Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20977
2026-06-26
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/683102 / FA RK 25-2578
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Zorgregeling (co-ouderschap), hoofdverbijfplaats en kinderalimentatie. Hoofdverblijfplaats kinderen wordt bepaald bij ouder met meeste financiele draagkacht. Vrouw komt in aanmerking voor bijdrage van de man in de zorgkosten.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:1924 Hoge Raad 23-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.033 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2578
Zaaknummer: C/09/683102
Datum beschikking: 26 juni 2026
Zorgregeling, hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie
Beschikking op het op 27 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J.C. Odekerken te Breda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen te Alphen aan den Rijn.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift van de zijde van de man, ingekomen op 27 maart 2025;
het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw, ingekomen op 30 mei 2025;
het verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 30 juni 2025;
het bericht van 12 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
het bericht van 18 mei 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
de brief van 19 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben tijdens een kindgesprek met de rechter hun mening kenbaar gemaakt en de minderjarige [minderjarige 2] heeft een brief met daarin zijn mening aan de rechter gestuurd.
Op 29 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de vrouw met haar advocaat.
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2009 tot [datum 2] 2020.
Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats].
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 5 juni 2020 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant, tevens houdende een ouderschapsplan, opgenomen. In hun ouderschapsplan van 28 mei 2020 zijn partijen onder meer overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben en dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben. Verder zijn partijen een zorgregeling overeengekomen en is afgesproken dat de man € 229,- per maand aan de vrouw zal betalen voor verblijfskosten van de kinderen, dat de man € 235,- per maand overmaakt op de kindrekening en dat beide ouders het bedrag wat ze ontvangen aan kinderbijslag storten op de kindrekening.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedraagt het door de man aan de vrouw te betalen bedrag voor verblijfskosten van de kinderen nu € 294,- per maand.
Verzoek en verweer
De man verzoekt:
- te bepalen dat de kinderen een hele week bij de man zijn van woensdag tot woensdag en vervolgens een hele week bij de vrouw zijn van woensdag tot woensdag, waarbij het wisselmoment zal zijn het moment dat de kinderen op woensdag uit school komen;
- de verdeling van de vakanties vast te stellen zoals omschreven in het petitum van het verzoekschrift;
- te bepalen dat de kinderrekening door partijen dient te worden beëindigd en het saldo per datum beëindiging naar de spaarrekeningen van de kinderen dient te worden overgeboekt, ieder voor een derde deel;
- te bepalen dat alle drie de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben;
- te bepalen dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voor zijn rekening zal nemen;
- voor zover nodig, te bepalen dat iedere ouder de eigen verblijfsgerelateerde kosten van de kinderen voor eigen rekening zal nemen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met compensatie van de kosten.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig:
- te bepalen dat de kindrekening wordt beëindigd en het daarop aanwezig zijnde saldo aan de vrouw wordt toebedeeld;
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij de vrouw is;
- te bepalen dat aan de vrouw het recht toekomt de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de overige kindertoeslagen te innen;
- te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking een kinderalimentatie van in totaal € 722,- per maand aan de vrouw dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
een ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Zorgregeling
Reguliere regeling
In hun ouderschapsplan van 28 mei 2020 zijn partijen een reguliere zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen bij de man dan wel de vrouw verblijven volgens het navolgende tweewekelijkse schema:
- van zondag 18.00 uur tot woensdag naar school bij de vrouw;
- van woensdag uit school tot vrijdag 17.30 uur bij de man;
- van vrijdag 17.30 uur tot woensdag naar school bij de vrouw;
- van woensdag uit school tot zondag 18.00 uur bij de man.
Aan voormelde regeling wordt tot op heden uitvoering gegeven.
De man verzoekt de reguliere zorgregeling te wijzigen in een week-op-week-af-regeling met het wisselmoment op woensdag na school. Volgens de man is de huidige regeling erg onrustig voor de kinderen vanwege de vele wisselmomenten. Met name de wisselmomenten op vrijdag en zondag zijn stressvol, aldus de man. De man verwacht dat een regeling waarbij de kinderen een hele week bij de ene ouder verblijven en vervolgens een hele week bij de andere ouder, de kinderen veel meer rust zal brengen. Voor de man zelf zou een week-op-week-af-regeling ook fijner zijn. In de week dat de kinderen bij de vrouw verblijven, is hij dan flexibeler in de planning van zijn werk- en privéafspraken.
