Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20804

2026-06-24 Civiel recht C/09/688950 / HA RK 25-377
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-24
Publicatiedatum
2026-07-25
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/688950 / HA RK 25-377
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vaststelling Nederlandschap - afwijzing verzoek

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.830 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Meervoudige kamer


Rekestnummer: HA RK 25-377
Zaaknummer: C/09/688950
Datum beschikking: 24 juni 2026


Beschikking op het op 25 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:




[verzoekster] ,

in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige:


[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I. Roos te Amsterdam.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:




DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. R.Y. Reckers.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 6 augustus 2025 van de IND, met bijlagen;
- de reactie op IND & vermeerdering van gronden verzoek van 24 september 2025, namens verzoekster;
- de brief van 25 september 2025 van verzoekster, met bijlagen;
- de brief van 5 december 2025 van verzoekster, met bijlage;
- de e-mail van 8 mei 2026 van mr. Roos met als bijlage de brief van verzoekster.


Op 19 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



Verzoekster (via teams), bijgestaan door haar advocaat;


R.Y. Reckers, namens de IND.





Verzoek en het standpunt van de IND
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van [minderjarige] (sinds [dag] 2023 dan wel een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht), een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de IND in de proceskosten.


De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.




Feiten
- Verzoekster bezit de Surinaamse nationaliteit.
- Uit verzoekster is op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , geboren [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ).
- [minderjarige] is op [dag] 2023 te [plaats 1] , Suriname, erkend door [erkenner] (hierna: de erkenner).
- Op 17 januari 2024 is aan [minderjarige] een Nederlands paspoort verstrekt door de minister van Buitenlandse Zaken.



Beoordeling


Vooraf

Bij (een tweede) brief van 6 augustus 2025 heeft de IND de rechtbank verzocht om onder geheimhouding kennis te nemen van een in een gesloten envelop meegestuurde brief (hierna: het stuk). De IND heeft daarbij een beroep op artikel 22 lid 7 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gedaan. Deze meervoudige kamer van de rechtbank heeft geen kennisgenomen van het stuk. Het verzoek van de IND is op de zitting met partijen besproken. De IND heeft daarop zijn verzoek ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen. Het stuk is vervolgens niet alsnog (zonder verzoek om geheimhouding) door de IND in het geding gebracht. De betreffende brief van 6 augustus 2025 (die op de zitting door de IND aan de advocaat van verzoekster is overhandigd) en het stuk zijn daarom niet bij de beoordeling betrokken. Het stuk is na de zitting – ongelezen – geretourneerd aan de IND.



In geschil is of [minderjarige] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.



Verzoekster stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. [minderjarige] is op [dag] 2023 erkend door een Nederlandse man. [minderjarige] was op het moment van erkenning jonger dan zeven jaar en heeft als gevolg van die erkenning de Nederlandse nationaliteit verkregen. De gemeente [plaats 2] heeft de nationaliteit van [minderjarige] doorgehaald naar aanleiding van onderzoek door de IND omdat de IND heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van family life tussen verzoekster en de erkenner. Op grond hiervan zou de erkenning in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde. Verzoekster betwist dat sprake is van een schijnerkenning. Zij en de erkenner hebben een liefdesrelatie gehad en hadden het voornemen om zich samen in Nederland te vestigen.



De IND voert verweer.




Juridisch kader

Artikel 4 lid 2 RWN bepaalt dat de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend, Nederlander wordt.



In deze procedure is in geschil of de erkenning van [minderjarige] op [dag] 2023 door de erkenner in Suriname, hier in Nederland van rechtswege wordt erkend. De rechtbank zal dat moeten beoordelen aan de hand van de in boek 10 Burgerlijk Wetboek (BW) geplaatste erkenningsregeling. De artikelen 100 en 101 van boek 10 BW zijn daarvoor relevant.



Op grond van artikel 10:100 lid 1 onder c BW wordt een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd in Nederland van rechtswege erkend, tenzij de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.



In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 lid 1, onder c, BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.
In artikel 10:101 lid 2 BW is vervolgens bepaald dat, voor zover hier van belang, de weigeringsgrond bedoeld in artikel 10:100 lid 1, onder c BW zich met betrekking tot de erkenning in elk geval voordoet indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.



