Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20803
2026-06-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/691457 / HA RK 25-491
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vaststelling Nederlanderschap - verzoek afgewezen, erkenning van de buitenlandse erkenning is in strijd met openbare orde
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.872 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-491
Zaaknummer: C/09/691457
Datum beschikking: 24 juni 2026
Beschikking op het op 8 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] ,
in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [plaats] , Frans Guyana,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.R. Warner te Almere.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. [naam] .
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 14 oktober 2025 van de IND, met bijlagen;
- de brief van 22 oktober 2025 van verzoekster;
- de brief van 18 november 2025 van de IND, met bijlage;
- de brief van 7 januari 2026 van de IND, met bijlagen;
- de brief van 26 januari 2026 van verzoekster;
- de brief van 9 maart 2026 van verzoekster, met bijlagen.
Op 19 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
verzoekster, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] , namens de IND.
Verzoek en het standpunt van de IND
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige [minderjarige 1] en te gebieden dat alle Nederlandse overheidsorganen deze vaststelling respecteren conform artikel 19 RWN, een en ander met veroordeling van de IND in de proceskosten.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Feiten
- Verzoekster bezit de Surinaamse nationaliteit.
- Uit verzoekster is op [geboortedatum] 2018 te [plaats] , Frans Guyana, geboren [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ).
- [minderjarige 1] is op 13 juli 2023 te Paramaribo, Suriname, erkend door [de erkenner] (hierna te noemen: de erkenner).
- Op 22 december 2023 is aan [minderjarige 1] een Nederlands paspoort verstrekt door de minister van Buitenlandse Zaken.
- Verzoekster en [minderjarige 1] zijn op 8 november 2024 naar Nederland gekomen uit Suriname.
- Verzoekster heeft op 17 december 2024 een verblijfsvergunning aangevraagd voor verblijf bij een Nederlands kind. Deze aanvraag is afgewezen.
Beoordeling
In geschil is of [minderjarige 1] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Verzoekster stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. [minderjarige 1] is op 13 juli 2023 erkend door een Nederlandse man. [minderjarige 1] had op dat moment de leeftijd van zeven jaar nog niet bereikt, zodat zij op grond van artikel 4 lid 2 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), als gevolg van die erkenning Nederlandse is geworden. De IND heeft geen bevoegdheid om de familierechtelijke betrekkingen die tussen [minderjarige 1] en de erkenner door de erkenning zijn ontstaan te negeren op basis van een vermoeden dat het hier gaat om een schijnerkenning. De IND heeft ook geen bevoegdheid om het constitutieve rechtsgevolg van artikel 4 lid 2 RWN aan [minderjarige 1] te ontzeggen. Het Nederlanderschap van [minderjarige 1] is voor verzoekster niet van belang om aanspraak te kunnen maken op Unierechtelijke verblijfsrechten als verzorgende ouder omdat zij die rechten al heeft als verzorgende ouder van [minderjarige 2] , die de Franse nationaliteit heeft. De erkenning van [minderjarige 1] was daarom niet nodig voor toegang tot de Europese Unie.
De IND voert verweer.
De rechtbank overweegt als volgt.
Juridisch kader
Artikel 4 lid 2 RWN bepaalt dat de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend, Nederlander wordt.
In deze procedure is in geschil of de erkenning van [minderjarige 1] op 13 juli 2023 door de erkenner in Suriname, hier in Nederland van rechtswege wordt erkend. De rechtbank zal dat moeten beoordelen aan de hand van de in boek 10 Burgerlijk Wetboek (BW) geplaatste erkenningsregeling. De artikelen 100 en 101 van boek 10 BW zijn daarvoor relevant.
Op grond van artikel 10:100 lid 1 onder c BW wordt een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd in Nederland van rechtswege erkend, tenzij de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 lid 1, onder c, BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.
In artikel 10:101 lid 2 BW is vervolgens bepaald dat, voor zover hier van belang, de weigeringsgrond bedoeld in artikel 10:100 lid 1, onder c BW zich met betrekking tot de erkenning in elk geval voordoet indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.
