn vordering heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. De rechtbank zal vervolgens tot het oordeel komen dat [gedaagde 1] willens en wetens in strijd met de erkenningscriteria heeft gehandeld. [gedaagde 1] heeft daarmee onrechtmatig jegens RVO gehandeld. De rechtbank zal [gedaagde 1] veroordelen tot het betalen van de door RVO geleden schade, die gelijk is aan het bedrag aan subsidie dat vooralsnog niet door FresQ is terugbetaald. De rechtbank zal vervolgens tot het oordeel komen dat RVO onvoldoende gemotiveerd heeft toegelicht wat de individuele bijdrage van [gedaagde 2 en 3] is geweest. Om deze reden zal de vordering jegens [gedaagde 2 en 3] worden afgewezen.



RVO heeft voldoende belang bij de vorderingen





4.3.
De GMO-subsidies zijn een Europese subsidie. Tussen partijen is niet in geschil dat de subsidies waar het in deze zaak om gaat zijn toegekend en uitbetaald door het Productschap aan FresQ, en dat vervolgens via FresQ Red Star een gedeelte van de subsidie uiteindelijk ten goede is gekomen aan [gedaagde 1] . Tegen deze achtergrond heeft [gedaagden] zich op het standpunt gesteld dat RVO geen belang bij zijn vordering heeft. RVO heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat hij, en niet de EU, een vorderingsrecht heeft. Al zou Nederland een vorderingsrecht hebben, en de vordering tot terugbetaling van de uitbetaalde subsidie voor een deel oninbaar blijken te zijn, dan betekent dit nog niet dat de schade ook uiteindelijk door Nederland dient te worden gedragen.



4.4.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van het CBb van 13 februari 2018 volgt dat FresQ de subsidie moet terugbetalen aan het Productschap. De rechten en plichten van het Productschap zijn overgegaan op de Staat. RVO stelt zich op het standpunt dat [gedaagden] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat zij doelbewust de erkenningscriteria heeft overtreden, en het voorzienbaar was dat FresQ de subsidie niet zou kunnen terugbetalen. Uit het voorgaande volgt dat het vorderingsrecht bij (de rechtsvoorganger van) RVO berust. Dat de EU, in de relatie met Nederland, mogelijk op een later moment een gedeelte van de schade voor haar rekening zal nemen, maakt het voorgaande niet anders. Gesteld noch gebleken is dat de EU dit reeds heeft gedaan, zodat het RVO vrijstaat om in deze procedure vergoeding van het volledige bedrag aan schade te vorderen.




[gedaagde 1] heeft bewust in strijd met de erkenningscriteria gehandeld





4.5.
Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde 1] bewust in strijd met de erkenningscriteria heeft gehandeld is de navolgende achtergrond van belang. Ook uit de door RVO tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting volgt dat er bij het Productschap vóór 2007 onduidelijkheid bestond over de juiste uitleg van de voorwaarden voor een telersvereniging om in aanmerking te komen voor GMO-subsidies. Uit de door de Europese Commissie in 2007 verrichte audit volgde onder meer dat FresQ niet de juiste mate van regie voerde. Dit probleem speelde met name bij de eenmanssegmenten van FresQ. Volgens de Europese Commissie konden in deze segmenten de verkoopdochters niet worden aangemerkt als een onafhankelijke structuur, omdat de leden hun eigen identiteit behielden en hun eigen afzet regelden. De audit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de Europese Commissie voor een bedrag van € 22,6 miljoen aan financiering heeft uitgesloten. RVO heeft, mede gelet op de rol van het Productschap, er voor gekozen om die schade voor eigen rekening te nemen, en de reeds uitbetaalde subsidie niet van FresQ terug te vorderen. De audit van de Europese Commissie is verder aanleiding voor het Productschap geweest om FresQ onder verscherpt toezicht te stellen. FresQ heeft vervolgens in overleg met het Productschap het Plan van Aanpak opgesteld om te waarborgen dat zij in de toekomst wel aan de erkenningscriteria zou voldoen. In het Plan van Aanpak staat onder meer dat (i) de verkoopdochters worden geleid door een verkoopleider/directeur; (ii) de commercieel directeur de verkoopleiders/directeuren van de FresQ verkoopdochters aanstuurt en; (iii) het Red Star segment zou worden omgevormd tot een meermanssegment met vijf leden, onder de naam FresQ Red Star.



4.6.
In deze procedure is niet in geschil dat het voor het Productschap, FresQ en de leden van de individuele segmenten duidelijk was dat, om in aanmerking te komen voor de GMO-subsidies, het noodzakelijk was dat FresQ (althans haar verkoopdochters) de regie over de afzet voerde. Partijen zijn het er verder over eens dat, indien het Plan van Aanpak volledig en juist zou zijn uitgevoerd, FresQ aan de erkenningscriteria zou hebben voldaan. Evenmin is tussen partijen in geschil dat [gedaagden] in haar netwerk op zoek is gegaan naar nieuwe leden om het Red Star segment te verbreden tot een meermanssegment. De vier nieuwe leden hebben allen een inkoopovereenkomst ondertekend met FresQ Red Star en [gedaagde 1] (als verpakker). Uit deze inkoopovereenkomsten volgt dat FresQ Red Star de producten van het individuele lid na verpakking door [gedaagde 1] zou doorverkopen. Daartoe zou, in overleg met tussen FresQ Red Star en alle leden, een verkoopplan worden opgesteld. Verder is de telersverenging Exsento opgericht, die het de leden mogelijk maakte gebruik te maken van elkaars kennis en koopkracht. RVO heeft in deze procedure bevestigd dat met de inkoopovereenkomsten en de oprichting van Exsento in beginsel is voldaan aan de vereisten van centrale afzet en onderlinge samenwerking. Waar het in deze procedure om gaat is dat volgens RVO alleen maar een papieren werkelijkheid is gecreëerd. [gedaagde 1] heeft in de praktijk de regie over de eigen afzet behouden. Daartoe heeft [gedaagde 1] er voor gezorgd dat de nieuwe leden van het segment volledig afhankelijk van haar waren en dat de nieuwe commercieel directeur van FresQ feitelijk verantwoording aan [gedaagde 1] verschuldigd was. De rechtbank is om de navolgende redenen van oordeel dat [gedaagde 1] inderdaad de regie over de eigen afzet heeft behouden en dat van een onafhankelijk opererende verkoopdochter geen sprake was.