Van een schijnhandeling is onder meer sprake als komt vast te staan dat een erkenner de bevoegdheid tot erkenning heeft misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Onder meer een erkenning die uitsluitend is gericht op het verschaffen van toegang tot en/of verblijf in Nederland aan de daarbij betrokkenen, komt neer op misbruik van bevoegdheid. Een dergelijke erkenning hoort als schijnerkenning wegens strijd met de Nederlandse openbare orde te worden geweigerd.




Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank komt tot de conclusie dat in deze zaak sprake is van een schijnerkenning en overweegt daartoe als volgt.



Uit onderzoek van de IND is gebleken dat de erkenner in een periode van drie jaar 24 kinderen van in ieder geval vijftien verschillende vrouwen heeft erkend. Alleen al in 2023, het jaar waarin de erkenner ook [minderjarige] in Suriname heeft erkend, heeft de erkenner maar liefst achttien kinderen erkend, van dertien verschillende moeders. Acht moeders hebben een beroep gedaan op het arrest Chavez en verblijf aangevraagd bij hun minderjarige (gestelde) Nederlandse kind. Ook verzoekster heeft zo’n aanvraag gedaan, namelijk op 15 maart 2024.



Daarbij komt dat er geen enkele aanwijzing is dat de erkenner ooit betrokken is geweest bij (de verzorging van) [minderjarige] of ook maar enige rol heeft gespeeld in zijn leven. [minderjarige] staat in de basisregistratie personen (brp) ook niet bij de erkenner als zijn kind geregistreerd. Verzoekster heeft aangevoerd dat de erkenner en zij een affectieve relatie hebben gehad, dat de erkenner op belangrijke momenten aanwezig was en dat zij de intentie hadden om zich samen in Nederland te vestigen en hier een gezinsleven op te bouwen, maar zij heeft haar stellingen niet met enige stukken, verklaringen of foto’s onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling van verzoekster dat de erkenner haar financieel heeft gesteund. Ook die stelling is niet onderbouwd.



Gelet op deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat de erkenning van [minderjarige] in Suriname niet tot doel heeft gehad om tussen [minderjarige] en de erkenner een familierechtelijke betrekking tot stand te brengen, maar kennelijk slechts tot doel heeft gehad het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit door [minderjarige] en daarmee het creëren van een geldig verblijfsrecht voor verzoekster. De Surinaamse akte van erkenning van [dag] 2023 kan daarom niet in Nederland worden erkend wegens strijd met de openbare orde. Daarmee is dus niet voldaan aan het bepaalde van artikel 4, lid 2 van de RWN.



De stelling van verzoekster dat de in Suriname afgegeven akte van erkenning al in Nederland is erkend, omdat het ministerie van Buitenlandse Zaken een Nederlands paspoort voor [minderjarige] heeft afgegeven, vindt geen steun in het recht. De afgifte van een paspoort leidt niet tot Nederlanderschap en brengt niet mee dat een rechterlijke toetsing aan de artikelen 10:100 en 101 BW achterwege kan blijven. Ook de omstandigheid dat de erkenning bij verzoekster is ingeschreven in de brp en dat daarbij geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 1:29c BW biedt, maakt dat niet anders. Ook hiermee staat namelijk niet vast dat iemand de Nederlandse nationaliteit bezit.



Voor zover verzoekster een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen om tot vaststelling van het Nederlanderschap te komen, kan dit beroep niet slagen. De wijzen waarop de Nederlandse nationaliteit kan worden verkregen, zijn limitatief opgesomd in de RWN en daaronder is niet begrepen een zodanige verkrijging door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel.



Verzoekster heeft tot slot nog aangevoerd dat vernietiging van een erkenning een inmenging oplevert van de in artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK neergelegde rechten, maar dit standpunt is verder niet onderbouwd. Alleen al daarom slaagt dit betoog niet.



Gelet op het voorgaande, wijst de rechtbank het verzoek af.




Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.




Beslissing
De rechtbank:


wijst het verzoek af.


Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. van der Vliet, A.P. de Klerk en E.G. Nuboer, rechters, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2026.