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Voor het geval de rechtbank de man wel ontvankelijk in zijn verzoek acht, voert de vrouw aan dat de kinderen volledig gewend zijn aan de huidige zorgregeling en dat zij hun leven hierop hebben ingericht. De vrouw heeft nooit aan de kinderen gemerkt dat zij last hebben van de zorgregeling. De vrouw acht een week-op-week-af-regeling niet wenselijk. De vrouw heeft Long Covid en heeft om die reden behoefte aan veel rustmomenten. De door de man voorgestelde regeling zal veel te belastend zijn voor haar.
Op grond van artikel 1:253a, vierde lid, in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van (één van) de ouders een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van de hiervoor bedoelde gewijzigde omstandigheden. Die wijziging is erin gelegen dat er inmiddels zes jaar zijn verstreken sinds de start van de huidige zorgregeling. De kinderen zijn nu een stuk ouder en zelfstandiger en gaan inmiddels alle drie naar de middelbare school. Het voorgaande betekent dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek en dat de rechtbank zal beoordelen of er sprake is van een rechtens relevante wijziging die moet leiden tot een aanpassing van de eerder gemaakte afspraken.
De rechtbank zal de reguliere zorgregeling voor het overgrote deel laten zoals die nu is. In dit kader acht de rechtbank doorslaggevend dat de belastbaarheid van de vrouw beperkt is omdat zij lijdt aan Long Covid. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat het voor haar te zwaar is om de kinderen een hele week achter elkaar bij zich te hebben. De rechtbank weegt bij haar beslissing ook mee dat de kinderen te kennen hebben gegeven dat het voor hen niet veel uitmaakt of de regeling wel of niet wordt gewijzigd. Zij zijn gewend aan de huidige regeling en hebben alle drie laten weten daar geen problemen mee te hebben.
Door de man is aangegeven dat het wisselmoment op zondag om 18.00 uur erg onrustig is in verband met het avondeten en afspraken van de kinderen. Gelet daarop, alsmede met het oog op de leeftijd van de kinderen, ziet de rechtbank aanleiding om het wisselmoment op zondag te verplaatsen naar 20.00 uur.
Vakanties
De man verzoekt ook de in het ouderschapsplan overeengekomen regeling voor de vakanties te wijzigen. Volgens de huidige regeling moet jaarlijks een keuze worden gemaakt door de man dan wel de vrouw voor de gewenste week/weken in de kerstvakantie, de meivakantie en de zomervakantie. De man geeft aan dat de vrouw haar keuze regelmatig lang uitstelt, waardoor hij geen concrete vakantieplannen kan maken. Hij zou dan ook graag zien dat een vaste regeling wordt bepaald. Voor wat betreft de zomervakantie heeft de man voorkeur voor een verdeling waarbij de kinderen niet twee, maar drie aaneengesloten weken bij iedere ouder verblijven.
De vrouw is het niet eens met de door de man voorgestelde regeling. Zij vindt het juist goed dat partijen ieder jaar afspraken moeten maken over de verdeling van de vakanties omdat dan maatwerk voor de kinderen kan worden geleverd.