[gedaagde 1] had volledige controle over de nieuwe leden





4.7.
Volgens RVO is het eenmanssegment Red Star in de praktijk niet omgevormd tot een meermanssegment. De aanvankelijke nieuwe leden exploiteerden feitelijk een tuin voor rekening en risico van [gedaagde 1] . Van onafhankelijke telers was geen sprake.



4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat, gelijktijdig met de inkoopovereenkomsten, tussen de nieuwe leden en [gedaagde 1] overeenkomsten zijn gesloten met aanvullende afspraken (hierna: de Aanvullende Afspraken). Bij de Aanvullende Afspraken is FresQ Red Star geen partij. Uit de Aanvullende Afspraken volgt onder meer dat (i) de nieuwe leden met [gedaagde 1] een vaste uitbetaalprijs zijn overeengekomen, (ii) [gedaagde 1] het positieve of negatieve verschil tussen de overeengekomen vaste uitbetaalprijs en de daadwerkelijke door FresQ Red Star gerealiseerde externe verkoopprijs ontvangt, (iii) de minimale uitbetaalprijs toereikend dient te zijn, en dat deze naar boven kan worden bijgesteld als de prijs niet kostendekkend is, en naar beneden kan worden bijgesteld indien de minimale uitbetaalprijs te hoog is in relatie tot de daadwerkelijke kosten en (iv) dat [gedaagde 1] bereid is tot financiering van de teelt. Met het oog op de financiering van de teelt hebben de nieuwe leden en [gedaagde 1] teeltfinancieringsovereenkomsten gesloten.



4.9.
De Aanvullende Afspraken komen er naar het oordeel van de rechtbank feitelijk op neer dat de nieuwe leden tomaten zullen gaan telen voor rekening en risico van [gedaagde 1] . Dat dit ook de bedoeling van de Aanvullende Afspraken was volgt uit de e-mailwisseling tussen onder meer [naam 4] en [gedaagde 2] van 9 november 2009 waarin over de te maken afspraken met betrekking tot Red Growers Westland B.V. (hierna: RGW) werd onderhandeld. De e-mail is geschreven door [naam 5] , een externe adviseur van [gedaagde 1] , de onderstreepte zinnen zijn aanvullingen van [naam 4] (in het origineel in het rood):


“[gedaagde 2] , [naam 4] ,




Na de bespreking vandaag vat ik de gemaakte afspraken als volgt samen:




1. Tuin Oud Camp gaat geëxploiteerd worden in Red Growers Westland BV. Aandelen en directie bij [naam 6] .


2.
In beginsel is de r
ichtprijs
voor de
uitbetaling van Red Star naar deze BV 1,23 op basis van 32 kilo verkocht product klasse 1, gebaseerd op uitgewerkte begroting (versie d.d. 9 november 2009, zie bijlage)


3. Indien werkelijke kosten boven deze richtprijs uitkomen, zal de uitbetaalprijs worden verhoogd tot het werkelijke bedrag van de totale kostprijs.
(de kostprijs is inclusief fee [naam 4] en [naam 6] . )


4. Indien gerealiseerde verkoopopbrengst KAAL
???
product binnen Red Star BV v.w.b. deze locatie hoger ligt dan de werkelijke kosten, dan is de eerste € 2 per m2 voor [gedaagde 1] voor de door hen gemaakte kosten, restant 1/3 van het overschot voor voormelde BV en 2/3 voor [gedaagde 1] . Daarbij dient tevens in acht te worden genomen een eventueel verlies dat in Engeland wordt geleden als TEM het desbetreffende product heeft ingekocht.
E.e.a. genoegzaam onderbouwd.


5. [naam 4] begeleidt teelt te Lisse kostenloos. Nadere afspraken te maken over teeltvoorlichting


6.
Het
doorbelast
en
voor
de
kosten van € 45.000 fee voor [naam 4] / [naam 6] en het doorbelasten van het salaris van [naam 7] ,
of een andere bedrijfsleider
zitten in de begroting en in de kostprijs.
Alle overige kosten betrekking hebben op het bedrijf aan de [straatnaam] zullen doorbelast worden aan de BV. ( [naam 8] en [gedaagde 2] dit lijkt mij logisch, en probeer niet te pingellen)


7. Teeltfinanciering te regelen via RABO, indien niet of gedeeltelijk realiseerbaar, maximale teeltkrediet via [gedaagde 1] tegen 7% van € 100.000.
Blijkt momenteel zeer moeilijk realiseerbaar.


Concrete afspraken over



- alle verplichtingen groter dan 5.000 na overleg, anders geen onderdeel nacalculatie


- geen personeel op deze BV, dan wel met korte contracten


- contracten niet langer dan de duur van de teelt, contracten met minimale afname zoveel mogelijk beperken


elke maand / 4 wkn rapporteren en verschillen verklaren + recht op cont1C


- Red Star voerd de boekhouding uit, e.e.a. in overleg met de BV
”




4.10.
In dezelfde e-mailwisseling wordt geconstateerd dat [naam 6] , de beoogde directeur van RGW, geen risico wil: “hij exploiteert de tuin voor jullie rekening en risico”. Volgens [gedaagden] droegen de nieuwe leden wel degelijk een economisch risico, omdat het risico op een goede of slechte oogst voor rekening van de leden kwam, maar de rechtbank gaat daar niet in mee. Uit de Aanvullende Afspraken volgt immers dat de vaste prijzen kostendekkend moeten zijn, en dat de vaste prijzen achteraf nog kunnen worden herzien, zodat de rechtbank er van uitgaat dat ook bij een slecht tomatenjaar alle vaste lasten kunnen worden terugverdiend. Tussen partijen is verder niet in geschil dat 2010 een slecht tomatenjaar was. Aan de nieuwe leden is toen compensatie betaald, zodat het risico van een goede of slechte oogst dus ook feitelijk niet door de nieuwe leden is gedragen. [gedaagden] stelt verder dat FresQ tot deze compensatie heeft besloten, maar de rechtbank leidt uit de door [gedaagde 3] op 29 december 2010 aan [naam 4] en [naam 6] verzonden e-mail af dat de beslissing om compensatie uit te betalen is genomen door [gedaagde 1] (onderstrepingen zijn van de rechtbank):


“Laat ik wel duidelijk stellen dat wat we doen niet hoef als we het contract zouden volgen

Maar jullie en [naam 9] hebben er veel aan gedaan om een goed resultaat neer te zetten


Dus na alles goed te hebben afgewogen


Hebben wij besloten om een eenmalige uitkering boven op het bestaande contract
van


711.218 kg x 4.8 ct per kg =34.138,46


Ik beschouw naar jou toe dat ik het netjes hebt gedaan
. Die 34.138,46 gaan we morgen proberen te storten via Fresq


Dan moet je mij melden hoeveel je direct terug stort dus zoveel mogelijk maar niet precies dit bedrag


Mag ook meer zijn meld mij dit even hoor morgen of het ook echt gestort wordt”



Dat [gedaagde 3] vervolgens kennelijk ook kon bepalen dat de compensatie zou worden uitgekeerd via FresQ, en dat de compensatie direct weer moest worden afgedragen aan [gedaagde 1] , als aflossing op de schuld uit hoofde van de teeltfinancieringsovereenkomst, draagt alleen maar bij aan de overtuiging van de rechtbank dat de nieuwe leden als verlengstuk van [gedaagde 1] fungeerden.




