Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20788
2026-07-29
Civiel recht; Goederenrecht
C/09/707390
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering tot opheffing van conservatoir beslag op een pensioenuitkering afgewezen. Tijdens dit kort geding is onvoldoende gebleken dat de vordering summierlijk ondeugdelijk is, dat er voldoende zekerheid is door het conservatoire beslag op de woning en dat vormfouten de opheffing rechtvaardigen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:445 Hoge Raad 24-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.692 tekens)
RECHTBANK Den Haag
Civiel recht
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: C/09/707390 / KG ZA 26-679
Vonnis in kort geding van 29 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. F.J. Verhagen,
tegen
M.R. PIETER JELLES FRÖLICH Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 1] en in het faillissement van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 2] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. P.J. Frölich.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2026 met producties 1 t/m 24;- de aanvullende producties 25 tot en met 30 van [eisende partij] ;- de producties 1 tot en met 6 van de curator;- de op 15 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eisende partij] en de curator spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] is met pensioen. Daarvoor heeft hij onder meer ruim 30 jaar voor IBM gewerkt. Tijdens zijn pensioen heeft hij onder de titel van adviseur nog werkzaamheden verricht voor [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: DE).
2.2.
DE is samen met [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) en [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) een samenwerking aangegaan. Het doel van de samenwerking was, kort gezegd, om digitaal inburgeringsonderwijs aan te bieden voor onder meer vluchtelingen.
2.3.
[bedrijfsnaam 2] is op 12 maart 2019 op eigen aangifte failliet verklaard. [bedrijfsnaam 1] is op 21 april 2020 failliet verklaard. De curator is als curator benoemd in de beide faillissementen.
2.4.
De curator heeft de bestuursleden van [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] aansprakelijk gesteld vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur. Per brief van 31 augustus 2022 heeft de curator [eisende partij] ook op die grondslag aansprakelijk gesteld. Daartegen heeft [eisende partij] uitgebreid verweer gevoerd, onder meer per brieven van 7 oktober 2022, 15 juni 2023 en 28 juni 2023. Per brief van 11 september 2025 heeft de curator [eisende partij] wederom gesommeerd tot betaling van de tekorten in de faillissementen van [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] .
2.5.
Naar aanleiding van het voornemen van de curator om een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure te starten is [eisende partij] op 5 december 2025 gehoord door de rechter-commissaris van deze rechtbank.
2.6.
Op 7 mei 2026 heeft de curator een beslagrekest ingediend voor het leggen van conservatoir beslag op de woning en de pensioenuitkering van [eisende partij] . Op 8 mei 2026 is aan de curator daarvoor verlof verleend.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - de opheffing van het op 8 mei 2026 gelegde conservatoire beslag op zijn pensioenuitkering.
3.2.
Daartoe voert [eisende partij] – samengevat - het volgende aan. De vordering van de curator is summierlijk ondeugdelijk. De curator heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eisende partij] als feitelijk beleidsbepaler namens [bedrijfsnaam 1] en/of [bedrijfsnaam 2] heeft opgetreden en dus kan worden gelijkgesteld met de bestuurders van die failliete ondernemingen. Verder is het beslag onnodig, omdat de curator ook beslag heeft gelegd op de woning van [eisende partij] . De verkoopwaarde van die woning is meer dan genoeg om de vordering van de curator te voldoen, waardoor de curator voldoende zekerheid heeft voor de voldoening van zijn vordering. Verder is er sprake van vormverzuimen die de opheffing van het beslag rechtvaardigen. Zo is [eisende partij] niet gehoord voorafgaand aan het leggen van het beslag en heeft de curator zijn waarheids- en substantiëringsplicht geschonden door de uitgebreide verweren van [eisende partij] niet in zijn beslagrekest op te nemen.
3.3.
De curator voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling
Juridisch kader
4.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
4.2.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
De vordering is niet summierlijk ondeugdelijk
4.3.
Volgens [eisende partij] heeft de curator zijn vordering in het beslagrekest slechts met drie bewijsmiddelen onderbouwd. Die bewijsmiddelen zijn alle drie door [eisende partij] weerlegd en bovendien steunen de bewijsmiddelen van de curator op verklaringen van partijdige personen, zodat die onbetrouwbaar zijn. Verder wordt door [eisende partij] verwezen naar een overzicht in de conclusie van antwoord die namens hem is ingediend in de bodemprocedure. In dat overzicht heeft [eisende partij] van twaalf stellingen van de curator in zowel het faillissement van [bedrijfsnaam 1] als [bedrijfsnaam 2] aangegeven welke van die stellingen door hem zijn weerlegd en welke stukken van de curator die stellingen niet kunnen dragen. Verder wijst [eisende partij] naar een overzicht met dertig stukken aan verklaringen en correspondentie waaruit volgens hem uitgebreid tegenbewijs volgt.
4.4.
