Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20740

2026-07-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/09/698753 / HA ZA 26-131
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/698753 / HA ZA 26-131
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering tot vergoeding van in opdracht uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van de totstandkoming van een financiering. In geschil is onder meer of er een vergoeding is overeengekomen in de vorm van een tweedehands BMW en, zo nee, wat een redelijke vergoeding is.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (49.332 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team Handel



Zaaknummer: C/09/698753 / HA ZA 26-131




Vonnis van 22 juli 2026




in de zaak van





[eisende partij]
, te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. G.J. Bruintjes,



tegen




RETAIL INTELLIGENCE B.V., te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Retail,
advocaat: mr. M.V. van der Storm.






1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 19 januari 2026, met de producties 1 tot en met 30;
- de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 3;
- de akte overlegging aanvullende producties van [eisende partij] , met de producties 31 tot en met 40.



1.2.
Op 2 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak nader toegelicht mede aan de hand van de overgelegde spreekaantekeningen, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.



1.3.
Ten slotte is een (nadere) datum voor vonnis bepaald.





2Kern van het geschil


2.1.

[eisende partij] heeft werkzaamheden verricht in het kader van een traject om externe financiering te verkrijgen voor een dochtervennootschap van Retail. Over de hoedanigheid waarin en de voorwaarden waaronder [eisende partij] deze werkzaamheden zou verrichten, zijn vooraf geen afspraken op papier gezet. Nadat een financiering ten behoeve van Retail en haar dochtervennootschap tot stand was gekomen, is tussen partijen een discussie ontstaan over de (hoogte van) de vergoeding die [eisende partij] zou moeten krijgen voor zijn inspanningen ten behoeve van het financieringstraject.



2.2.
In deze zaak vordert [eisende partij] vergoeding van zijn werkzaamheden in de vorm van een auto ter waarde van ongeveer € 33.000, althans een redelijk loon van € 220.000 (althans dit bedrag als vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking). De rechtbank is van oordeel dat [eisende partij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat is afgesproken hij een auto zou krijgen. De rechtbank is verder van oordeel dat [eisende partij] als opdrachtnemer wel een redelijk loon toekomt, maar dat het door hem gevorderde bedrag niet redelijk is. De rechtbank wijst een (substantieel) lager bedrag als redelijk loon toe.





3De feiten


3.1.
Retail is aandeelhouder van Automotive Intelligence B.V. (hierna: AM-i), een bedrijf dat een platform exploiteert voor online en offline processen van ondernemingen binnen de automotive branche. De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is indirect bestuurder en aandeelhouder van Retail.



3.2.
MetaFactory B.V. (hierna: MetaFactory) houdt 10% van de aandelen in Retail. De CEO van MetaFactory is de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] houdt eveneens 10% van de aandelen in Retail. MetaFactory was bij Retail en AM-i betrokken vanaf hun oprichting. MetaFactory stond als software ontwikkelaar (als leverancier) aan de basis van de ontwikkeling door AM-i van eerder genoemd platform.



3.3.

[bedrijfsnaam 1] , ook genaamd [bedrijfsnaam 2] , was het eenmansbedrijf van [eisende partij] , opgericht op 1 augustus 2019 en uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel op 9 december 2024. Bij ‘Activiteiten’ van de onderneming staat vermeld: “Het geven van advies op financieel gebied”.



3.4.
In de loop van 2024 kwam [naam 1] via zijn contactpersoon bij MetaFactory, [naam 2] , in contact met [eisende partij] . [eisende partij] was toen als commercieel manager werkzaam bij MetaFactory. Zijn dagelijkse werkzaamheden bestonden uit sales, klantenbeheer, relatiebeheer en business development.



3.5.
AM-i beschikte als start up onderneming over beperkte financiële middelen om het platform te ontwikkelen. Daarom was in gesprekken tussen [naam 1] en onder meer [naam 2] begin 2024 de financiering van (Retail en) AM-i ter sprake gekomen en de behoefte aan aanvullend kapitaal. [naam 2] adviseerde [naam 1] om zich te laten helpen door [eisende partij] die bij MetaFactory werkzaam was, goed onderlegd zou zijn op financieel terrein en werkzaam was geweest bij Axivate Capital (hierna: Axivate), een private equity onderneming en mogelijke financierder.