4.11.
Ook uit de wijze waarop de vaste uitbetaalprijzen werden vastgesteld volgt dat van een gelijkwaardige samenwerking tussen [gedaagde 1] en de nieuwe leden geen sprake was. RVO heeft in dit verband gewezen op de verklaringen die [naam 4] en [naam 9] in het kader van het onderzoek van de NVWA hebben afgelegd. Uit deze verklaringen volgt, kort gezegd, dat de vaste uitbetaalprijzen neerkwamen op een dictaat van de zijde van [gedaagde 1] . Volgens [gedaagden] kloppen ook deze verklaringen niet. [gedaagden] heeft in dit verband gewezen op de in het kader van het onderzoek van de NVWA door [naam 3] afgelegde verklaring. Uit deze verklaring volgt dat [naam 3] , als directeur van FresQ Red Star, de uitbetaalprijzen heeft vastgesteld op basis van een marktanalyse en kostprijsgegevens, maar de rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Gesteld noch gebleken is dat [naam 3] bij het maken van de Aanvullende Afspraken betrokken was, terwijl daar wel al afspraken over de vaste uitbetaalprijzen zijn gemaakt. Daarnaast heeft RVO gewezen op een tweetal e-mails waaruit volgt dat de vaste uitbetaalprijs inderdaad werd vastgesteld door [gedaagde 1] . De eerste betreft een e-mail van [gedaagde 2] waaruit volgt dat het nieuwe tarief voor week 47 € 1,50 bedraagt en voor week 48 € 1,60. Volgens [gedaagden] is in het strafdossier niet zichtbaar wanneer deze e-mail is verstuurd en aan wie, maar uit het strafdossier kan wel degelijk worden afgeleid dat deze e-mail op 4 december 2010 is verstuurd aan onder meer [naam 4] en [naam 6] (DOC 2604). Voor de veronderstelling dat deze e-mail op iets anders ziet dan de vaste uitbetaalprijzen bestaat geen enkel aanknopingspunt, en een dergelijke alternatieve verklaring is ook niet door [gedaagden] aangedragen. RVO heeft verder gewezen op de e-mail van 10 oktober van 2011 van [naam 10] (Financial Controller, [gedaagde 1] ) aan [naam 3] :



Wil je het kg-tarief van Red Growers Westland verhogen met € 0,60 per kg. Ingangsdatum: verkopen week 40 (dus verrekening van vandaag d.d. 10-1-2011).


Dit zal tot einde teelt gelden, met eventuele aanpassing in de laatste twee weken.



Volgens [gedaagden] betreft het een verzoek aan [naam 3] om de vaste uitbetaalprijs van een teler te verhogen. Dat deze e-mail is verstuurd door [naam 10] kan worden verklaard dat hij de teelfinancieringen beheerde. De rechtbank leidt uit de formulering van de e-mail af dat van een vrijblijvend verzoek geen sprake is, onder meer omdat door [gedaagde 1] wordt bepaald voor welke periode het nieuwe tarief zal gelden. Dat [naam 10] kennelijk beleefdheidshalve de woorden “wil je” heeft gebruikt, maakt niet dat sprake is van een verzoek dat [naam 3] naast zich neer kon leggen. Dat [naam 10] als financial controller de teeltfinancieringen beheerde biedt verder geen toereikende verklaring voor zijn bemoeienis met de vaste uitbetaalprijzen, en neemt niet weg dat de vaste uitbetaalprijzen in dit geval eenzijdig door [gedaagde 1] zijn bepaald. [gedaagden] hebben in het licht van het voorgaande onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de vaste uitbetaalprijzen eenzijdig door [gedaagde 1] werden vastgesteld.




4.12.

Verder van belang is dat [naam 4] op 14 december 2012 aan het Productschap
een e-mail heeft gestuurd. Uit deze e-mail volgt dat in ieder geval één van de nieuwe telers is opgericht als schijnvertoning om aan het vereiste te voldoen dat een telersvereniging moet bestaan uit ten minste vijf leden en dat [gedaagde 1] de nieuwe leden in een financiële houdgreep had:



“ telersvereniging Extenso is door [gedaagde 1] enkel opgericht om dit een vereiste was van FresQ in het najaar van 2009. [gedaagde 1] diende een telersvereniging te vormen met tenminste 5 leden. In dit najaar van 2009 wist [gedaagde 1] 3 telers aan zich te binden en zodoende was het aantal van 5 leden niet bereikt. Om dit aantal alsnog te kunnen bereiken is als schijnvertoning RGW (Red Growers Westland B.V., rechtbank) opgericht. De tenaamstelling van dit bedrijf kwam te staan op naam van de bedrijfsleider van [naam 4] ( [naam 4] , rechtbank). In opdracht van [gedaagde 1] heeft [naam 4] dit gehele bedrijf moeten leiden uit naam van [bedrijfsnaam] . De directeur van RGW heeft het reilen en zeilen van zijn bedrijf geheel aan [naam 4] over gelaten. Het functioneren van telersvereniging Exsento was belabberd. De leden van Extenso moesten in deze bijeenkomsten hun verantwoording aangaande de teelt aflegen aan [gedaagde 1] . Vanuit [gedaagde 1] was er weinig inbreng op deze bijeenkomsten. De bijeenkomsten waren een voor de leden een schijnvertoning omdat deze vanuit FresQ opgedragen waren. Een bestuursvergadering of een algemene ledenvergadering is er nooit geweest, ondanks het veelvuldig verzoek van [naam 4] hiertoe. [naam 4] moest van [gedaagde 1] zijn werk doen en verder zijn mond houden. Er heerste een sfeer van dictatuur door [gedaagde 1] , de leden waren bang van [gedaagde 1] , ook omdat [gedaagde 1] de leden in een financiële houdgreep had en bleef houden. [gedaagde 1] bepaalde immers de inkomens van de leden.”