De curator betwist dat zijn vordering ondeugdelijk is. Hij baseert zijn vordering niet slechts op drie bewijsmiddelen. Daarvoor verwijst de curator naar verschillende (sub)producties van zijn kant en naar zijn brief van 11 september 2025. Daarbij benadrukt de curator dat uit de verklaring van mevrouw [naam 1] (vanaf 1 september 2018 werkzaam als Human Resource Manager bij [bedrijfsnaam 2] ) volgt dat [eisende partij] haar heeft aangenomen. De stelling van [eisende partij] dat het bestuur haar formeel heeft aangenomen doet daar volgens de curator niet aan af.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vordering van de curator (primair) is gebaseerd op artikel 2:248 lid 7 BW. Daaruit volgt dat ook een feitelijk beleidsbepaler als bestuurder kan worden aangemerkt en dus jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het bedrag van de schulden in het faillissement. Daarvoor is vereist dat diegene zich ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid moet hebben toegeëigend, en op die manier het beleid heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. Uit het woord ‘mede’ in art. 2:248 lid 7 BW kan worden afgeleid dat van zodanige beleidsbepaling ook sprake kan zijn in de situatie dat daarnaast een of meer formele bestuurders hun taken als bestuurder bleven uitoefenen (HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445).
4.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op de beperkingen van deze voorzieningenprocedure, onvoldoende aannemelijk is dat de vordering van de curator summier ondeugdelijk is. Dat licht de voorzieningenrechter toe als volgt.
4.7.
Tussen partijen bestaat onder meer discussie over de verklaring van mevrouw [naam 1] . De voorzieningenrechter overweegt dat zij expliciet verklaart dat [eisende partij] haar heeft aangenomen, dat [naam 2] (de bestuurder van [bedrijfsnaam 2] ) alleen het tekenen van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan en [eisende partij] het meeste deed. Anders dan [eisende partij] stelt, sluit die verklaring op voorhand niet uit dat hij zich bepaalde bestuursbevoegdheden heeft toegeëigend.
4.8.
Volgens [eisende partij] heeft de curator verder geen bewijs voor zijn vordering overgelegd. De voorzieningenrechter overweegt echter dat de curator ter zitting naar meerdere andere omstandigheden heeft verwezen en in zijn beslagrekest uitdrukkelijk zijn brief van 11 september 2025 als grondslag voor zijn vordering aanmerkt. In die uitgebreide brief heeft de curator onder meer het juridisch kader en allerlei omstandigheden uiteengezet waaruit volgens de curator blijkt dat [eisende partij] feitelijk beleidsbepaler is geweest bij [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] . Zo heeft [eisende partij] volgens de curator onder meer het beheer van de cursusadministratie van [bedrijfsnaam 1] tegen de wens en met uitsluiting van het bestuur van [bedrijfsnaam 1] naar zich toe getrokken, de financiën van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] aan zich getrokken door hun DUO inkomsten een-op-een aan DE over te maken en door de advocaat van [bedrijfsnaam 1] voor een kortgedingprocedure tussen [bedrijfsnaam 1] en de Staat te betalen en zich inhoudelijk in strategisch overleg met die advocaat te mengen. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat [eisende partij] het met die brief absoluut niet eens is en daar bij zijn brieven van 7 oktober 2022, 15 juni 2023 en 28 juni 2023 en in de conclusie van antwoord in de bodemprocedure ook uitgebreid verweer tegen heeft gevoerd. Juist die omvang van de stukken en standpunten van beide kanten maakt dat de voorzieningenrechter in deze voorzieningenprocedure niet kan vaststellen of de vordering van de curator summierlijk ondeugdelijk is. Dat vergt een deugdelijke inhoudelijke beoordeling van die wederzijdse standpunten, de bewijsmiddelen en de waardering van de verklaringen waarop die standpunten zijn gebaseerd. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats.
Het onnodige van het beslag is niet gebleken
4.9.
Volgens [eisende partij] is het beslag op zijn pensioenuitkering onnodig, omdat de curator ook conservatoir beslag op zijn woning heeft gelegd. Die woning is vrij van hypotheek. Hoewel de laatst berekende WOZ-waarde van de woning € 715.000,- is, ligt de marktwaarde hoger. Dat blijkt volgens [eisende partij] uit een desktoptaxatie van Walter Living van 9 juni 2026, waarin de marktwaarde van de woning wordt geschat op € 893.000,-. Volgens [eisende partij] blijkt uit de laatste faillissementsverslagen van beide faillissementen dat het totaal aan erkende vorderingen een bedrag van € 351.489,14 is. De waarde van zijn woning biedt dus voldoende zekerheid, ook als rekening wordt gehouden met de faillissementskosten. Bovendien acht [eisende partij] het waarschijnlijk dat het salaris van de curator gematigd zal worden. Voor zover zijn woning toch onvoldoende zekerheid mocht bieden, is [eisende partij] bereid om aanvullende zekerheid te bieden in de vorm van een pandrecht op een vordering van [eisende partij] op een derde ter hoogte van € 150.000,-.
4.10.
Volgens de curator biedt de woning niet voldoende zekerheid voor een volledige voldoening van zijn vordering die, inclusief opslag, is begroot op één miljoen euro. Hij betwist dat aan de desktoptaxatie evenveel waarde kan worden toegekend als aan een reguliere taxatie, omdat de desktoptaxatie niet kan worden gebruikt bij het aanvragen van een hypotheek. Aan de berekening van die schulden liggen meer vorderingen ten grondslag dan [eisende partij] noemt. Bovendien zijn de faillissementskosten sindsdien verder opgelopen doordat partijen zijn gehoord, conservatoire maatregelen zijn getroffen, de dagvaarding van 150 pagina’s in de bodemprocedure is opgesteld en die procedure nog is niet afgerond. De door [eisende partij] aangeboden aanvullende zekerheid wordt door de curator als onzeker beschouwd, omdat [eisende partij] als pandgever de vordering ook zelf zou kunnen innen.