3.6.

[eisende partij] heeft contact gelegd met Axivate op 18 maart 2024 en later nog een keer op 5 september 2024. [eisende partij] heeft vervolgens werkzaamheden verricht in het kader van een traject om financiering voor AM-i te krijgen van Axivate. In dit traject werkte [eisende partij] samen met [naam 1] en (andere) functionarissen van Retail en gelieerde ondernemingen. [eisende partij] is niet betrokken geweest bij de onderhandelingen met Axivate over de condities van de te verstrekken financiering.



3.7.
Begin 2025 is een financieringsconstructie ten gunste van Retail en AM-i tot stand gekomen voor een bedrag van € 1.500.000.



3.8.
Op 1 juni 2025 is [eisende partij] uit dienst getreden bij MetaFactory.



3.9.
In WhatsApp berichten tussen [eisende partij] en [naam 1] van 9 juni 2025 staat onder meer het volgende:


[09-06-2025, 20:10:45] [naam 1] : En laten we van de week ff over ons gesprek bellen
(…)
[09-06-2025, 20:12:27] [eisende partij] : Lijkt me fijn. Ik wil het een beetje afronden en kijk naar een
oude kut auto op dit moment
[09-06-2025, 20:14:11] [naam 1] : Doen we maar nogsteeds zie ik geen auto, wel een
bijdrage ;)
(…)
[09-06-2025, 20:14:35] [eisende partij] : Gaan we vast uitkomen”




3.10.
Op 16 juni 2025 hebben [eisende partij] en [naam 1] elkaar telefonisch gesproken. Van dit gesprek heeft [eisende partij] een audio-opname gemaakt. In het door hem overgelegde transcript van die opname staat onder meer:


“[naam 1]
(…)
Maar goed, jij wilde praten? We moeten even het beeld op elkaar alignen?


[eisende partij]


Nou ja, want we hadden natuurlijk een beetje een afspraak. En eh... Ja, ik wil eigenlijk gewoon natuurlijk een beetje gecompenseerd gaan worden voor mijn harde werk, het gebruik van mijn goede naam. En ik denk, ja, we moeten het toch even doen.


[naam 1]


Ja, en ik ook. Alleen het beeld blijft natuurlijk wel. Jij denkt een auto, en ik denk een driewieler. Dat is het probleem.


[eisende partij]


Ja, nou ja, dat is maar... Nou ja, volgens mij had ik gezegd, gewoon zo'n 330e. Die kost zo'n 30k, zo'n ding. Tweedehands.


[naam 1]


Sorry, je valt weg.


[eisende partij]


Oh ja, wacht. Ja, nee, ik zei, we hadden natuurlijk een 330e afgesproken.


[naam 1]


Nee, maar kijk m'n beeld erbij. Wat ik toen ook zei. Ik wil dat het voor beide partijen goed voelt. Dat is duidelijk.


[eisende partij]


Hmm hmm


[naam 1]


Tienduizend euro's voelt voor mij niet goed. M'n beeld was een beetje dat jij aan twintig dacht.


[eisende partij]


Ja, nou ja. Initieel dacht ik aan dertig. En toen kwam je met twintig. Toen dacht ik nou... Als
we het daarmee kunnen afklappen, dan ben ik ook wel tevree.


[naam 1]


Wie kwam er met twintig? Ikke niet hoor, haha


[eisende partij]


Nou, of nee, [naam 2] had dat met jou besproken. Ik weet niet precies hoe dat gelopen was.


[naam 1]


Maar, dan is mijn beeld wel. Nee maar dat is dus wel de uitdaging. Ik denk echt niet in dat soort getallen. Niet omdat ik je dat niet gun, maar A, omdat ik dat gewoon niet verwacht had. En B, a, je hebt er werk voor gedaan en ook veel. Dat ben ik het helemaal mee eens. Maar ik vind dat wel heftig.


[eisende partij]


Maar is dat heftig?


[naam 1]


Ja, tuurlijk. Als ik jou ineens vertel van joh... Ik heb je geholpen, maar het kost 20 ruggen.
Nee, oke.