De rechtbank kan de wens van de man om - voor wat betreft de verdeling van de vakanties - te weten waar hij aan toe is, begrijpen. Immers is de man dan niet meer afhankelijk van de (reactiesnelheid van de) vrouw om plannen te maken en zal een vastgestelde regeling leiden tot minder discussies tussen de ouders. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat er zo min mogelijk onrust is rondom hun verblijfplaats gedurende de vakanties. De rechtbank zal daarom de door de man verzochte regeling voor de kerstvakantie en de meivakantie vaststellen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de man in zijn verzoek voor de kerstvakantie een typefout heeft gemaakt en dat in de even jaren ‘man’ en ‘vrouw’ moeten worden omgedraaid. Voor de zomervakantie geldt nu de afspraak dat de kinderen twee aaneengesloten weken bij iedere ouder zijn en dat in de overige weken de reguliere regeling doorloopt. Nu de vrouw heeft aangegeven dat het voor haar al erg zwaar is als de kinderen een week achterelkaar bij haar verblijven, zal de rechtbank niet bepalen dat de kinderen drie aaneengesloten weken bij iedere ouder verblijven. Zij zal wel vastleggen in welke weken de kinderen bij de man dan wel de vrouw verblijven en wat de wisselmomenten zijn. Verder zal worden bepaald dat het voor de man mogelijk moet zijn om in onderling overleg langer dan twee weken met de kinderen op vakantie te gaan. De regeling voor de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie zal de rechtbank ongewijzigd uit het ouderschapsplan overnemen omdat de man in zijn voorstel uitgaat van een reguliere week-op-week-af-regeling welke door de rechtbank niet zal worden gevolgd.
Opheffing kindrekening en hoofdverblijfplaats kinderen
Tot op heden hebben partijen voor de betaling van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen gebruik gemaakt van een kindrekening. Partijen zijn het erover eens dat deze kindrekening moet worden opgeheven en dat één van partijen (de ouder waar de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben) de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen moet gaan betalen. Dit betekent dat de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij de man dan wel de vrouw moet worden bepaald (op dit moment hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw en heeft [minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij de man).
Partijen verzoeken ieder de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij hem/haar vast te stellen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen om ingeschreven te staan bij de ouder met de meeste financiële draagkracht en zal daarom bepalen dat alle drie de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben. In dit kader merkt zij nog op dat
uit de overgelegde draagkrachtberekeningen blijkt dat het verschil in het door de man en de vrouw te ontvangen kindgebonden budget minimaal is. Daarnaast heeft de man aangegeven dat hij bereid is om de kosten te voldoen die de vrouw nu vergoed krijgt vanuit [voorziening] (bijvoorbeeld de kosten van de paardrijles van [minderjarige 3]).
Tussen partijen is in geschil wat er met het saldo op de kindrekening moet gebeuren. Nu partijen het op de kindrekening aanwezige bedrag samen hebben gespaard, zal de rechtbank bepalen dat aan ieder van hen de helft toekomt. Het staat partijen vrij om hun deel van het geld apart te zetten en daar te zijner tijd een bijdrage voor de rijbewijzen van de kinderen van te betalen, dan wel om het geld anderszins aan de kinderen te besteden. Voor zover het saldo op de kindrekening door (één van) partijen nog moet worden aangevuld, gaat de rechtbank ervan uit dat dit gebeurt voordat het saldo wordt verdeeld en de rekening wordt opgeheven.
Kinderalimentatie
De rechtbank stelt voorop dat doorgaans kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder bij wie een kind de hoofdverblijfplaats heeft. Het uitgangspunt hierbij is dat de ouder waar het kind de hoofdverblijfplaats heeft alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt. Daarnaast betaalt iedere ouder in principe de kosten die samenhangen met het verblijf bij hem/haar, de zogenoemde zorgkosten. De ouder waar de kinderen niet hun hoofdverblijf hebben, kan onder omstandigheden in aanmerking komen voor een bijdrage in die zorgkosten door de ouder waar de kinderen wel hun hoofdverblijf hebben. Een dergelijke situatie doet zich voornamelijk voor als de ouder waar de kinderen niet hun hoofdverblijf hebben, onvoldoende draagkracht heeft om de zorgkosten van het kind te voldoen. De vraag of en, zo ja, in hoeverre de ouder bij wie het kind meer dan incidenteel verblijft, maar niet zijn hoofdverblijf heeft, tegenover de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten die zijn gemoeid met verzorging en opvoeding van het kind gedurende dat meer dan incidentele verblijf, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte als bedoeld in titel 17 van Boek 1 BW (artikel 1:397 BW en artikel 1:404 BW). Voor het opleggen van een verplichting aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, om bij te dragen in de zorgkosten van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden (ECLI:NL:HR:2022:1924).