4.13.
Volgens [gedaagden] kan aan de hierboven aangehaalde e-mail van [naam 4] geen waarde worden gehecht. [naam 4] is in de loop van 2012 in persoonlijk conflict met [gedaagde 1] geraakt en is toen [gedaagden] de schuld gaan geven van de financiële problemen van zijn bedrijf. De rechtbank acht het aangehaalde citaat uit de e-mail van [naam 4] echter voldoende geloofwaardig, omdat het door [naam 4] geschetste beeld dat RGW fungeerde als stroman voor [gedaagde 1] door de inhoud van de e-mails van 9 november 2009 wordt bevestigd (zie rov. 4.9) en het beeld dat [gedaagde 1] de nieuwe leden in een financiële houdgreep had wordt bevestigd door de inhoud van de Aanvullende Afspraken en hetgeen de rechtbank in rov. 4.10 en 4.11 heeft overwogen.



4.14.
Op 15 oktober 2010 is 3rd Generation B.V. toegetreden tot het segment, gevolgd door Fresunto B.V. in 2011. Tussen partijen is niet in geschil dat 3rd Generation wordt geëxploiteerd door kleinkinderen van [gedaagde 2 en 3] . Evenmin is in geschil dat [gedaagde 1] een 50% belang heeft in Fresunto. RVO heeft mede in dit licht gesteld dat de toetreding van 3rd Generation en Fresunto niet teweeg heeft gebracht dat [gedaagde 1] geen macht meer had over de andere leden. Nu [gedaagde 1] dit niet nader heeft weersproken, zal ook de rechtbank dit tot uitgangspunt nemen.




[naam 3] fungeerde als ondergeschikte van [gedaagde 1]





4.15.
Volgens RVO heeft [gedaagde 1] ook na 2010 de volledige controle over FresQ Red Star behouden. [gedaagde 3] is aan het einde van 2009 teruggetreden als enig statutair bestuurder van FresQ Red Star. Met ingang van 1 januari 2010 is [naam 3] benoemd tot enig statutair bestuurder van FresQ Red Star. Volgens RVO is in dit verband sprake van een schijnconstructie, omdat [naam 3] niet werd aangestuurd door de commercieel directeur van FresQ, maar feitelijk nog steeds verantwoording verschuldigd was aan [gedaagde 1] . RVO heeft er in dit verband op gewezen dat [naam 3] vóór 1 januari 2010 in dienst was bij [gedaagde 1] , en daarmee nauwe banden had met [gedaagde 1] . Hij was ook na 2010 nog altijd aanwezig bij het managementoverleg van [gedaagde 1] . Op een organogram van [gedaagde 1] van 1 mei 2012 staat [naam 3] verder nog steeds weergegeven als een ondergeschikte van [gedaagde 2] . Tussen [gedaagde 1] en [naam 3] lijkt verder een resultaatsafhankelijke beloning overeen te zijn gekomen. RVO heeft daarbij gewezen op een niet volledig ingevulde – en niet-ondertekende – overeenkomst tussen [gedaagde 1] en [naam 3] . Volgens [gedaagde 1] kunnen de aangehaalde documenten de verregaande conclusie van RVO niet dragen. Het organogram met daarop de datum 1 mei 2012 is waarschijnlijk gebaseerd op een eerder organogram, en bij de wijziging daarvan zal abusievelijk zijn nagelaten om de positie van [naam 3] te wijzigen. Het document met resultaatsafhankelijke afspraken uit 2012 is nooit ondertekend. Het valt niet meer met zekerheid te zeggen op welke wijze dit document tot stand is gekomen, maar mogelijk is een oude beloningsafspraak in 2012 als model gebruikt om een beloningsafspraak met een andere medewerker te maken. [gedaagde 1] betwist dat vanaf de benoeming van [naam 3] tot statutair directeur van FresQ Red Star tussen [naam 3] en [gedaagde 1] enige aanvullende (belonings)afspraak heeft bestaan. [gedaagde 1] heeft er verder op gewezen dat uit de door [naam 1] bij de NVWA afgeleide verklaring volgt dat hij [naam 3] als statutair bestuurder van FresQ Red Star heeft voorgedragen “vanwege zijn ervaring en competenties”.



4.16.
De rechtbank overweegt dat uit de e-mail van 23 november 2009 van [naam 11] ( [gedaagde 1] ) aan [naam 5] volgt dat het initiatief voor de benoeming van [naam 3] tot statutair bestuurder van FresQ Red Star is uitgegaan. Voor zover [gedaagde 1] zich op het standpunt stelt dat het initiatief voor de benoeming van [naam 3] is uitgegaan van [naam 1] , blijkt uit de e-mail van 23 november 2009 dus het tegenovergestelde. De rechtbank kent daarom geen gewicht toe aan de verklaring van [naam 1] op dit punt. [gedaagde 1] heeft verder voor het organogram en de conceptbeloningsafspraken geen toereikende verklaring kunnen geven, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Dat zowel het organogram als de conceptbeloningsafspraken op een vergissing berusten ligt immers niet voor de hand. Hierbij is ook van belang dat [naam 3] aanwezig is geweest bij de kwartaalvergadering van [gedaagde 1] van 20 april 2010. Reeds zijn aanwezigheid bij de vergadering wijst er op dat [naam 3] feitelijk nog steeds als medewerker van [gedaagde 1] werd gezien. Uit het verslag volgt verder dat het navolgende aan de orde is gekomen:



“We hebben een bewogen start van 2010 achter de rug. We stonden voor de uitdaging om onze eigen identiteit te mogen behouden: De Red Star BV. Die missie is geslaagd: We hebben nog altijd ons eigen verkooporgaan, gestalte gegeven door [naam 3] , [naam 12] , [naam 13] en [naam 14] . Onlangs aangevuld met de internationale verkoper [naam 15] .





(…)





Jullie hebben allen resultaatafspraken gemaakt met jullie leidinggevende. Waar gaat het om, we willen van een organisatie die vanuit macht wordt gestuurd , naar een organisatie die vanuit kracht wordt geleid.


Dit houdt in dat niet meer 1 man bepaalt maar een team van leidinggevenden gaan leiden.


De resultaat afspraken hebben als doel om alle afdelingen zelf verantwoordelijk te maken voor hun resultaat. Hier dient nog een grote omslag plaats te vinden op diverse afdelingen.