4.11.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat, als de schuldenaar voldoende verhaal biedt, en er geen verduistering te duchten is, of er op andere wijze zekerheid is voor het verhaal, een beslag als onnodig kan worden aangemerkt, na afweging van de belangen van partijen over en weer. De vraag of een conservatoir beslag onnodig/onrechtmatig is dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de vordering, de waarde van de beslagen goederen en de onevenredigheid waarmee de schuldenaar eventueel door het beslag in zijn belangen wordt getroffen.
4.12.
De voorzieningenrechter overweegt dat het aannemelijk is dat de woning van [eisende partij] voor meer dan de WOZ-waarde kan worden verkocht. Dat de waarde die in de desktoptaxatie wordt genoemd als de te verwachten verkoopwaarde kan worden gehanteerd acht de voorzieningenrechter echter onvoldoende aannemelijk. Bij een desktoptaxatie is er immers geen deskundige geweest die de woning heeft bezocht en gewaardeerd. Aangezien de curator onweersproken heeft betwist dat met de desktoptaxatie een hypotheek kan worden aangevraagd en de waarde van de woning verder nergens uit blijkt, heeft [eisende partij] onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen om van de door hem gestelde waarde uit te gaan. Voor het door [eisende partij] aanvullend aangeboden bewijs van de waarde van de woning is in dit kort geding geen plaats. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet van de door [eisende partij] gestelde waarde van de woning uit zal gaan. Gelet op de aannemelijkheid dat de woning wel voor meer dan de WOZ-waarde kan worden verkocht, gaat de voorzieningenrechter op basis van een globale schatting voorshands uit van een verkoopwaarde van € 800.000,-.
4.13.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat het door [eisende partij] genoemde bedrag van € 351.489,14 als erkende schulden uit de faillissementsverslagen blijkt. Uit die verslagen blijkt echter ook dat een betwiste vordering van € 249.688,09 is ingediend. Aangezien de curator zijn vordering in het beslagrekest, nog voor de daarop te hanteren opslag, heeft begroot op € 794.645,65 heeft de curator ook met die betwiste vordering rekening gehouden. Daarbij komt nog dat de curator ter zitting heeft verklaard dat die laatste begroting van september 2025 is en hij inschat dat de faillissementskosten sindsdien met ongeveer € 200.000,- zijn toegenomen. Hoewel dat bedrag door de curator is geschat en niet door de voorzieningenrechter kan worden geverifieerd, is het wel aannemelijk dat de kosten sinds de laatste begroting zijn toegenomen, onder meer omdat de dagvaarding sindsdien door de curator is opgesteld en uitgebracht. Dat betekent dat het bedrag aan schulden de (globaal geschatte) waarde van de woning van [eisende partij] nu al overstijgt, terwijl de kosten nog verder zullen oplopen. Daarbij is het in deze stand van zaken onvoldoende duidelijk dat het salaris van de curator zal worden gematigd. Dat betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het beslag op de woning van [eisende partij] niet voldoende zekerheid biedt voor de voldoening van de vordering van de curator.
4.14.
De door [eisende partij] aanvullend geboden zekerheid maakt dat niet anders. Met de curator acht de voorzieningenrechter het aangeboden pandrecht namelijk niet voldoende zekerheid bieden. Een pandrecht laat de bevoegdheid van de pandgever om een vordering zelf te innen, over die vordering een betalingsregeling te treffen of die vordering kwijt te schelden namelijk onverlet, zodat de curator niet verzekerd is van de betaling van die vordering.
Vormverzuim geen aanleiding tot opheffing
4.15.
Volgens [eisende partij] moet het beslag ook worden opgeheven vanwege vormverzuimen. Ten eerste omdat artikel 720 Rv voorschrijft dat er bij een beslag op periodieke betalingen, zoals in dit geval zijn pensioenuitkering, de gerekwestreerde gehoord moet worden. Dat is niet gebeurd. Ten tweede omdat de curator het uitgebreide verweer van [eisende partij] slechts in één alinea in het beslagrekest heeft genoemd. Die twee omstandigheden samen hebben ertoe geleid dat het beslag is gelegd op basis van eenzijdige informatie. Vanwege het belang van [eisende partij] moeten die verzuimen tot opheffing van het beslag leiden. Volgens de curator leidt het niet horen van [eisende partij] niet tot nietigheid waardoor opheffing niet aan de orde is. Ook is [eisende partij] al gehoord bij de rechter-commissaris voorafgaand aan de beslaglegging en is een eventueel verzuim hersteld door de mogelijkheid tot horen in deze procedure. De curator betwist dat hij het verweer van [eisende partij] onvoldoende in het beslagrekest heeft toegelicht.