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke mate partijen kunnen voorzien in de behoefte van de kinderen en in hoeverre de vrouw in aanmerking komt voor een bijdrage in de zorgkosten.
Behoefte van de kinderen
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de drie kinderen samen in 2020 € 1.009,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de totale behoefte € 1.295,- per maand.
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun respectievelijke draagkracht. Conform de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen 2026 moet de financiële draagkracht van iedere ouder in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - ((0,3 x NBI) + 1.365)], waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht van de man
Bij de bepaling van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de overgelegde loonstroken over de maanden februari, maart en april 2026. Hieruit blijkt een salaris van € 5.354,99 per maand exclusief vakantietoeslag, een pensioenpremie van € 402,59 per maand en een pensioenpremie partnerpensioen van € 39,65 per maand.
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vrouw dat aan de zijde van de man moet worden gerekend met het inkomen dat hij zou verdienen als hij niet 28 uur per week, maar 40 uur per week zou werken. De man werkte tijdens het huwelijk al parttime (ten tijde van de echtscheiding werkte hij 24 uur per week) en heeft de helft van de tijd de zorg voor de kinderen. Gelet daarop is het naar het oordeel van de rechtbank niet redelijk om van de man te verwachten dat hij nu fulltime gaat werken.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, alsmede met een kindgebonden budget van € 10.717,- per jaar, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.737,- per maand.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule (afgerond) € 1.366,- per maand, te weten 70% x [4.737 - (0,3 x 4.737 + 1.365)].
Draagkracht van de vrouw
Bij de bepaling van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen uit WIA-uitkering van € 1.644,73 bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de overgelegde uitkeringsspecificaties over de maanden maart, april en mei 2026. Rekening houdend met de algemene heffingskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.401,- per maand.
De draagkracht van de vrouw bedraagt conform de draagkrachttabel € 50,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.416,- per maand (€ 1.366,- + € 50,-). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen van in totaal € 1.295,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.366 / 1.416 x 1.295 = 1.249
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 / 1.416 x 1.295 = 46
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 1.249,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 46,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Gelet op de geldende zorgregeling, moet een zorgkorting van 35% van de behoefte worden gehanteerd. De zorgkosten bedragen dus € 453,- per maand (35% van € 1.249,-).
Conclusie
Gelet op het aandeel van de vrouw van € 46,- in de kosten van de kinderen, is er bij haar een tekort van € 407,- per maand (€ 453,- minus € 46,-) om de verblijfskosten van de kinderen te voldoen. Dit betekent dat de vrouw aanspraak maakt op een door de man te betalen bijdrage van in totaal € 407,- per maand in de verblijfskosten van de kinderen bij haar. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen. De ingangsdatum van de te betalen kinderalimentatie zal de rechtbank bepalen op de datum van deze beschikking.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 5 juni 2020 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 28 mei 2020 – :
bepaalt dat de kinderen voortaan één keer in de twee weken op zondag om 20.00 uur (in plaats van 18.00 uur) van de man naar de vrouw gaan;
bepaalt dat vakanties als volgt zullen worden verdeeld:
- zomervakantie: in de even jaren week 1 en 2 bij de vrouw, week 3 en 4 bij de man en week 5 en 6 conform de reguliere regeling en in de oneven jaren week 1 en 2 bij de man, week 3 en 4 bij de vrouw en week 5 en 6 conform de reguliere regeling, waarbij geldt dat het voor de man mogelijk moet zijn om in onderling overleg langer dan twee weken met de kinderen op vakantie te gaan; week 1 start op vrijdag om 18:00 uur en de verdere wisselmomenten zijn op zaterdag om 19:00 uur;
- herfstvakantie: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
- kerstvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man; daarbij zijn de kinderen op Kerstavond tot en met Eerste Kerstdag 14:00 uur bij de man; in de even jaren is dit andersom;
- voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom; de eerste week start op vrijdag om 18:00 uur en het wisselmoment is op zaterdag om 19:00 uur;
bepaalt dat alle drie de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;
bepaalt dat de kindrekening zal worden opgeheven en dat aan ieder van partijen de helft van het saldo toekomt;
bepaalt dat de man met ingang van heden voor de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal betalen een bedrag van in totaal € 407,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2578
Zaaknummer: C/09/683102
Datum beschikking: 26 juni 2026
Zorgregeling, hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie
Beschikking op het op 27 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J.C. Odekerken te Breda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen te Alphen aan den Rijn.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift van de zijde van de man, ingekomen op 27 maart 2025;
het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw, ingekomen op 30 mei 2025;
het verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 30 juni 2025;
het bericht van 12 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
het bericht van 18 mei 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
de brief van 19 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben tijdens een kindgesprek met de rechter hun mening kenbaar gemaakt en de minderjarige [minderjarige 2] heeft een brief met daarin zijn mening aan de rechter gestuurd.