We hebben in principe drie schepen met drie kapiteins aan het roer, hieronder staat èèn team van mensen die het beoogde resultaat voor dat schip dienen te behalen:


Samen èèn en dezelfde koers gaan varen, met, voor en door elkaar!


De drie kapiteins zijn [naam 16] , verantwoordelijk voor het resultaat van de telers, [naam 17] verantwoordelijk voor het resultaat van de verpakhal en [naam 3] , verantwoordelijk voor het resultaat van de verkoop.


We hebben maar 1 product: onze tomaat.”




4.17.
De rechtbank kan het verslag van de kwartaalvergadering niet anders begrijpen dan dat bij [gedaagde 1] de overtuiging bestond dat, ook na doorvoering van het Plan van Aanpak, ( [naam 3] ) [naam 3] werd beschouwd als leidinggevende van de verkoopafdeling van [gedaagde 1] . [naam 3] wordt immers gepresenteerd als leidinggevende, die als “kapitein aan het roer” werd geacht om de koers van [gedaagde 1] te varen. Volgens [gedaagden] wordt in de kwartaalafspraken gerefereerd aan de zogeheten ketensamenwerking, waarbij het belangrijk is dat de verschillende pijlers binnen het productieproces (teeltproductie, verkoop en verpakking) goed met elkaar samenwerken, maar deze uitleg ligt niet voor de hand. In de notulen staat immers “we hebben in principe drie schepen” terwijl het springende punt nu juist is dat de verkoop is belegd bij FresQ Red Star, en de verkoop in die zin dus geen “schip” van [gedaagde 1] meer is. Als in de kwartaalvergadering slechts naar de onderlinge samenwerking binnen de pijlers zou zijn verwezen valt het zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet te begrijpen waarom de andere leden van Exsento niet in dit overleg zijn betrokken. De kapiteins dienen blijkens de notulen immers in onderling overleg de koers te bepalen, hetgeen niet past in een samenwerkingsverband waarbij tomaten ook door andere leden worden geteeld. Verder wijst het kwartaalverslag er ook op dat er wel degelijk prestatieafhankelijke beloningsafspraken met [naam 3] zijn gemaakt, en dat [naam 3] kennelijk ook nog steeds een leidinggevende binnen [gedaagde 1] had met wie over de beloningsafspraak is gesproken. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde 1] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [naam 3] feitelijk nog altijd door [gedaagde 1] werd aangestuurd.



Het intrekken van de erkenning was voorzienbaar





4.18.
Uit het voorgaande volgt dat het Plan van Aanpak niet juist is geïmplementeerd. De nieuwe leden fungeerden niet als zelfstandige nieuwe telers, maar exploiteerden tuinen voor rekening en risico van [gedaagde 1] . FresQ Red Star voerde niet de regie over de eigen afzet, maar [naam 3] was ondergeschikt aan [gedaagde 1] . Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde 1] wist dat om aanspraak te kunnen maken op GMO-subsidie (i) FresQ Red Star moest worden aangestuurd door een eigen directeur (in dit geval: [naam 3] ); (ii) [naam 3] op zijn beurt diende te worden aangestuurd door de commercieel directeur van FresQ en; (iii) het Red Star segment per 1 januari 2010 diende te bestaan uit ten minste vijf leden, staat daarmee reeds vast dat [gedaagde 1] inbreuk heeft gemaakt op de erkenningscriteria en daarmee heeft bewerkstelligd dat de inbreuk van FresQ op de erkenningscriteria zou blijven voortbestaan. [gedaagde 1] wist eveneens, gelet op de uitkomst van de eerdere audit van de Europese Commissie, dat het gevolg hiervan zou zijn dat ten aanzien van lidstaat Nederland een groot bedrag aan financiering zou worden uitgesloten. In het licht van deze omstandigheden heeft [gedaagde 1] door, kort gezegd, de regie over de afzet te behouden, onrechtmatig gehandeld jegens RVO.



4.19.

[gedaagde 1] heeft nog aangevoerd dat zij te goeder trouw uitvoering aan het Plan van Aanpak heeft willen geven, en dat de nieuwe structuur van het Red Star segment volledig is afgestemd met zowel het Productschap als met FresQ, maar de rechtbank verwerpt dit betoog. Het is juist dat het Productschap het Plan van Aanpak heeft beoordeeld en geaccordeerd, en dat namens haar is onderzocht of het Plan van Aanpak correct is doorgevoerd, maar uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat [gedaagde 1] een schijnwerkelijkheid heeft gecreëerd. Nu het Productschap een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven, kan [gedaagde 1] zich niet op de goedkeuring van het Plan van Aanpak beroepen. De rechtbank verwerpt eveneens het standpunt dat FresQ volledig op de hoogte was van het feitelijk functioneren van FresQ Red Star. In de bestuursvergadering van 11 november 2009 van FresQ heeft [gedaagde 2] immers nadrukkelijk bevestigd dat “de vier nieuwe leden zullen voldoen aan de gestelde maatstaven” en in de bestuursvergadering van 10 december 2009, op verzoek van een medebestuurslid, nog eens dat “de nieuwe leden elk een eigen productiebedrijf en een eigen identiteit hebben, en op geen enkele manier anderszins onderling zijn verbonden.” [gedaagde 1] heeft, in de persoon van [gedaagde 2] , de daadwerkelijke onderlinge banden tussen [gedaagde 1] en de nieuwe leden dus voor het bestuur van FresQ verborgen gehouden. [gedaagde 1] kan zich in deze omstandigheden er niet op beroepen dat zij meende, en mocht menen, dat zij zich aan de regels hield.



4.20.
Aan [gedaagde 1] kan worden toegegeven dat het er op lijkt dat [naam 2] , die binnen FresQ leiding gaf aan de GMO-afdeling, en [naam 1] , de algemeen directeur van FresQ, door [gedaagde 1] op de hoogte zijn gesteld van bepaalde elementen van de nieuwe structuur, zonder dat zij kennelijk noodzaak hebben gezien om in te grijpen. Allereerst volgt uit het verslag van de bespreking van 16 februari 2010 tussen onder meer [naam 2] , [naam 1] en [naam 5] dat zij er van op de hoogte waren dat binnen FresQ Red Star werd gewerkt met een vaste uitbetaalprijs, en dat deze afspraak de strekking heeft dat de winst en het verlies op het verkochte product ten opzichte van de uitbetaalprijs voor rekening van [gedaagde 1] komt. Uit het gespreksverslag kan echter niet worden afgeleid dat [naam 2] en [naam 1] er van op de hoogte waren op welke wijze de vaste uitbetaalprijzen in de praktijk werden vastgesteld. Nu het bestaan van vaste prijzen op zichzelf genomen niet in strijd met de erkenningscriteria behoeft te zijn, volgt uit het gespreksverslag dan ook niet dat [naam 2] en [naam 1] wetenschap hadden van het ongeoorloofde karakter van de afspraken. Daarnaast lijkt de e-mail van 5 november 2011 van Rob Bal (CFO [gedaagde 1] ) aan onder meer [gedaagde 2 en 3] met als onderwerp “GEHEIM: Fresunto” te suggereren dat [naam 2] wist dat [gedaagde 1] een belang van 50% had in Fresunto, en dat dit niet breder binnen FresQ bekend mocht worden.