4.16.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 720 Rv inderdaad volgt dat [eisende partij] voor het verlenen van het beslagverlof moet worden gehoord. Dat is niet gebeurd en is dus een verzuim. Dat is echter geen verzuim dat met nietigheid wordt bestraft. Ook een belangenafweging leidt niet tot het oordeel dat het beslag moet worden opgeheven. In de beslagsyllabus is immers opgenomen dat de griffie van de rechtbank [eisende partij] had moeten oproepen. Dat is dus niet de curator. Hoewel in die syllabus ook staat dat het wordt aanbevolen om een verzoek tot beslag op een periodieke uitkering los van andere beslagen te doen, is het dus niet alleen aan de curator te verwijten dat [eisende partij] niet is gehoord. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [eisende partij] op 5 december 2025 bij de rechter-commissaris is gehoord. Hoewel dat niet specifiek ziet op het beslagrekest, heeft hij daaraan voorafgaand al wel een keer zijn standpunten kunnen toelichten. In die omstandigheden is het ontbreken van het horen voor het beslagverlof niet voldoende om opheffing van het beslag te rechtvaardigen.
4.17.
Het standpunt van [eisende partij] dat de waarheids- en substantiëringsplicht door de curator zijn geschonden wordt niet door de voorzieningenrechter gevolgd. Hoewel in het beslagrekest inderdaad in één alinea de verweren van [eisende partij] worden samengevat, blijkt daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel voldoende uit op welke gronden [eisende partij] de vordering betwist. Daarbij geldt dat de curator in zijn brief van 11 september 2025, waarnaar in het beslagrekest uitdrukkelijk wordt verwezen, de brieven en (samengevatte) verweren van [eisende partij] ook noemt en nader behandeld. Dat betekent dat de rechter die het verlof voor het beslag heeft verleend wel kennis heeft kunnen nemen van die verweren van [eisende partij] . Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de curator zijn waarheids- en substantiëringsplicht niet heeft geschonden.
Belangenafweging
4.18.
Volgens [eisende partij] moet de belangenafweging tussen zijn belang bij opheffing van het beslag en het belang van de curator bij handhaving daarvan in zijn voordeel uitvallen. Naast de hiervoor genoemde omstandigheden wijst [eisende partij] erop dat hij en zijn vrouw de inkomsten van zijn pensioenuitkering nodig hebben voor hun dagelijkse kosten. Daarbij geldt dat het beslag hem in zijn goede naam en eer schaadt, omdat zijn pensioenfonds van het bedrijf is waar hij 30 jaar werkzaam is geweest en het beslag op zijn uitkering in de gemeenschap van oud-medewerkers en gepensioneerden bekend is geworden, althans dreigt te worden. Verder heeft de jarenlange procedure een sterk nadelig effect op zijn gezondheid en die van zijn vrouw.
4.19.
Volgens de curator krijgt [eisende partij] elke maand nog een bedrag van € 855,- van zijn pensioenuitkering uitbetaald, zodat niet het gehele pensioen wordt ingehouden. Verder heeft [eisende partij] volgens de curator in totaal alsnog maandelijkse inkomsten van ongeveer € 3.000,- en blijkt uit de Box 3-belasting van [eisende partij] dat hij verder over veel vermogen beschikt.
4.20.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hiervoor is geoordeeld dat geen van de door [eisende partij] aangevoerde grondslagen voor opheffing van het beslag worden gevolgd. Dat betekent dat de curator belang heeft bij handhaving van het beslag voor het geval dat zijn vordering in de bodemprocedure zou worden toegewezen. Daar staat het belang van [eisende partij] tegenover. De voorzieningenrechter begrijpt goed dat [eisende partij] gelet op zijn 83 jarige leeftijd graag onbezorgd van zijn pensioen wil genieten. [eisende partij] heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet zonder zijn gehele pensioenuitkering kan. De curator heeft immers aan de hand van het bericht van de deurwaarder onderbouwd dat [eisende partij] maandelijks nog € 855,- van zijn pensioenuitkering ontvangt en hij en zijn vrouw daarnaast ook nog andere maandelijkse uitkeringen van in totaal € 2.051,- krijgen. Aangezien zij geen hypotheeklasten hebben kunnen zij die inkomsten voor hun dagelijkse kosten gebruiken. Daarbij geldt dat de curator aan de hand van de Box 3-belastingaanslag van [eisende partij] heeft gesteld dat [eisende partij] een Box 3-vermogen van minimaal € 351.573,59 en maximaal € 1.079.874,17 moet hebben. [eisende partij] heeft die stelling betwist, omdat de berekening met behulp van AI is opgesteld. Hij heeft echter niet gemotiveerd op welk vermogen zijn Box 3-belasting dan wel is berekend en hij heeft erkend dat hij voor € 300.000,- aan leningen heeft uitstaan, waarvan hij er één binnen twee jaar wil ontvangen. In die omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eisende partij] onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij niet voldoende middelen tot zijn beschikking heeft om in zijn dagelijkse kosten te voorzien. Dat [eisende partij] door het beslag reputatieschade lijdt is door de curator betwist en acht de voorzieningenrechter overigens ook van onvoldoende belang om opheffing te rechtvaardigen. Dat [eisende partij] en zijn vrouw met gezondheidsproblemen kampen is voor hen erg vervelend, maar ook dat vormt geen rechtvaardiging om het beslag op te heffen. Dat betekent dat de belangenafweging niet in het voordeel van [eisende partij] uitvalt. Zijn vorderingen zullen dus worden afgewezen.