Op 29 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de vrouw met haar advocaat.
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2009 tot [datum 2] 2020.
Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats].
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 5 juni 2020 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant, tevens houdende een ouderschapsplan, opgenomen. In hun ouderschapsplan van 28 mei 2020 zijn partijen onder meer overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben en dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben. Verder zijn partijen een zorgregeling overeengekomen en is afgesproken dat de man € 229,- per maand aan de vrouw zal betalen voor verblijfskosten van de kinderen, dat de man € 235,- per maand overmaakt op de kindrekening en dat beide ouders het bedrag wat ze ontvangen aan kinderbijslag storten op de kindrekening.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedraagt het door de man aan de vrouw te betalen bedrag voor verblijfskosten van de kinderen nu € 294,- per maand.
Verzoek en verweer
De man verzoekt:
- te bepalen dat de kinderen een hele week bij de man zijn van woensdag tot woensdag en vervolgens een hele week bij de vrouw zijn van woensdag tot woensdag, waarbij het wisselmoment zal zijn het moment dat de kinderen op woensdag uit school komen;
- de verdeling van de vakanties vast te stellen zoals omschreven in het petitum van het verzoekschrift;
- te bepalen dat de kinderrekening door partijen dient te worden beëindigd en het saldo per datum beëindiging naar de spaarrekeningen van de kinderen dient te worden overgeboekt, ieder voor een derde deel;
- te bepalen dat alle drie de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben;
- te bepalen dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voor zijn rekening zal nemen;
- voor zover nodig, te bepalen dat iedere ouder de eigen verblijfsgerelateerde kosten van de kinderen voor eigen rekening zal nemen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met compensatie van de kosten.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig:
- te bepalen dat de kindrekening wordt beëindigd en het daarop aanwezig zijnde saldo aan de vrouw wordt toebedeeld;
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij de vrouw is;
- te bepalen dat aan de vrouw het recht toekomt de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de overige kindertoeslagen te innen;
- te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking een kinderalimentatie van in totaal € 722,- per maand aan de vrouw dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
een ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Zorgregeling
Reguliere regeling
In hun ouderschapsplan van 28 mei 2020 zijn partijen een reguliere zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen bij de man dan wel de vrouw verblijven volgens het navolgende tweewekelijkse schema:
- van zondag 18.00 uur tot woensdag naar school bij de vrouw;
- van woensdag uit school tot vrijdag 17.30 uur bij de man;
- van vrijdag 17.30 uur tot woensdag naar school bij de vrouw;
- van woensdag uit school tot zondag 18.00 uur bij de man.
Aan voormelde regeling wordt tot op heden uitvoering gegeven.
De man verzoekt de reguliere zorgregeling te wijzigen in een week-op-week-af-regeling met het wisselmoment op woensdag na school. Volgens de man is de huidige regeling erg onrustig voor de kinderen vanwege de vele wisselmomenten. Met name de wisselmomenten op vrijdag en zondag zijn stressvol, aldus de man. De man verwacht dat een regeling waarbij de kinderen een hele week bij de ene ouder verblijven en vervolgens een hele week bij de andere ouder, de kinderen veel meer rust zal brengen. Voor de man zelf zou een week-op-week-af-regeling ook fijner zijn. In de week dat de kinderen bij de vrouw verblijven, is hij dan flexibeler in de planning van zijn werk- en privéafspraken.