“Zojuist telefonisch contact gehad met de notaris en met [naam 2] van FresQ over de validiteit van [gedaagde 1] B.V. als aandeelhouder van Fresunto B.V.:



1. Fresunto B.V. wordt straks een nieuw en onafhankelijk lid van FresQ en Exsento. Het stemrecht (invloed) zit bij de enig bestuurder [naam 18]


2. Op dit moment staat in het handelsregister Fresunto B.V. i.o. met twee functionarissen [functionaris 1] Holding en [functionaris 2] B.V. Binnen enkele dagen wordt de i.o. status omgezet in een definitieve B.V. status waardoor de functionarissen verdwijnen en vervangen worden door 1 bestuurder [naam 18] . De aandeelhouders worden in het Handelsregister NIET zichtbaar.


3. Geïnteresseerden kunnen echter wel de oprichtingsakte bij de KvK opvragen waar de aandeelhouders zichtbaar in zijn. Ook [naam 2] vindt dit echter vergezocht. [naam 2] gaat het erom dat als er straks een aanvraag komt voor FresQ lidmaatschap van Fresunto dan gaat FresQ kijken in het handelsregister en daar staat alleen Fresunto BV met enig bestuurder [naam 18] . Voor FresQ géén aanleiding om verder te zoeken.... [naam 2] kan leven met deze procedure.


4. Lidmaatschap FresQ/Exsento pas nadat BV formeel is opgericht. Volgens de notaris zal dit binnen enkele dagen een feit zijn. Volgens haar zijn er geen lange wachttijden op dit moment.


5. Deze mail gaat NIET naar FresQ”


De rechtbank kan de inhoud van deze e-mail niet goed plaatsen. Maar wat hiervan ook moge zijn, zelfs al zou [naam 2] hebben geweten dat in ieder geval één van de leden verbonden was aan [gedaagde 1] , dan volgt uit dezelfde e-mail dat dit niet breder binnen FresQ bekend mocht worden. [gedaagde 1] heeft geen enkele verklaring gegeven waarom, indien zij daadwerkelijk meende dat aan alle regels werd voldaan, het belang van [gedaagde 1] in Fresunto voor bepaalde personen binnen FresQ (en de buitenwereld) verborgen moest blijven. Dat [gedaagde 1] met [naam 2] over de nieuwe structuur heeft gesproken, maakt in deze omstandigheden nog niet dat zij er gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat zij zich aan de regels hield.




4.21.
Voor zover [gedaagde 1] zich op het standpunt stelt dat uit de bevindingen van de Europese Commissie tijdens de eerdere audit volgt dat de wijze van vaststellen van de verkoopprijzen van de verkoopdochters van FresQ niet verenigbaar is met de erkenningscriteria, en dat het nu gaat om de inkoopprijzen, en dat deze uitleg voor [gedaagde 1] niet voorzienbaar is, faalt dit betoog. [gedaagde 1] heeft door het in strijd met het Plan van Aanpak behouden van de regie over FresQ Red Star bewust bewerkstelligd dat FresQ nog steeds niet aan de erkenningscriteria voldeed. Het is daarmee niet relevant op welke gronden de intrekking precies is gebaseerd. Voldoende is dat de intrekkingsgronden voortvloeien uit het welbewust behouden van de regie door [gedaagde 1] . Daar is hier sprake van. Uit de uitspraak van het CBb van 25 april 2017 volgt immers dat [gedaagde 1] een bepalende rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de uitbetaalprijzen van de nieuwe leden en dat niet voldaan is aan het vereiste dat geen van de leden misbruik kan maken van zijn macht of invloed kan uitoefenen ten aanzien van het beheer en de werking van een producentenorganisatie. De intrekkingsgronden zijn daarmee een voldoende voorzienbaar gevolg van het niet volledig doorvoeren van het Plan van Aanpak.



De individuele rol van [gedaagde 2 en 3] is onvoldoende toegelicht





4.22.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens RVO heeft gehandeld doordat zij de regie over FresQ Red Star niet uit handen heeft gegeven, en er daarmee welbewust voor heeft gezorgd dat FresQ inbreuk zou blijven maken op de erkenningscriteria. Volgens RVO heeft [gedaagde 1] niet alleen gehandeld, maar hebben meerdere (rechts)personen daarbij samengespannen, waaronder in ieder geval [gedaagde 2 en 3] . Aan zijn vorderingen jegens [gedaagde 2 en 3] legt RVO groepsaansprakelijkheid voor onrechtmatig daad ten grondslag (art. 6:166 lid 1 BW).



4.23.
Aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 lid 1 BW bestaat indien aan vier voorwaarden is voldaan:


i. de aangesprokene moet deel hebben uitgemaakt van een groep personen, waarvan ten minste één persoon schade heeft toegebracht aan een derde;



ii. de kans op het aldus toebrengen van schade had de groep personen, onder wie dus de aangesprokene, behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband;



iii. de aangesprokene moet kunnen worden toegerekend dat hij heeft deelgenomen aan de onrechtmatige gedragingen in groepsverband; en



iv. de handeling waardoor de schade feitelijk is toegebracht moet een onrechtmatige daad jegens de gelaedeerde opleveren.