Van een schijnhandeling is onder meer sprake als komt vast te staan dat een erkenner de bevoegdheid tot erkenning heeft misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Onder meer een erkenning die uitsluitend is gericht op het verschaffen van toegang tot en/of verblijf in Nederland aan de daarbij betrokkenen, komt neer op misbruik van bevoegdheid. Een dergelijke erkenning hoort als schijnerkenning wegens strijd met de Nederlandse openbare orde te worden geweigerd.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank komt tot de conclusie dat in deze zaak sprake is van een schijnerkenning en overweegt daartoe als volgt.
Uit onderzoek van de IND is gebleken dat de erkenner 24 kinderen van in ieder geval vijftien verschillende vrouwen heeft erkend. Alleen al in 2023, het jaar waarin de erkenner ook [minderjarige 1] in Suriname heeft erkend, heeft de erkenner maar liefst achttien kinderen erkend, van dertien verschillende moeders. In totaal acht moeders hebben een beroep gedaan op het arrest Chavez en verblijf aangevraagd bij hun minderjarige (gestelde) Nederlandse kind. Ook verzoekster heeft zo’n aanvraag gedaan, namelijk op 17 december 2024.
Er is geen enkele aanwijzing dat de erkenner ooit betrokken is geweest bij de verzorging van [minderjarige 1] of ook maar enige rol heeft gespeeld in het leven van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] staat in de basisregistratie personen ook niet bij de erkenner als zijn kind geregistreerd. Verzoekster heeft voor het eerst op de zitting gesteld dat de erkenner de biologische vader van [minderjarige 1] is, dat verzoekster en de erkenner een relatie hebben gehad en dat de erkenning heeft plaatsgevonden omdat de erkenner een rol wilde spelen in het leven van [minderjarige 1] . Door verzoekster is verder aangevoerd dat de erkenner aanvankelijk uit beeld is geraakt maar later weer in haar leven is gekomen en toen heeft laten weten zich te hebben bedacht en dat hij alsnog een rol te willen spelen in het leven van [minderjarige 1] . Ook heeft verzoekster voor het eerst op zitting gesteld dat zij financieel ondersteund werd door de erkenner. De stellingen van verzoekster zijn echter in het geheel niet onderbouwd. De stelling van verzoekster op de zitting dat de erkenner de biologische vader van [minderjarige 1] is, staat bovendien haaks op het standpunt dat eerder namens haar is ingenomen, zoals blijkt uit de door de IND bij brief van 14 oktober 2025 overgelegde brief van een andere gemachtigde van verzoekster van 29 april 2025. Daarin is namens verzoekster namelijk aangevoerd dat de vader van [minderjarige 1] langdurig uit beeld is en dat [minderjarige 1] is erkend door een derde, met wie verzoekster kortstondig contact had. Als het zo is dat de erkenner de biologische vader van [minderjarige 1] is, dan is dat eenvoudig aan te tonen door middel van een DNA-test. In het kader van de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van het Chavez arrest is verzoekster ook gevraagd om een DNA-test over te leggen. Dit heeft verzoekster niet gedaan. Dat de erkenner de biologische vader van [minderjarige 1] is staat dus ook geenszins vast.
Voor zover verzoekster stelt dat zij de erkenning van [minderjarige 1] niet nodig zou hebben voor een verblijfsrecht in Nederland, omdat de zus van [minderjarige 1] Frans staatsburger is, merkt de rechtbank het volgende op. Anders dan verzoekster kennelijk meent brengt het Franse staatburgerschap van de zus van [minderjarige 1] niet zonder meer mee dat [minderjarige 1] en de moeder een verblijfsrecht in Nederland hebben, zodat de rechtbank hierin geen aanwijzing ziet die een mogelijke schijnerkenning tegenspreekt.
Gelet op al deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat de erkenning van [minderjarige 1] in Suriname niet tot doel heeft gehad om tussen [minderjarige 1] en de erkenner een familierechtelijke betrekking tot stand te brengen, maar kennelijk slechts tot doel heeft gehad het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit door [minderjarige 1] en daarmee het creëren van een geldig verblijfsrecht voor verzoekster. De Surinaamse (akte van) erkenning van 13 juli 2023 wordt daarom in Nederland niet van rechtswege erkend wegens strijd met de openbare orde.
Omdat daarmee niet is voldaan aan het bepaalde van artikel 4, lid 2 van de RWN, zal de rechtbank de verzoeken afwijzen.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe eveneens afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken af .