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Voor het geval de rechtbank de man wel ontvankelijk in zijn verzoek acht, voert de vrouw aan dat de kinderen volledig gewend zijn aan de huidige zorgregeling en dat zij hun leven hierop hebben ingericht. De vrouw heeft nooit aan de kinderen gemerkt dat zij last hebben van de zorgregeling. De vrouw acht een week-op-week-af-regeling niet wenselijk. De vrouw heeft Long Covid en heeft om die reden behoefte aan veel rustmomenten. De door de man voorgestelde regeling zal veel te belastend zijn voor haar.
Op grond van artikel 1:253a, vierde lid, in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van (één van) de ouders een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van de hiervoor bedoelde gewijzigde omstandigheden. Die wijziging is erin gelegen dat er inmiddels zes jaar zijn verstreken sinds de start van de huidige zorgregeling. De kinderen zijn nu een stuk ouder en zelfstandiger en gaan inmiddels alle drie naar de middelbare school. Het voorgaande betekent dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek en dat de rechtbank zal beoordelen of er sprake is van een rechtens relevante wijziging die moet leiden tot een aanpassing van de eerder gemaakte afspraken.
De rechtbank zal de reguliere zorgregeling voor het overgrote deel laten zoals die nu is. In dit kader acht de rechtbank doorslaggevend dat de belastbaarheid van de vrouw beperkt is omdat zij lijdt aan Long Covid. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat het voor haar te zwaar is om de kinderen een hele week achter elkaar bij zich te hebben. De rechtbank weegt bij haar beslissing ook mee dat de kinderen te kennen hebben gegeven dat het voor hen niet veel uitmaakt of de regeling wel of niet wordt gewijzigd. Zij zijn gewend aan de huidige regeling en hebben alle drie laten weten daar geen problemen mee te hebben.
Door de man is aangegeven dat het wisselmoment op zondag om 18.00 uur erg onrustig is in verband met het avondeten en afspraken van de kinderen. Gelet daarop, alsmede met het oog op de leeftijd van de kinderen, ziet de rechtbank aanleiding om het wisselmoment op zondag te verplaatsen naar 20.00 uur.
Vakanties
De man verzoekt ook de in het ouderschapsplan overeengekomen regeling voor de vakanties te wijzigen. Volgens de huidige regeling moet jaarlijks een keuze worden gemaakt door de man dan wel de vrouw voor de gewenste week/weken in de kerstvakantie, de meivakantie en de zomervakantie. De man geeft aan dat de vrouw haar keuze regelmatig lang uitstelt, waardoor hij geen concrete vakantieplannen kan maken. Hij zou dan ook graag zien dat een vaste regeling wordt bepaald. Voor wat betreft de zomervakantie heeft de man voorkeur voor een verdeling waarbij de kinderen niet twee, maar drie aaneengesloten weken bij iedere ouder verblijven.
De vrouw is het niet eens met de door de man voorgestelde regeling. Zij vindt het juist goed dat partijen ieder jaar afspraken moeten maken over de verdeling van de vakanties omdat dan maatwerk voor de kinderen kan worden geleverd.
De rechtbank kan de wens van de man om - voor wat betreft de verdeling van de vakanties - te weten waar hij aan toe is, begrijpen. Immers is de man dan niet meer afhankelijk van de (reactiesnelheid van de) vrouw om plannen te maken en zal een vastgestelde regeling leiden tot minder discussies tussen de ouders. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat er zo min mogelijk onrust is rondom hun verblijfplaats gedurende de vakanties. De rechtbank zal daarom de door de man verzochte regeling voor de kerstvakantie en de meivakantie vaststellen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de man in zijn verzoek voor de kerstvakantie een typefout heeft gemaakt en dat in de even jaren ‘man’ en ‘vrouw’ moeten worden omgedraaid. Voor de zomervakantie geldt nu de afspraak dat de kinderen twee aaneengesloten weken bij iedere ouder zijn en dat in de overige weken de reguliere regeling doorloopt. Nu de vrouw heeft aangegeven dat het voor haar al erg zwaar is als de kinderen een week achterelkaar bij haar verblijven, zal de rechtbank niet bepalen dat de kinderen drie aaneengesloten weken bij iedere ouder verblijven. Zij zal wel vastleggen in welke weken de kinderen bij de man dan wel de vrouw verblijven en wat de wisselmomenten zijn. Verder zal worden bepaald dat het voor de man mogelijk moet zijn om in onderling overleg langer dan twee weken met de kinderen op vakantie te gaan. De regeling voor de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie zal de rechtbank ongewijzigd uit het ouderschapsplan overnemen omdat de man in zijn voorstel uitgaat van een reguliere week-op-week-af-regeling welke door de rechtbank niet zal worden gevolgd.