De proceskosten
4.21.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: C/09/707390 / KG ZA 26-679
Vonnis in kort geding van 29 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. F.J. Verhagen,
tegen
M.R. PIETER JELLES FRÖLICH Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 1] en in het faillissement van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 2] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. P.J. Frölich.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2026 met producties 1 t/m 24;- de aanvullende producties 25 tot en met 30 van [eisende partij] ;- de producties 1 tot en met 6 van de curator;- de op 15 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eisende partij] en de curator spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] is met pensioen. Daarvoor heeft hij onder meer ruim 30 jaar voor IBM gewerkt. Tijdens zijn pensioen heeft hij onder de titel van adviseur nog werkzaamheden verricht voor [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: DE).
2.2.
DE is samen met [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) en [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) een samenwerking aangegaan. Het doel van de samenwerking was, kort gezegd, om digitaal inburgeringsonderwijs aan te bieden voor onder meer vluchtelingen.
2.3.
[bedrijfsnaam 2] is op 12 maart 2019 op eigen aangifte failliet verklaard. [bedrijfsnaam 1] is op 21 april 2020 failliet verklaard. De curator is als curator benoemd in de beide faillissementen.
2.4.
De curator heeft de bestuursleden van [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] aansprakelijk gesteld vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur. Per brief van 31 augustus 2022 heeft de curator [eisende partij] ook op die grondslag aansprakelijk gesteld. Daartegen heeft [eisende partij] uitgebreid verweer gevoerd, onder meer per brieven van 7 oktober 2022, 15 juni 2023 en 28 juni 2023. Per brief van 11 september 2025 heeft de curator [eisende partij] wederom gesommeerd tot betaling van de tekorten in de faillissementen van [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] .
2.5.
Naar aanleiding van het voornemen van de curator om een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure te starten is [eisende partij] op 5 december 2025 gehoord door de rechter-commissaris van deze rechtbank.
2.6.
Op 7 mei 2026 heeft de curator een beslagrekest ingediend voor het leggen van conservatoir beslag op de woning en de pensioenuitkering van [eisende partij] . Op 8 mei 2026 is aan de curator daarvoor verlof verleend.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - de opheffing van het op 8 mei 2026 gelegde conservatoire beslag op zijn pensioenuitkering.
3.2.
Daartoe voert [eisende partij] – samengevat - het volgende aan. De vordering van de curator is summierlijk ondeugdelijk. De curator heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eisende partij] als feitelijk beleidsbepaler namens [bedrijfsnaam 1] en/of [bedrijfsnaam 2] heeft opgetreden en dus kan worden gelijkgesteld met de bestuurders van die failliete ondernemingen. Verder is het beslag onnodig, omdat de curator ook beslag heeft gelegd op de woning van [eisende partij] . De verkoopwaarde van die woning is meer dan genoeg om de vordering van de curator te voldoen, waardoor de curator voldoende zekerheid heeft voor de voldoening van zijn vordering. Verder is er sprake van vormverzuimen die de opheffing van het beslag rechtvaardigen. Zo is [eisende partij] niet gehoord voorafgaand aan het leggen van het beslag en heeft de curator zijn waarheids- en substantiëringsplicht geschonden door de uitgebreide verweren van [eisende partij] niet in zijn beslagrekest op te nemen.
3.3.
De curator voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling
Juridisch kader
4.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
4.2.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
De vordering is niet summierlijk ondeugdelijk
4.3.
Volgens [eisende partij] heeft de curator zijn vordering in het beslagrekest slechts met drie bewijsmiddelen onderbouwd. Die bewijsmiddelen zijn alle drie door [eisende partij] weerlegd en bovendien steunen de bewijsmiddelen van de curator op verklaringen van partijdige personen, zodat die onbetrouwbaar zijn. Verder wordt door [eisende partij] verwezen naar een overzicht in de conclusie van antwoord die namens hem is ingediend in de bodemprocedure. In dat overzicht heeft [eisende partij] van twaalf stellingen van de curator in zowel het faillissement van [bedrijfsnaam 1] als [bedrijfsnaam 2] aangegeven welke van die stellingen door hem zijn weerlegd en welke stukken van de curator die stellingen niet kunnen dragen. Verder wijst [eisende partij] naar een overzicht met dertig stukken aan verklaringen en correspondentie waaruit volgens hem uitgebreid tegenbewijs volgt.
4.4.