[eisende partij]


Ik denk dat het zo is. Ik was best wel transparant erin. Ik zei van nou ja... Je vroeg wat wil je ervoor. Ik zei nou een 330e. Toen zei je, nou wat is jouw antwoord, We hebben naar foto's gekeken, naar wat dingen gekeken. En toen ze je nou, “als jij voor mij zorgt, zorg ik voor jou.”
Dus zo opeens...


[naam 1]


Nou het beeld was wel heel anders hè. Mijn beeld toen ik jou met die auto hield? Of wilde helpen? Was gewoon van joh we zoeken een auto uit en ik lever je hem voor inkoop, dat was niet zo'n probleem.


[eisende partij]


Nee, ik had het toen nog bij, toen we bij jou op kantoor zaten.


[naam 1]


Sowieso is een auto een probleem, want dan moet Mulder het betalen en dat gaan ze niet
doen.


[eisende partij]


Ja, dat snap ik. Ik kan ook een bonnetje sturen, dat is ook goed.


[naam 1]


Ja, alleen we zitten wel ver uit elkaar, dat is gewoon het eerlijke verhaal.


[eisende partij]


Kijk, weet je, [naam 1] , als ik heel eerlijk ben, hè. Ik bedoel, het is gewoon door mijn goede
connecties dat dit gebeurd is. Ik heb er echt hard aan getrokken.


[naam 1]


Daar twijfel ik allemaal niet aan. Dat hoef je ook niet te verdedigen. Alleen... En ik wil ook
niet zeggen hé joh we hadden niks afgesproken, het moet nul zijn. Dat voelt voor mij ook
niet goed. Zo sta ik er ook helemaal niet in. Alleen ja, ik vind achteraf gewoon met 20 ruggen komen, dat vind ik gewoon, ja.


[eisende partij]


Ja. Nou maar, laat ik het anders zeggen. Wat vind jij dan een reëel bedrag?


[naam 1]
Ja, maar ik denk dat we daar niet uit komen, en dat is het probleem. Want het reële bedrag, kijk, daar is het punt. Jij komt van, joh, ik heb zoveel werk, het kom uit mijn connecties, oké? En dan is de vervolgvraag van, joh, hoe sta je daarin? Als ik jou ergens mee kan helpen, had ik dat ook gewoon eh, had ik dat gedaan. Maar los daarvan, het hoeft voor mij niet van nul. Alleen, ik heb me nooit beseft in het begin dat dat geld zou kosten. Dat is mijn verhaal. Dus ik kom van nul, en dan voelt iedere euro veel, los van dat ik het je gun. En dat is een heel ander perspectief als van jou, waar je eigenlijk zegt van ik ga van 30 naar 20. En ik heb geen behoefte aan pingelen, zeg maar. Ik wil best roepen waar je, van ik denk ‘nou dan doe ik het super netjes’, maar dat zit zo ver van jouw waarheid af, dat ik denk dat je alleen maar boos op me wordt.


[eisende partij]


Ja. Nou ja, kijk, weet je wat het lastige is [naam 1] ? Volgens mij ben je gewoon best wel handig hierin. En hebben we dit gewoon wel echt afgesproken. Die BMW. Ik bedoel, dat staat symbool voor een waarde. En dan kun je wel zeggen, ja, nu opeens kost het geld.


[naam 1]


Maar effe terugpieten, want dan hebben we echt een ander beeld. Mijn beeld is, we hebben nooit afgesproken dat je een BMW zou krijgen. We hebben het nooit over geld gehad, tot het moment dat het dichtbij kwam. En dat je het ineens over een vergoeding ging hebben. Toen hebben we samen naar een auto gekeken, toen zat ik onder de overkapping. Wat bij mijn beeld oprecht was voor de inkoop.


[eisende partij]


Nee, maar [naam 1] , luister. We hebben in Waddinxveen, voordat we met [naam 3] spraken, vroeg je van ''Wat zit er in voor jou?”. En toen heb ik gezegd dat ik een auto wilde. En toen zei je letterlijk, “als jij voor mij zorgt, zorg ik voor jou”. Of jij hebt daar geen herinneringen aan, maar voor mij is dat het ieder geval...