Opheffing kindrekening en hoofdverblijfplaats kinderen
Tot op heden hebben partijen voor de betaling van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen gebruik gemaakt van een kindrekening. Partijen zijn het erover eens dat deze kindrekening moet worden opgeheven en dat één van partijen (de ouder waar de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben) de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen moet gaan betalen. Dit betekent dat de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij de man dan wel de vrouw moet worden bepaald (op dit moment hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw en heeft [minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij de man).
Partijen verzoeken ieder de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij hem/haar vast te stellen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen om ingeschreven te staan bij de ouder met de meeste financiële draagkracht en zal daarom bepalen dat alle drie de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben. In dit kader merkt zij nog op dat
uit de overgelegde draagkrachtberekeningen blijkt dat het verschil in het door de man en de vrouw te ontvangen kindgebonden budget minimaal is. Daarnaast heeft de man aangegeven dat hij bereid is om de kosten te voldoen die de vrouw nu vergoed krijgt vanuit [voorziening] (bijvoorbeeld de kosten van de paardrijles van [minderjarige 3]).
Tussen partijen is in geschil wat er met het saldo op de kindrekening moet gebeuren. Nu partijen het op de kindrekening aanwezige bedrag samen hebben gespaard, zal de rechtbank bepalen dat aan ieder van hen de helft toekomt. Het staat partijen vrij om hun deel van het geld apart te zetten en daar te zijner tijd een bijdrage voor de rijbewijzen van de kinderen van te betalen, dan wel om het geld anderszins aan de kinderen te besteden. Voor zover het saldo op de kindrekening door (één van) partijen nog moet worden aangevuld, gaat de rechtbank ervan uit dat dit gebeurt voordat het saldo wordt verdeeld en de rekening wordt opgeheven.
Kinderalimentatie
De rechtbank stelt voorop dat doorgaans kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder bij wie een kind de hoofdverblijfplaats heeft. Het uitgangspunt hierbij is dat de ouder waar het kind de hoofdverblijfplaats heeft alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt. Daarnaast betaalt iedere ouder in principe de kosten die samenhangen met het verblijf bij hem/haar, de zogenoemde zorgkosten. De ouder waar de kinderen niet hun hoofdverblijf hebben, kan onder omstandigheden in aanmerking komen voor een bijdrage in die zorgkosten door de ouder waar de kinderen wel hun hoofdverblijf hebben. Een dergelijke situatie doet zich voornamelijk voor als de ouder waar de kinderen niet hun hoofdverblijf hebben, onvoldoende draagkracht heeft om de zorgkosten van het kind te voldoen. De vraag of en, zo ja, in hoeverre de ouder bij wie het kind meer dan incidenteel verblijft, maar niet zijn hoofdverblijf heeft, tegenover de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten die zijn gemoeid met verzorging en opvoeding van het kind gedurende dat meer dan incidentele verblijf, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte als bedoeld in titel 17 van Boek 1 BW (artikel 1:397 BW en artikel 1:404 BW). Voor het opleggen van een verplichting aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, om bij te dragen in de zorgkosten van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden (ECLI:NL:HR:2022:1924).
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke mate partijen kunnen voorzien in de behoefte van de kinderen en in hoeverre de vrouw in aanmerking komt voor een bijdrage in de zorgkosten.