De curator betwist dat zijn vordering ondeugdelijk is. Hij baseert zijn vordering niet slechts op drie bewijsmiddelen. Daarvoor verwijst de curator naar verschillende (sub)producties van zijn kant en naar zijn brief van 11 september 2025. Daarbij benadrukt de curator dat uit de verklaring van mevrouw [naam 1] (vanaf 1 september 2018 werkzaam als Human Resource Manager bij [bedrijfsnaam 2] ) volgt dat [eisende partij] haar heeft aangenomen. De stelling van [eisende partij] dat het bestuur haar formeel heeft aangenomen doet daar volgens de curator niet aan af.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vordering van de curator (primair) is gebaseerd op artikel 2:248 lid 7 BW. Daaruit volgt dat ook een feitelijk beleidsbepaler als bestuurder kan worden aangemerkt en dus jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het bedrag van de schulden in het faillissement. Daarvoor is vereist dat diegene zich ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid moet hebben toegeëigend, en op die manier het beleid heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. Uit het woord ‘mede’ in art. 2:248 lid 7 BW kan worden afgeleid dat van zodanige beleidsbepaling ook sprake kan zijn in de situatie dat daarnaast een of meer formele bestuurders hun taken als bestuurder bleven uitoefenen (HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445).
4.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op de beperkingen van deze voorzieningenprocedure, onvoldoende aannemelijk is dat de vordering van de curator summier ondeugdelijk is. Dat licht de voorzieningenrechter toe als volgt.
4.7.
Tussen partijen bestaat onder meer discussie over de verklaring van mevrouw [naam 1] . De voorzieningenrechter overweegt dat zij expliciet verklaart dat [eisende partij] haar heeft aangenomen, dat [naam 2] (de bestuurder van [bedrijfsnaam 2] ) alleen het tekenen van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan en [eisende partij] het meeste deed. Anders dan [eisende partij] stelt, sluit die verklaring op voorhand niet uit dat hij zich bepaalde bestuursbevoegdheden heeft toegeëigend.
4.8.
Volgens [eisende partij] heeft de curator verder geen bewijs voor zijn vordering overgelegd. De voorzieningenrechter overweegt echter dat de curator ter zitting naar meerdere andere omstandigheden heeft verwezen en in zijn beslagrekest uitdrukkelijk zijn brief van 11 september 2025 als grondslag voor zijn vordering aanmerkt. In die uitgebreide brief heeft de curator onder meer het juridisch kader en allerlei omstandigheden uiteengezet waaruit volgens de curator blijkt dat [eisende partij] feitelijk beleidsbepaler is geweest bij [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] . Zo heeft [eisende partij] volgens de curator onder meer het beheer van de cursusadministratie van [bedrijfsnaam 1] tegen de wens en met uitsluiting van het bestuur van [bedrijfsnaam 1] naar zich toe getrokken, de financiën van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] aan zich getrokken door hun DUO inkomsten een-op-een aan DE over te maken en door de advocaat van [bedrijfsnaam 1] voor een kortgedingprocedure tussen [bedrijfsnaam 1] en de Staat te betalen en zich inhoudelijk in strategisch overleg met die advocaat te mengen. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat [eisende partij] het met die brief absoluut niet eens is en daar bij zijn brieven van 7 oktober 2022, 15 juni 2023 en 28 juni 2023 en in de conclusie van antwoord in de bodemprocedure ook uitgebreid verweer tegen heeft gevoerd. Juist die omvang van de stukken en standpunten van beide kanten maakt dat de voorzieningenrechter in deze voorzieningenprocedure niet kan vaststellen of de vordering van de curator summierlijk ondeugdelijk is. Dat vergt een deugdelijke inhoudelijke beoordeling van die wederzijdse standpunten, de bewijsmiddelen en de waardering van de verklaringen waarop die standpunten zijn gebaseerd. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats.
Het onnodige van het beslag is niet gebleken
4.9.
Volgens [eisende partij] is het beslag op zijn pensioenuitkering onnodig, omdat de curator ook conservatoir beslag op zijn woning heeft gelegd. Die woning is vrij van hypotheek. Hoewel de laatst berekende WOZ-waarde van de woning € 715.000,- is, ligt de marktwaarde hoger. Dat blijkt volgens [eisende partij] uit een desktoptaxatie van Walter Living van 9 juni 2026, waarin de marktwaarde van de woning wordt geschat op € 893.000,-. Volgens [eisende partij] blijkt uit de laatste faillissementsverslagen van beide faillissementen dat het totaal aan erkende vorderingen een bedrag van € 351.489,14 is. De waarde van zijn woning biedt dus voldoende zekerheid, ook als rekening wordt gehouden met de faillissementskosten. Bovendien acht [eisende partij] het waarschijnlijk dat het salaris van de curator gematigd zal worden. Voor zover zijn woning toch onvoldoende zekerheid mocht bieden, is [eisende partij] bereid om aanvullende zekerheid te bieden in de vorm van een pandrecht op een vordering van [eisende partij] op een derde ter hoogte van € 150.000,-.
4.10.
Volgens de curator biedt de woning niet voldoende zekerheid voor een volledige voldoening van zijn vordering die, inclusief opslag, is begroot op één miljoen euro. Hij betwist dat aan de desktoptaxatie evenveel waarde kan worden toegekend als aan een reguliere taxatie, omdat de desktoptaxatie niet kan worden gebruikt bij het aanvragen van een hypotheek. Aan de berekening van die schulden liggen meer vorderingen ten grondslag dan [eisende partij] noemt. Bovendien zijn de faillissementskosten sindsdien verder opgelopen doordat partijen zijn gehoord, conservatoire maatregelen zijn getroffen, de dagvaarding van 150 pagina’s in de bodemprocedure is opgesteld en die procedure nog is niet afgerond. De door [eisende partij] aangeboden aanvullende zekerheid wordt door de curator als onzeker beschouwd, omdat [eisende partij] als pandgever de vordering ook zelf zou kunnen innen.