[naam 1]


Nee, oprecht niet.


[eisende partij]


Maar dan hebben we wel echt een serieus groot probleem. Ja. En ik zit ook te denken om
daar wel echt consequenties aan te gaan verbinden.”




3.11.
Op 20 juni 2025 heeft [eisende partij] aan Retail een ingebrekestelling gestuurd, waarin hij Retail sommeert om uiterlijk op 27 juni 2025 vóór 12:00 uur haar verplichting “tot het betalen van commissie voor het ophalen van financiering” na te komen.



3.12.
Op 27 juni 2025 heeft de advocaat van Retail geantwoord op de ingebrekestelling. Retail stelt zich op het standpunt dat over de betaling en hoogte van enige vergoeding aan [eisende partij] nooit overeenstemming heeft bestaan. Daarnaast stelt Retail dat [eisende partij] de werkzaamheden rondom de financiering voor AM-i in de hoedanigheid van werknemer van MetaFactory heeft verricht en dat Retail (ook) daarom geen vergoeding verschuldigd is aan [eisende partij] .



3.13.
Op 9 juli 2025 heeft de advocaat van [eisende partij] gereageerd op voormelde brief van 27 juni 2025. Namens [eisende partij] is gepersisteerd bij zijn standpunten en Retail wordt gesommeerd om binnen 7 dagen “te bevestigen dat de heer [eisende partij] een vergoeding krijgt van EUR 35.000, althans de aankoopfactuur van een BMW 330E bij uw cliënt mag declareren voor de verrichte diensten met betrekking tot de investering in Retail Intelligence die de heer [eisende partij] bemiddeld en begeleid heeft”. Bij e-mail van 14 augustus 2025 is namens Retail verwezen naar haar eerdere brief van 27 juni 2025.



3.14.
In een e-mail van 1 juli 2025 schrijft [naam 2] aan [eisende partij] :


“Dag [eisende partij] ,



Ik kan bevestigen dat ik van mening was dat het aandragen van de contacten met Axivate capital and [naam] buiten je werkzaamheden voor MetaFactory vielen en ik heb in november ook aan [naam 1] gezegd dat jullie onderling financiële afspraken moesten maken voor het enthousiasmeren van Retail Intelligence en ik me daar verder buiten wil houden.



Ik heb de notulen bij MetaFactory doorgespit maar kan dat verder niet in de notulen vinden.



Groet,

[naam 2] ”




3.15.
In een door [naam 2] ondertekende schriftelijke verklaring van 29 oktober 2025 staat:



“Werkzaamheden en periode

Bij mijn weten is de heer [eisende partij] in de periode van september 2024 tot april 2025 nauw
betrokken geweest bij het aantrekken van investeerders voor Automotive Intelligence B.V. Ik ben altijd in de veronderstelling geweest dat dit in opdracht van Retail Intelligence B.V. is gebeurd. Uiteindelijk hebben de inspanningen en werkzaamheden van de heer [eisende partij] een belangrijke rol gespeeld bij het verkrijgen van een financiering van Axivate Capital IV B.V., van EUR 1.500.000 ten behoeve van Automotive Intelligence B.V.

Hoedanigheid

De heer [eisende partij] heeft deze werkzaamheden verricht op eigen titel en voor rekening van Retail
Intelligence B.V., en niet in zijn hoedanigheid als (voormalig) werknemer van MetaFactory B.V. Als CEO van MetaFactory B.V. was het mij bekend wat de werkzaamheden van de heer [eisende partij] behelsden en het aandragen van Axivate Capital IV B.V. en het leggen van contacten met de heer [naam] viel buiten de reguliere werkzaamheden die de heer [eisende partij] voor MetaFactory B.V. verrichtte. Deze werkzaamheden geschiedden voor eigen rekening, in zijn eigen tijd en via zijn persoonlijke netwerk. MetaFactory B.V. heeft de heer [eisende partij] in elk geval geen opdracht gegeven voor deze bemiddelingswerkzaamheden. Het stond de heer [eisende partij] , wat MetaFactory B.V. betreft, vrij om dit in zijn eigen tijd te doen.