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. van der Vliet, A.P. de Klerk en E.G. Nuboer, rechters, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2026.
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-491
Zaaknummer: C/09/691457
Datum beschikking: 24 juni 2026
Beschikking op het op 8 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] ,
in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [plaats] , Frans Guyana,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.R. Warner te Almere.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. [naam] .
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 14 oktober 2025 van de IND, met bijlagen;
- de brief van 22 oktober 2025 van verzoekster;
- de brief van 18 november 2025 van de IND, met bijlage;
- de brief van 7 januari 2026 van de IND, met bijlagen;
- de brief van 26 januari 2026 van verzoekster;
- de brief van 9 maart 2026 van verzoekster, met bijlagen.
Op 19 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
verzoekster, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] , namens de IND.
Verzoek en het standpunt van de IND
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige [minderjarige 1] en te gebieden dat alle Nederlandse overheidsorganen deze vaststelling respecteren conform artikel 19 RWN, een en ander met veroordeling van de IND in de proceskosten.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Feiten
- Verzoekster bezit de Surinaamse nationaliteit.
- Uit verzoekster is op [geboortedatum] 2018 te [plaats] , Frans Guyana, geboren [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ).
- [minderjarige 1] is op 13 juli 2023 te Paramaribo, Suriname, erkend door [de erkenner] (hierna te noemen: de erkenner).
- Op 22 december 2023 is aan [minderjarige 1] een Nederlands paspoort verstrekt door de minister van Buitenlandse Zaken.
- Verzoekster en [minderjarige 1] zijn op 8 november 2024 naar Nederland gekomen uit Suriname.
- Verzoekster heeft op 17 december 2024 een verblijfsvergunning aangevraagd voor verblijf bij een Nederlands kind. Deze aanvraag is afgewezen.
Beoordeling
In geschil is of [minderjarige 1] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Verzoekster stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. [minderjarige 1] is op 13 juli 2023 erkend door een Nederlandse man. [minderjarige 1] had op dat moment de leeftijd van zeven jaar nog niet bereikt, zodat zij op grond van artikel 4 lid 2 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), als gevolg van die erkenning Nederlandse is geworden. De IND heeft geen bevoegdheid om de familierechtelijke betrekkingen die tussen [minderjarige 1] en de erkenner door de erkenning zijn ontstaan te negeren op basis van een vermoeden dat het hier gaat om een schijnerkenning. De IND heeft ook geen bevoegdheid om het constitutieve rechtsgevolg van artikel 4 lid 2 RWN aan [minderjarige 1] te ontzeggen. Het Nederlanderschap van [minderjarige 1] is voor verzoekster niet van belang om aanspraak te kunnen maken op Unierechtelijke verblijfsrechten als verzorgende ouder omdat zij die rechten al heeft als verzorgende ouder van [minderjarige 2] , die de Franse nationaliteit heeft. De erkenning van [minderjarige 1] was daarom niet nodig voor toegang tot de Europese Unie.
De IND voert verweer.
De rechtbank overweegt als volgt.
Juridisch kader
Artikel 4 lid 2 RWN bepaalt dat de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend, Nederlander wordt.
In deze procedure is in geschil of de erkenning van [minderjarige 1] op 13 juli 2023 door de erkenner in Suriname, hier in Nederland van rechtswege wordt erkend. De rechtbank zal dat moeten beoordelen aan de hand van de in boek 10 Burgerlijk Wetboek (BW) geplaatste erkenningsregeling. De artikelen 100 en 101 van boek 10 BW zijn daarvoor relevant.
Op grond van artikel 10:100 lid 1 onder c BW wordt een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd in Nederland van rechtswege erkend, tenzij de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 lid 1, onder c, BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.
In artikel 10:101 lid 2 BW is vervolgens bepaald dat, voor zover hier van belang, de weigeringsgrond bedoeld in artikel 10:100 lid 1, onder c BW zich met betrekking tot de erkenning in elk geval voordoet indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.
Van een schijnhandeling is onder meer sprake als komt vast te staan dat een erkenner de bevoegdheid tot erkenning heeft misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Onder meer een erkenning die uitsluitend is gericht op het verschaffen van toegang tot en/of verblijf in Nederland aan de daarbij betrokkenen, komt neer op misbruik van bevoegdheid. Een dergelijke erkenning hoort als schijnerkenning wegens strijd met de Nederlandse openbare orde te worden geweigerd.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank komt tot de conclusie dat in deze zaak sprake is van een schijnerkenning en overweegt daartoe als volgt.