4.11.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat, als de schuldenaar voldoende verhaal biedt, en er geen verduistering te duchten is, of er op andere wijze zekerheid is voor het verhaal, een beslag als onnodig kan worden aangemerkt, na afweging van de belangen van partijen over en weer. De vraag of een conservatoir beslag onnodig/onrechtmatig is dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de vordering, de waarde van de beslagen goederen en de onevenredigheid waarmee de schuldenaar eventueel door het beslag in zijn belangen wordt getroffen.
4.12.
De voorzieningenrechter overweegt dat het aannemelijk is dat de woning van [eisende partij] voor meer dan de WOZ-waarde kan worden verkocht. Dat de waarde die in de desktoptaxatie wordt genoemd als de te verwachten verkoopwaarde kan worden gehanteerd acht de voorzieningenrechter echter onvoldoende aannemelijk. Bij een desktoptaxatie is er immers geen deskundige geweest die de woning heeft bezocht en gewaardeerd. Aangezien de curator onweersproken heeft betwist dat met de desktoptaxatie een hypotheek kan worden aangevraagd en de waarde van de woning verder nergens uit blijkt, heeft [eisende partij] onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen om van de door hem gestelde waarde uit te gaan. Voor het door [eisende partij] aanvullend aangeboden bewijs van de waarde van de woning is in dit kort geding geen plaats. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet van de door [eisende partij] gestelde waarde van de woning uit zal gaan. Gelet op de aannemelijkheid dat de woning wel voor meer dan de WOZ-waarde kan worden verkocht, gaat de voorzieningenrechter op basis van een globale schatting voorshands uit van een verkoopwaarde van € 800.000,-.
4.13.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat het door [eisende partij] genoemde bedrag van € 351.489,14 als erkende schulden uit de faillissementsverslagen blijkt. Uit die verslagen blijkt echter ook dat een betwiste vordering van € 249.688,09 is ingediend. Aangezien de curator zijn vordering in het beslagrekest, nog voor de daarop te hanteren opslag, heeft begroot op € 794.645,65 heeft de curator ook met die betwiste vordering rekening gehouden. Daarbij komt nog dat de curator ter zitting heeft verklaard dat die laatste begroting van september 2025 is en hij inschat dat de faillissementskosten sindsdien met ongeveer € 200.000,- zijn toegenomen. Hoewel dat bedrag door de curator is geschat en niet door de voorzieningenrechter kan worden geverifieerd, is het wel aannemelijk dat de kosten sinds de laatste begroting zijn toegenomen, onder meer omdat de dagvaarding sindsdien door de curator is opgesteld en uitgebracht. Dat betekent dat het bedrag aan schulden de (globaal geschatte) waarde van de woning van [eisende partij] nu al overstijgt, terwijl de kosten nog verder zullen oplopen. Daarbij is het in deze stand van zaken onvoldoende duidelijk dat het salaris van de curator zal worden gematigd. Dat betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het beslag op de woning van [eisende partij] niet voldoende zekerheid biedt voor de voldoening van de vordering van de curator.
4.14.
De door [eisende partij] aanvullend geboden zekerheid maakt dat niet anders. Met de curator acht de voorzieningenrechter het aangeboden pandrecht namelijk niet voldoende zekerheid bieden. Een pandrecht laat de bevoegdheid van de pandgever om een vordering zelf te innen, over die vordering een betalingsregeling te treffen of die vordering kwijt te schelden namelijk onverlet, zodat de curator niet verzekerd is van de betaling van die vordering.
Vormverzuim geen aanleiding tot opheffing
4.15.
Volgens [eisende partij] moet het beslag ook worden opgeheven vanwege vormverzuimen. Ten eerste omdat artikel 720 Rv voorschrijft dat er bij een beslag op periodieke betalingen, zoals in dit geval zijn pensioenuitkering, de gerekwestreerde gehoord moet worden. Dat is niet gebeurd. Ten tweede omdat de curator het uitgebreide verweer van [eisende partij] slechts in één alinea in het beslagrekest heeft genoemd. Die twee omstandigheden samen hebben ertoe geleid dat het beslag is gelegd op basis van eenzijdige informatie. Vanwege het belang van [eisende partij] moeten die verzuimen tot opheffing van het beslag leiden. Volgens de curator leidt het niet horen van [eisende partij] niet tot nietigheid waardoor opheffing niet aan de orde is. Ook is [eisende partij] al gehoord bij de rechter-commissaris voorafgaand aan de beslaglegging en is een eventueel verzuim hersteld door de mogelijkheid tot horen in deze procedure. De curator betwist dat hij het verweer van [eisende partij] onvoldoende in het beslagrekest heeft toegelicht.