Afspraken over vergoeding

In een gesprek met zowel de heer [eisende partij] en de heer [naam 1] (bestuurder van Retail Intelligence B.V.) heb ik aangegeven dat zij onderling afspraken dienden te maken over een passende vergoeding voor deze werkzaamheden. Mijn veronderstelling was dat dit gebeurd is. Ik heb altijd van de heer [eisende partij] begrepen dat hij een specifieke auto, een BMW zou ontvangen.“




3.16.
In een e-mail van 6 oktober 2025 schrijft [eisende partij] aan de directeur van Lemo-Koepels Europe B.V.:


“In navolging van ons (zeer gezellige) overleg stuur ik je hierbij een samenvatting en een kostenraming voor het adviseren bij de aankoop van Daglicht Techniek B.V. (“DT”).



(…)




Voorgestelde stappen


1. Beeld vormen van de reden van verkoop van DT en dit toetsen. (…)
2. Bestuderen van contracten en financiële stukken (due diligence).
3. Analyseren, financieel modelleren en adviseren inzake de overname.


Het is lastig vooraf in te schatten hoeveel uur dit kost; dit hangt sterk af van wat er wordt aangeleverd. Ter volledigheid: ik ben geen jurist.



Ik reken € 175 per uur excl. btw en stuur elke 40 uur een korte voortgangsupdate, zodat de kosten beheersbaar blijven.”



Lemo-Koeles antwoordt hierop per e-mail van 8 oktober 2025: “Zoals besproken en overeen gekomen hierbij opdracht voor je aanbieding.”.






4Het geschil


4.1.

[eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: Retail veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst tussen [eisende partij] en Retail, bestaande uit het leveren aan [eisende partij] van een tweedehands BMW 330E Touring, dan wel bij blijvende onmogelijkheid tot nakoming (artikel 6:74 lid 2 BW) een vervangende schadevergoeding van € 35.000, vermeerderd met de wettelijke rente;
2. subsidiair: Retail veroordeelt tot betaling van een redelijk loon van € 220.000 op grond van artikel 7:405 lid 2 BW, vermeerderd met de wettelijke rente;
3. meer-subsidiair: Retail veroordeelt tot betaling van een redelijke vergoeding van€ 220.000 op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW), vermeerderd met de wettelijke rente;
4. Retail veroordeelt in de door [eisende partij] daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten met betrekking tot dit geschil, te weten € 7.242,47 plus p.m.;
5. Retail veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot de dag van volledige voldoening.



4.2.
Hieraan legt [eisende partij] , samengevat, primair ten grondslag dat hij in opdracht van Retail gedurende een periode van ruim een jaar (van maart 2024 tot april 2025) bemiddelings-werkzaamheden heeft verricht die hebben geleid tot een financiering door Axivate aan Retail en AM-i van € 1.500.000. [eisende partij] is met Retail (in de persoon van [naam 1] ) op 18 november 2024 overeengekomen dat [eisende partij] als vergoeding voor zijn werkzaamheden een tweedehands BMW 330E Touring met een waarde van € 30.000 tot € 35.000 zou ontvangen. [eisende partij] vordert nakoming van deze overeenkomst. Voor het geval Retail de levering van deze auto blijvend niet kan nakomen, vordert [eisende partij] vervangende schadevergoeding. De schade bestaat uit de waarde van de overeengekomen prestatie van € 35.000. De overeenkomst voldoet aan alle vereisten van een bemiddelingsovereenkomst, dan wel een overeenkomst van opdracht in het algemeen. Als niet zou komen vast te staan dat partijen een auto als vergoeding zijn overeengekomen, stelt [eisende partij] (subsidiair) dat hij recht heeft op een redelijk loon voor zijn werkzaamheden ex artikel 7:405 BW. Een redelijk loon bedraagt de som van een vaste fee van € 80.000 plus een success fee van € 140.000, dus € 220.000, aldus [eisende partij] . Mocht er tussen partijen geen sprake zijn van een overeenkomst van opdracht, stelt [eisende partij] (meer subsidiair) dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) en vordert hij op die grond het bedrag van € 220.000 als vergoeding.