Uit onderzoek van de IND is gebleken dat de erkenner 24 kinderen van in ieder geval vijftien verschillende vrouwen heeft erkend. Alleen al in 2023, het jaar waarin de erkenner ook [minderjarige 1] in Suriname heeft erkend, heeft de erkenner maar liefst achttien kinderen erkend, van dertien verschillende moeders. In totaal acht moeders hebben een beroep gedaan op het arrest Chavez en verblijf aangevraagd bij hun minderjarige (gestelde) Nederlandse kind. Ook verzoekster heeft zo’n aanvraag gedaan, namelijk op 17 december 2024.
Er is geen enkele aanwijzing dat de erkenner ooit betrokken is geweest bij de verzorging van [minderjarige 1] of ook maar enige rol heeft gespeeld in het leven van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] staat in de basisregistratie personen ook niet bij de erkenner als zijn kind geregistreerd. Verzoekster heeft voor het eerst op de zitting gesteld dat de erkenner de biologische vader van [minderjarige 1] is, dat verzoekster en de erkenner een relatie hebben gehad en dat de erkenning heeft plaatsgevonden omdat de erkenner een rol wilde spelen in het leven van [minderjarige 1] . Door verzoekster is verder aangevoerd dat de erkenner aanvankelijk uit beeld is geraakt maar later weer in haar leven is gekomen en toen heeft laten weten zich te hebben bedacht en dat hij alsnog een rol te willen spelen in het leven van [minderjarige 1] . Ook heeft verzoekster voor het eerst op zitting gesteld dat zij financieel ondersteund werd door de erkenner. De stellingen van verzoekster zijn echter in het geheel niet onderbouwd. De stelling van verzoekster op de zitting dat de erkenner de biologische vader van [minderjarige 1] is, staat bovendien haaks op het standpunt dat eerder namens haar is ingenomen, zoals blijkt uit de door de IND bij brief van 14 oktober 2025 overgelegde brief van een andere gemachtigde van verzoekster van 29 april 2025. Daarin is namens verzoekster namelijk aangevoerd dat de vader van [minderjarige 1] langdurig uit beeld is en dat [minderjarige 1] is erkend door een derde, met wie verzoekster kortstondig contact had. Als het zo is dat de erkenner de biologische vader van [minderjarige 1] is, dan is dat eenvoudig aan te tonen door middel van een DNA-test. In het kader van de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van het Chavez arrest is verzoekster ook gevraagd om een DNA-test over te leggen. Dit heeft verzoekster niet gedaan. Dat de erkenner de biologische vader van [minderjarige 1] is staat dus ook geenszins vast.
Voor zover verzoekster stelt dat zij de erkenning van [minderjarige 1] niet nodig zou hebben voor een verblijfsrecht in Nederland, omdat de zus van [minderjarige 1] Frans staatsburger is, merkt de rechtbank het volgende op. Anders dan verzoekster kennelijk meent brengt het Franse staatburgerschap van de zus van [minderjarige 1] niet zonder meer mee dat [minderjarige 1] en de moeder een verblijfsrecht in Nederland hebben, zodat de rechtbank hierin geen aanwijzing ziet die een mogelijke schijnerkenning tegenspreekt.
Gelet op al deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat de erkenning van [minderjarige 1] in Suriname niet tot doel heeft gehad om tussen [minderjarige 1] en de erkenner een familierechtelijke betrekking tot stand te brengen, maar kennelijk slechts tot doel heeft gehad het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit door [minderjarige 1] en daarmee het creëren van een geldig verblijfsrecht voor verzoekster. De Surinaamse (akte van) erkenning van 13 juli 2023 wordt daarom in Nederland niet van rechtswege erkend wegens strijd met de openbare orde.
Omdat daarmee niet is voldaan aan het bepaalde van artikel 4, lid 2 van de RWN, zal de rechtbank de verzoeken afwijzen.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe eveneens afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken af .
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. van der Vliet, A.P. de Klerk en E.G. Nuboer, rechters, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2026.