4.16.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 720 Rv inderdaad volgt dat [eisende partij] voor het verlenen van het beslagverlof moet worden gehoord. Dat is niet gebeurd en is dus een verzuim. Dat is echter geen verzuim dat met nietigheid wordt bestraft. Ook een belangenafweging leidt niet tot het oordeel dat het beslag moet worden opgeheven. In de beslagsyllabus is immers opgenomen dat de griffie van de rechtbank [eisende partij] had moeten oproepen. Dat is dus niet de curator. Hoewel in die syllabus ook staat dat het wordt aanbevolen om een verzoek tot beslag op een periodieke uitkering los van andere beslagen te doen, is het dus niet alleen aan de curator te verwijten dat [eisende partij] niet is gehoord. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [eisende partij] op 5 december 2025 bij de rechter-commissaris is gehoord. Hoewel dat niet specifiek ziet op het beslagrekest, heeft hij daaraan voorafgaand al wel een keer zijn standpunten kunnen toelichten. In die omstandigheden is het ontbreken van het horen voor het beslagverlof niet voldoende om opheffing van het beslag te rechtvaardigen.
4.17.
Het standpunt van [eisende partij] dat de waarheids- en substantiëringsplicht door de curator zijn geschonden wordt niet door de voorzieningenrechter gevolgd. Hoewel in het beslagrekest inderdaad in één alinea de verweren van [eisende partij] worden samengevat, blijkt daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel voldoende uit op welke gronden [eisende partij] de vordering betwist. Daarbij geldt dat de curator in zijn brief van 11 september 2025, waarnaar in het beslagrekest uitdrukkelijk wordt verwezen, de brieven en (samengevatte) verweren van [eisende partij] ook noemt en nader behandeld. Dat betekent dat de rechter die het verlof voor het beslag heeft verleend wel kennis heeft kunnen nemen van die verweren van [eisende partij] . Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de curator zijn waarheids- en substantiëringsplicht niet heeft geschonden.
Belangenafweging
4.18.
Volgens [eisende partij] moet de belangenafweging tussen zijn belang bij opheffing van het beslag en het belang van de curator bij handhaving daarvan in zijn voordeel uitvallen. Naast de hiervoor genoemde omstandigheden wijst [eisende partij] erop dat hij en zijn vrouw de inkomsten van zijn pensioenuitkering nodig hebben voor hun dagelijkse kosten. Daarbij geldt dat het beslag hem in zijn goede naam en eer schaadt, omdat zijn pensioenfonds van het bedrijf is waar hij 30 jaar werkzaam is geweest en het beslag op zijn uitkering in de gemeenschap van oud-medewerkers en gepensioneerden bekend is geworden, althans dreigt te worden. Verder heeft de jarenlange procedure een sterk nadelig effect op zijn gezondheid en die van zijn vrouw.
4.19.
Volgens de curator krijgt [eisende partij] elke maand nog een bedrag van € 855,- van zijn pensioenuitkering uitbetaald, zodat niet het gehele pensioen wordt ingehouden. Verder heeft [eisende partij] volgens de curator in totaal alsnog maandelijkse inkomsten van ongeveer € 3.000,- en blijkt uit de Box 3-belasting van [eisende partij] dat hij verder over veel vermogen beschikt.
4.20.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hiervoor is geoordeeld dat geen van de door [eisende partij] aangevoerde grondslagen voor opheffing van het beslag worden gevolgd. Dat betekent dat de curator belang heeft bij handhaving van het beslag voor het geval dat zijn vordering in de bodemprocedure zou worden toegewezen. Daar staat het belang van [eisende partij] tegenover. De voorzieningenrechter begrijpt goed dat [eisende partij] gelet op zijn 83 jarige leeftijd graag onbezorgd van zijn pensioen wil genieten. [eisende partij] heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet zonder zijn gehele pensioenuitkering kan. De curator heeft immers aan de hand van het bericht van de deurwaarder onderbouwd dat [eisende partij] maandelijks nog € 855,- van zijn pensioenuitkering ontvangt en hij en zijn vrouw daarnaast ook nog andere maandelijkse uitkeringen van in totaal € 2.051,- krijgen. Aangezien zij geen hypotheeklasten hebben kunnen zij die inkomsten voor hun dagelijkse kosten gebruiken. Daarbij geldt dat de curator aan de hand van de Box 3-belastingaanslag van [eisende partij] heeft gesteld dat [eisende partij] een Box 3-vermogen van minimaal € 351.573,59 en maximaal € 1.079.874,17 moet hebben. [eisende partij] heeft die stelling betwist, omdat de berekening met behulp van AI is opgesteld. Hij heeft echter niet gemotiveerd op welk vermogen zijn Box 3-belasting dan wel is berekend en hij heeft erkend dat hij voor € 300.000,- aan leningen heeft uitstaan, waarvan hij er één binnen twee jaar wil ontvangen. In die omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eisende partij] onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij niet voldoende middelen tot zijn beschikking heeft om in zijn dagelijkse kosten te voorzien. Dat [eisende partij] door het beslag reputatieschade lijdt is door de curator betwist en acht de voorzieningenrechter overigens ook van onvoldoende belang om opheffing te rechtvaardigen. Dat [eisende partij] en zijn vrouw met gezondheidsproblemen kampen is voor hen erg vervelend, maar ook dat vormt geen rechtvaardiging om het beslag op te heffen. Dat betekent dat de belangenafweging niet in het voordeel van [eisende partij] uitvalt. Zijn vorderingen zullen dus worden afgewezen.
De proceskosten
4.21.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.