Behoefte van de kinderen
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de drie kinderen samen in 2020 € 1.009,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de totale behoefte € 1.295,- per maand.
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun respectievelijke draagkracht. Conform de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen 2026 moet de financiële draagkracht van iedere ouder in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - ((0,3 x NBI) + 1.365)], waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht van de man
Bij de bepaling van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de overgelegde loonstroken over de maanden februari, maart en april 2026. Hieruit blijkt een salaris van € 5.354,99 per maand exclusief vakantietoeslag, een pensioenpremie van € 402,59 per maand en een pensioenpremie partnerpensioen van € 39,65 per maand.
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vrouw dat aan de zijde van de man moet worden gerekend met het inkomen dat hij zou verdienen als hij niet 28 uur per week, maar 40 uur per week zou werken. De man werkte tijdens het huwelijk al parttime (ten tijde van de echtscheiding werkte hij 24 uur per week) en heeft de helft van de tijd de zorg voor de kinderen. Gelet daarop is het naar het oordeel van de rechtbank niet redelijk om van de man te verwachten dat hij nu fulltime gaat werken.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, alsmede met een kindgebonden budget van € 10.717,- per jaar, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.737,- per maand.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule (afgerond) € 1.366,- per maand, te weten 70% x [4.737 - (0,3 x 4.737 + 1.365)].
Draagkracht van de vrouw
Bij de bepaling van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen uit WIA-uitkering van € 1.644,73 bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de overgelegde uitkeringsspecificaties over de maanden maart, april en mei 2026. Rekening houdend met de algemene heffingskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.401,- per maand.
De draagkracht van de vrouw bedraagt conform de draagkrachttabel € 50,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.416,- per maand (€ 1.366,- + € 50,-). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen van in totaal € 1.295,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.366 / 1.416 x 1.295 = 1.249
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 / 1.416 x 1.295 = 46
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 1.249,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 46,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Gelet op de geldende zorgregeling, moet een zorgkorting van 35% van de behoefte worden gehanteerd. De zorgkosten bedragen dus € 453,- per maand (35% van € 1.249,-).
Conclusie
Gelet op het aandeel van de vrouw van € 46,- in de kosten van de kinderen, is er bij haar een tekort van € 407,- per maand (€ 453,- minus € 46,-) om de verblijfskosten van de kinderen te voldoen. Dit betekent dat de vrouw aanspraak maakt op een door de man te betalen bijdrage van in totaal € 407,- per maand in de verblijfskosten van de kinderen bij haar. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen. De ingangsdatum van de te betalen kinderalimentatie zal de rechtbank bepalen op de datum van deze beschikking.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 5 juni 2020 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 28 mei 2020 – :
bepaalt dat de kinderen voortaan één keer in de twee weken op zondag om 20.00 uur (in plaats van 18.00 uur) van de man naar de vrouw gaan;
bepaalt dat vakanties als volgt zullen worden verdeeld:
- zomervakantie: in de even jaren week 1 en 2 bij de vrouw, week 3 en 4 bij de man en week 5 en 6 conform de reguliere regeling en in de oneven jaren week 1 en 2 bij de man, week 3 en 4 bij de vrouw en week 5 en 6 conform de reguliere regeling, waarbij geldt dat het voor de man mogelijk moet zijn om in onderling overleg langer dan twee weken met de kinderen op vakantie te gaan; week 1 start op vrijdag om 18:00 uur en de verdere wisselmomenten zijn op zaterdag om 19:00 uur;
- herfstvakantie: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
- kerstvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man; daarbij zijn de kinderen op Kerstavond tot en met Eerste Kerstdag 14:00 uur bij de man; in de even jaren is dit andersom;
- voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom; de eerste week start op vrijdag om 18:00 uur en het wisselmoment is op zaterdag om 19:00 uur;
bepaalt dat alle drie de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;
bepaalt dat de kindrekening zal worden opgeheven en dat aan ieder van partijen de helft van het saldo toekomt;
bepaalt dat de man met ingang van heden voor de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal betalen een bedrag van in totaal € 407,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2026.