4.3.
Retail concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren proceskostenveroordeling van [eisende partij] .



4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


5.1.
Niet in geschil is dat [eisende partij] gedurende enige tijd werkzaamheden heeft uitgevoerd in het kader van een traject dat heeft geleid tot een financiering voor Retail en haar dochtervennootschap AM-i. Partijen twisten over de vraag of Retail [eisende partij] een vergoeding is verschuldigd voor zijn inspanningen en zo ja, welke c.q. tot bedrag.



Primaire vordering





5.2.

[eisende partij] stelt dat hij met [naam 1] (namens Retail) afspraken heeft gemaakt over de vergoeding die hij zou krijgen voor zijn werkzaamheden voor Retail en dat die afspraken inhouden dat hij een tweedehands BMW 330E Touring (hierna: de BWM) zou krijgen. Retail betwist dat die afspraak is gemaakt. Op grond van artikel 150 Rv is het aan [eisende partij] om het bestaan en de inhoud van de overeenkomst op de rechtsgevolgen waarvan hij zich beroept (dus: de afspraak over het krijgen van de BMW), te onderbouwen en, indien van toepassing, te bewijzen.



5.3.
Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij één of meer partijen tegenover een of meer anderen een verbintenis aangaan (artikel 6:213 BW). Een rechtshandeling is een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (artikel 3:33 BW). In deze zaak bestaat discussie over de vraag of Retail (en namens haar: [naam 1] ) de verbintenis op zich heeft genomen om [eisende partij] de BMW te geven, als tegenprestatie voor de inspanningen van [eisende partij] in het financieringstraject voor Retail en AM-i. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen (in dit geval: of [naam 1] heeft toegezegd dat [eisende partij] de BMW zou krijgen), is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden.



5.4.
Uit de processtukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, leidt de rechtbank af dat bij aanvang van de werkzaamheden van [eisende partij] voor Retail in maart 2024 geen afspraken zijn gemaakt over de aard van de rechtsverhouding en ook niet over een vergoeding voor de inspanningen van [eisende partij] . Initieel zou [eisende partij] , zo begrijpt de rechtbank, vanwege zijn connecties bij Axivate, alleen het contact leggen voor Retail en meekijken bij het opstellen van financiële stukken. Gaandeweg bleek dat [eisende partij] meer tijd stak in zijn werkzaamheden voor Retail dan beide partijen op voorhand hadden verwacht.



5.5.

[eisende partij] stelt dat hij op 18 november 2024 met [naam 1] heeft afgesproken dat [eisende partij] de BWW zou krijgen van Retail als vergoeding voor zijn werkzaamheden in het financieringstraject. Het gesprek hierover zou hebben plaatsgevonden op het kantoor van AM-i in Waddinxveen, vlak voor de presentatie bij Axivate, waar [eisende partij] ook bij betrokken was. Retail heeft daartegenover gesteld dat AM-i toen nog geen eigen kantoorruimte had, maar dat er rond 18 november 2024 wel een kennismaking met Axivate heeft plaatsgevonden bij Mulder Mazda in Waddinxveen waar [eisende partij] ook bij was. Retail betwist dat [naam 1] bij die gelegenheid met [eisende partij] heeft gesproken over de BMW als beloning voor [eisende partij] . Voor deze stelling van [eisende partij] is naar het oordeel van de rechtbank ook geen steun te vinden in de overgelegde stukken.



5.6.
Wat naar het oordeel van de rechtbank wel is af te leiden uit de stukken (zie r.o. 3.9 en 3.10) en uit wat partijen ter zitting hebben verklaard, is dat [eisende partij] en [naam 1] in april 2025 over de BWM (en andere auto’s) hebben gesproken. Dit was een gesprek via een videoverbinding die [naam 1] voerde vanuit zijn tuin (onder de overkapping). De rechtbank is echter van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat op 18 november 2024 of in april 2025 is afgesproken dat [eisende partij] de BWM geleverd zou krijgen als vergoeding voor zijn werkzaamheden voor Retail.



5.7.

[eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een geluidsfragment overgelegd en een transcript daarvan (zie r.o. 3.10). Dit betreft de opname van een telefoongesprek tussen [eisende partij] en [naam 1] op 16 juni 2025. Ook dit geluidsfragment biedt geen steun voor de stelling van [eisende partij] , dat is afgesproken dat hij de BMW zou ontvangen als vergoeding voor zijn inspanningen voor Retail. Dat geldt te meer, nu voor de weging van wat er in het gesprek wordt gezegd, relevant is dat [eisende partij] wist dat hij het gesprek opnam, maar [naam 1] niet. [naam 1] draait er niet omheen dat hij vindt dat [eisende partij] goed werk heeft gedaan en dat hem iets toekomt, maar het is naar het oordeel van de rechtbank ook heel duidelijk dat [naam 1] , zoals hij zegt, “vanaf 0” komt, omdat initieel geen vergoeding zou zijn afgesproken én dat [naam 1] het eerdere telefoongesprek met [eisende partij] in april 2025 over de BMW heel anders heeft bedoeld en begrepen dan hoe [eisende partij] dit in het telefoongesprek van 16 juni 2025 uitlegt.



5.8.
Duidelijk is dat [eisende partij] van het bestaan van een afspraak over de BMW overtuigd was en is. De verklaring van [naam 2] (zie r.o. 3.15) bevestigt dat ook. De (stellige) overtuiging van [eisende partij] en de op basis van zijn informatie afgelegde verklaring van [naam 2] (“Ik heb altijd van de heer [eisende partij] begrepen dat hij een specifieke auto, een BMW zou ontvangen.”), kunnen echter niet dienen als onderbouwing van de stellingen van [eisende partij] . De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [naam 1] namens Retail akkoord is gegaan met (of: dat wilsovereenstemming bestond over) een beloning van [eisende partij] in de vorm van het in eigendom verkrijgen van de BMW. Dit leidt ertoe dat de primaire vordering zal worden afgewezen.



Subsidiaire vordering





5.9.
De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van de subsidiaire vordering tot betaling van een redelijk loon van € 220.000 op grond van artikel 7:405 lid 2 BW. [eisende partij] voert – kort gezegd – aan dat Retail hem loon verschuldigd is omdat sprake is van een bemiddelingsovereenkomst dan wel een overeenkomst van opdracht tussen hem en Retail.



Wie zijn contractspartijen?





5.10.
Retail heeft onder meer aangevoerd dat bij haar de indruk bestond dat [eisende partij] de werkzaamheden in het kader van het aantrekken van de financiering voor AM-i heeft verricht als medewerker van MetaFactory, omdat [naam 2] wilde dat [eisende partij] dat zou doen. Voor zover Retail hiermee wil betogen dat niet [eisende partij] zelf, maar MetaFactory als opdrachtnemer heeft te gelden, wordt zij hierin niet gevolgd.



5.11.
Het antwoord op de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst met een ander in eigen naam (in dit geval: [eisende partij] ) of namens een derde (in dit geval: MetaFactory) is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.



5.12.
In dit geval acht de rechtbank van belang dat uit de stukken en uit wat ter zitting is besproken niet blijkt dat [eisende partij] een opdracht van Retail namens MetaFactory heeft aanvaard. Dat [eisende partij] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden voor Retail gebruik maakte van zijn e-mailadres van MetaFactory legt daarvoor onvoldoende gewicht in de schaal. Verder is van belang dat [eisende partij] bij MetaFactory werkzaam was als commercieel manager, maar dat hij is verzocht werkzaamheden voor Retail te verrichten vanwege zijn netwerk binnen Axivate en zijn financiële kennis. Daarnaast weegt mee dat (de CEO van) MetaFactory beoogd heeft dat [eisende partij] zijn werkzaamheden voor Retail zou uitvoeren buiten zijn dienstverband met MetaFactory (zie r.o. 3.14 en 3.15). Tot slot is ter zitting namens Retail verklaard dat haar bekend was dat de werkzaamheden die [eisende partij] voor Retail verrichtte in het kader van het financieringstraject, buiten zijn normale werkzaamheden voor MetaFactory vielen. Op basis van dit alles is de rechtbank van oordeel dat [eisende partij] de werkzaamheden voor Retail heeft uitgevoerd in eigen naam.