4.24.
RVO heeft in de dagvaarding gesteld dat de betrokkenen door bewust de regie te behouden wetende dat FresQ daarmee niet aan de erkenningscriteria zou voldoen en wetende dat het gevolg daarvan zou zijn dat FresQ geen aanspraak kon maken op subsidie, en dit toe te dekken met een schijnwerkelijkheid, [gedaagden] onrechtmatig jegens RVO heeft gehandeld. Met betrekking tot [gedaagde 2 en 3] stelt RVO niet meer dan dat, voor zover nodig, aan hen ook een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. RVO heeft niet toegelicht waaruit de individuele bijdrage van [gedaagde 2 en 3] bestaat, en waarom gelet op deze individuele bijdrage aan de voorwaarden van artikel 6:166 lid 1 BW is voldaan. Dat in het lichaam van de dagvaarding meerdere overeenkomsten, e-mails en andere documenten worden aangehaald die duiden op de betrokkenheid van [gedaagde 2 en 3] bij de feitelijke gang van zaken is onvoldoende, nu het in de eerste plaats op de weg van RVO had gelegen om daar ten aanzien van [gedaagde 2 en 3] een duidelijke gevolgtrekking aan te verbinden. Nu RVO tekort is geschoten in zijn stelplicht, dienen de vorderingen jegens [gedaagde 2 en 3] te worden afgewezen.



Tussenconclusie





4.25.
De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat alleen vast is komen te staan dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens RVO heeft gehandeld doordat [gedaagde 1] de regie binnen FresQ Red Star heeft behouden. De rechtbank zal hierna ingaan op de overige door [gedaagde 1] gevoerde verweren.



Causaal verband





4.26.
Volgens [gedaagde 1] ontbreekt het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade. Daartoe stelt [gedaagde 1] dat FresQ, zelfs als de gedragingen van [gedaagde 1] worden weggedacht, nog steeds inbreuk zou hebben gemaakt op de erkenningscriteria. [gedaagde 1] wijst er in dit verband op dat uit het intrekkingsbesluit van het Productschap volgt dat een andere verkoopdochter van FresQ, FresQ Rainbow Growers, eveneens niet conform het Plan van Aanpak heeft gehandeld. Het CBb heeft in de uitspraak van 25 april 2017 deze intrekkingsgrond onbesproken gelaten, maar dit doet er niet aan af dat de gedragingen van FresQ Rainbow Growers de intrekking van de erkenning zelfstandig hadden kunnen dragen, aldus [gedaagde 1] . De schade zou dus ook zonder het handelen van [gedaagde 1] zijn ingetreden, zodat er geen causaal verband bestaat tussen de handelingen van [gedaagde 1] en de (volledige) schade van RVO. De rechtbank gaat hier niet in mee.



4.27.
Artikel 6:99 BW bepaalt dat als schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en vaststaat dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, de verplichting om de schade te vergoeden rust op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is. In het midden kan dus blijven of de situatie bij FresQ Rainbow Growers zelfstandig de intrekking van de erkenning van FresQ had kunnen dragen. Nu de schade in ieder geval het gevolg is van de omstandigheid dat FresQ Red Star door toedoen van [gedaagde 1] niet aan de erkenningscriteria voldeed, kan RVO de volledige schade op [gedaagde 1] verhalen.



Omvang schade





4.28.

[gedaagde 1] heeft verder de hoogte van de door RVO gestelde schade weersproken. Daartoe stelt zij dat in elk geval een gedeelte van de teruggevorderde subsidie tot waardevermeerdering van FresQ heeft geleid. Een gedeelte van de subsidies werd immers besteed aan faciliteiten, zijnde roerende en onroerende zaken op locaties van een lid of leden, die na afloop van een operationeel programma vervreemd konden worden door FresQ. Voor zover [gedaagde 1] hiermee heeft beoogd te stellen dat de schade van RVO minder bedraagt dan het totaal van de uitgekeerde subsidies, gaat [gedaagde 1] eraan voorbij dat de schade van RVO bestaat uit het bedrag aan subsidies dat niet kan worden teruggevorderd. Nu vooralsnog een bedrag van ongeveer € 45 miljoen feitelijk nog niet door FresQ aan RVO is terugbetaald, is daarmee de schade van RVO gegeven.



4.29.
De omstandigheid dat de Curatoren ongeveer gelijktijdig met RVO een procedure aanhangig hebben gemaakt waarbij [gedaagde 1] aansprakelijk is gesteld voor het tekort in het faillissement van FresQ leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft in deze procedure te oordelen over de vraag of RVO op dit moment een vorderingsrecht heeft. Daarvan is sprake. De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat RVO en de Curatoren zijn overeengekomen dat eventuele opbrengsten uit deze procedure door de RVO worden afgedragen aan de boedel ter verdeling onder de gezamenlijke crediteuren volgens de wettelijke rangorde. Er bestaat dus geen risico dat [gedaagde 1] dubbel moet betalen.



Eigen schuld





4.30.

[gedaagde 1] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van RVO in de zin van artikel 6:101 BW. De eigen schuld bestaat eruit dat (i) het Productschap heeft gefaald in haar rol als toezichthouder; (ii) RVO er mee heeft ingestemd dat de Curatoren ervoor hebben gekozen ten aanzien van de overige telers/leden van FresQ de versterkte subsidie niet terug te vorderen; en (iii) de RVO na de terugvorderingsbesluiten geen enkele actie heeft ondernomen waardoor de wettelijke rente is opgelopen tot een bedrag van € 5,5 miljoen.



4.31.
In het midden kan blijven of het Productschap vóór 2009 in haar taken als toezichthouder heeft gefaald. Voor zover daarvan sprake is, heeft RVO de daaruit voortvloeiende schade immers voor eigen rekening genomen. Dat het Productschap in 2010 heeft ingestemd met het Plan van Aanpak, en heeft bevestigd dat het Plan van Aanpak juist was doorgevoerd, kan RVO niet worden tegengeworpen. [gedaagde 1] heeft immers de werkelijke gang van zaken binnen FresQ Red Star voor het Productschap verborgen gehouden.



4.32.
Met betrekking tot het tweede verwijt is de navolgende achtergrond van belang. In de tussen FresQ en de leden gesloten projectovereenkomsten is een uitsluitingsclausule opgenomen. Uit deze uitsluitingsclausule volgt volgens de Curatoren dat FresQ de door de leden ontvangen subsidies niet kan terugvorderen wanneer de terugvordering het gevolg is van opzet of grove nalatigheid aan de zijde van FresQ. Tussen partijen is niet in geschil dat, gelet op de uitspraak van het CBb van 25 april 2017, aan de zijde van FresQ sprake is van grove nalatigheid. Uit het faillissementsverslag volgt dat de Curatoren tot de conclusie zijn gekomen dat “de telers/leden van FresQ die geen rol hebben gespeeld in de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de ernstige schendingen van de erkenningscriteria, zich toch met succes op de blokkerende clausule tegen de eventuele vordering van de curator kunnen beroepen.” Uit het faillissementsverslag volgt verder dat de Curatoren, in overleg met de Staat als grootste crediteur in het faillissement, om deze reden tot de conclusie zijn gekomen om niet tot terugvordering over te gaan. Volgens [gedaagde 1] heeft de Staat/RVO, door in te stemmen met het besluit van de Curatoren, niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Nu [gedaagde 1] op geen enkele wijze heeft toegelicht dat een vordering van de Curatoren jegens de overige leden enige kans van slagen zou hebben, kan reeds om deze reden het verwijt van [gedaagde 1] niet tot een geslaagd beroep op eigen schuld leiden.



4.33.
Het laatste verwijt van [gedaagde 1] heeft betrekking op het oplopen van de wettelijke rente. [gedaagde 1] heeft er in dit verband op gewezen dat de intrekking van de erkenning van FresQ heeft plaatsgevonden in augustus 2013 en dat het faillissement van FresQ is uitgesproken in mei 2017. RVO heeft de verjaring van de vordering telkens wel gestuit, maar tot 2025 gewacht met het aanhangig maken van de vordering. Door het jarenlang stilzitten is de rentecomponent van de vordering opgelopen tot een bedrag van ongeveer € 5,5 miljoen. RVO heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het verloop van de strafrechtelijke procedure heeft afgewacht. Nadat de strafrechtelijke procedure door middel van een transactie in oktober 2024 was beëindigd, heeft RVO er voor gekozen om zelf een civielrechtelijke procedure aanhangig te maken. [gedaagde 1] heeft vervolgens onvoldoende gemotiveerd toegelicht waarom RVO deze afweging in redelijkheid niet heeft mogen maken. Van eigen schuld is dus niet gebleken. Het beroep van [gedaagde 1] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt om dezelfde reden. De rechtbank zal, nu [gedaagde 1] met betrekking tot dit onderdeel geen verder verweer heeft gevoerd, de wettelijke rente conform de vordering van RVO toewijzen.



Geen matiging van de schade





4.34.
Artikel 6:109 lid 1 BW bepaalt dat indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen. Volgens [gedaagde 1] bestaat er aanleiding om de schadevergoeding te matigen omdat de gevorderde schade van ruim € 45 miljoen in hoofdsom niet in verhouding staat tot het door [gedaagde 1] uit hoofde van haar lidmaatschap van FresQ genoten subsidievoordeel van € 3,8 miljoen. De door RVO gevorderde schade staat bovendien in geen enkele verhouding tot de rol die [gedaagde 1] in het geheel heeft gespeeld. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat bij matiging een grote mate van terughoudend moet worden betracht. In dit geval is de schade ontstaan door schuld, en was het voorzienbaar dat de gedragingen van [gedaagde 1] tot een grote terugvordering aan subsidie zouden kunnen leiden, ongeacht de hoogte van het door [gedaagde 1] genoten subsidievoordeel. Verder blijkt uit de eigen stellingen van [gedaagde 1] dat zij voldoende draagkracht heeft om de volledige schade van RVO te voldoen, nu zij kennelijk de middelen heeft om voor een bedrag van € 45 miljoen aan zekerheid te stellen. Voor zover [gedaagde 1] meent dat de schade ook het gevolg kan zijn van een andere gebeurtenis, waarvoor een derde aansprakelijk is, staat het haar in beginsel vrij om regres te nemen. Het beroep op matiging slaagt om de voorgaande redenen niet.



Uitvoerbaarheid bij voorraad





4.35.

[gedaagde 1] heeft ten slotte verweer gevoerd tegen de door RVO gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Daarover stelt [gedaagde 1] het volgende. RVO kan een toewijzend vonnis op grond van de overeenkomst van 29 september 2025 pas uitwinnen als het in kracht van gewijsde is gegaan, zodat RVO geen belang bij de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad heeft. De rechtbank overweegt dat het tegenovergestelde ook waar is. RVO kan dit vonnis op grond van de overeenkomst tussen RVO, de Curatoren en [gedaagde 1] pas tenuitvoerleggen nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, zodat de belangen van [gedaagde 1] zich niet tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad verzetten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een veroordeling in een vonnis om een bedrag aan een schuldeiser te betalen, op vordering van die schuldeiser, uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.



Proceskosten





4.36.
De rechtbank zal de vorderingen van RVO jegens [gedaagde 1] toewijzen, en de vorderingen jegens [gedaagde 2 en 3] afwijzen. Bij deze uitkomst past dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld in de kosten van RVO, en RVO in de kosten van [gedaagde 2 en 3] . [gedaagde 2 en 3] hebben ten slotte nog gevorderd dat RVO wegens schending van de waarheidsplicht wordt veroordeeld in de daadwerkelijke proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2 en 3] , maar de rechtbank is van oordeel dat RVO deze verplichting niet heeft geschonden. De proceskosten zullen dus aan de hand van de wettelijke liquidatietarieven worden begroot.



4.37.
Aan de zijde van RVO worden de kosten begroot op € 19.711,47, te vermeerderen met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging. Deze kosten bestaan uit een bedrag van € 5.485 aan griffierecht, € 144,47 aan kosten dagvaarding, € 13.893 (tarief VIII x 3 punten) aan salaris advocaat en € 189 aan nakosten.



4.38.
Verder volgt uit het voorgaande dat de door RVO gelegde beslagen niet onnodig of onrechtmatig zijn geweest. De vordering van RVO tot vergoeding van de beslagkosten is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv dan ook toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 3.242 voor kosten deurwaardersexploten (productie 51 en 53 van RVO), € 1.376 voor griffierecht en € 4.631 voor salaris advocaat (tarief VIII x 1 punt). De beslagkosten bedragen in totaal aldus € 9.249.



4.39.
Aan de zijde van [gedaagde 2 en 3] bedragen de kosten € 16.805, te vermeerderen met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging. Deze kosten bestaan uit € 2.723 aan griffiegeld, € 13.893 aan salaris advocaat (tarief VIII x 3 punten) en € 189 aan nakosten.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan RVO te betalen een bedrag van € 45.113.602,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 35.855.331,59 vanaf 25 september 2013 en te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 9.258.271,35 vanaf 12 oktober 2015;



5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van de procedure aan de zijde van RVO, tot op heden begroot op € 19.711,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [gedaagde 1] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] in de beslagkosten aan de zijde van RVO, tot op heden vastgesteld op € 9.249;



5.4.
veroordeelt RVO in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde 2 en 3] , tot op heden begroot op € 16.805, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet RVO € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers, mr. J.J. Kuipers en mr. M.E. Voorrips en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.