Wat is de aard van de rechtsverhouding?





5.13.
De vraag is dan hoe de rechtsverhouding tussen [eisende partij] en Retail moet worden gekwalificeerd. [eisende partij] stelt zich primair op het standpunt dat tussen partijen een bemiddelingsovereenkomst (artikel 7:425 BW) tot stand is gekomen. Retail betwist dat. De definitie van de bemiddelingsovereenkomst bevat de volgende drie elementen: a) de opdracht aan de opdrachtnemer moet betrekking hebben op het als tussenpersoon werkzaam zijn bij het tot stand brengen van (een) overeenkomst(en), b) de overeenkomst die de tussenpersoon voorbereidt, wordt aangegaan in naam en voor rekening van de opdrachtgever en c) de tussenpersoon is tegen loon werkzaam. Blijkens artikel 7:426 BW geldt voor wat betreft het loon bij bemiddeling in beginsel het ‘no cure no pay’ principe.



5.14.
Zoals hiervoor al is geconstateerd, zijn partijen het erover eens dat bij de start van de rechtsverhouding tussen [eisende partij] en Retail, niet is afgesproken dat of hoeveel loon [eisende partij] zou ontvangen voor zijn diensten (r.o. 5.4). Daarnaast is [eisende partij] in de eerste plaats via [naam 2] door Retail ingeschakeld om contact te leggen met Axivate en mee te kijken met financiële stukken. Volgens Retail was dat een geste aan Retail vanuit de werkgever van [eisende partij] (MetaFactory) (zie ook r.o. 5.10-5.12). Gaandeweg zijn de diensten van [eisende partij] voor Retail uitgebreid (zie daarover ook r.o. 5.4 en hierna r.o. 5.25) en zou gezegd kunnen worden dat de werkzaamheden van [eisende partij] gericht waren op het tot stand brengen van een overeenkomst tussen de opdrachtgever en een derde (te weten: een financieringsovereenkomst tussen Retail en Axtivate). Alles afwegende is de rechtbank echter van oordeel dat Retail niet heeft beoogd (dus: haar wil was niet gericht op dit rechtsgevolg) [eisende partij] in te schakelen als bemiddelaar met het oog op het tot stand brengen van een financieringsovereenkomst voor haar en AM-i. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bemiddelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:425 BW.



5.15.
De vraag is dan of sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [eisende partij] en Retail, zoals bedoeld in artikel 7:400 BW. De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken. Daarvan is hier naar het oordeel van de rechtbank sprake. [eisende partij] heeft immers op verzoek en ten behoeve van Retail werkzaamheden verricht die niet vallen onder de in artikel 7:400 BW genoemde categorieën en zonder dat hij bij Retail in dienst was. Zie over de aard van de werkzaamheden van [eisende partij] ook r.o. 5.25.



5.16.
Een overeenkomst van opdracht kan om niet zijn aangegaan. Als de overeenkomst door de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, is de opdrachtgever hem loon verschuldigd (artikel 7:405 lid 1 BW). De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is dus of [eisende partij] bij het uitvoeren van de opdracht voor Retail handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. [eisende partij] stelt dat dit het geval is, en Retail betwist dat.



5.17.
De rechtbank is van oordeel dat de uitdrukking “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” in deze bepaling ruim moet worden opgevat en dat sprake is van handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf als de opdrachtnemer niet handelde als privé-persoon of consument.



5.18.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij] is ingeschakeld in het traject om een financiering voor AM-i te verkrijgen vanwege zijn connecties bij Axivate én vanwege zijn financiële kennis en ervaring. Evenmin staat ter discussie dat [eisende partij] onder de vlag van zijn eenmanszaak tijdens zijn dienstverbanden met andere werkgevers dan MetaFactory losse ‘financieringsklussen’ ernaast deed waarvoor hij betaald kreeg. Ook nadat [eisende partij] zijn dienstverband bij MetaFactory en zijn eenmanszaak had beëindigd, heeft hij ten minste één financiële opdracht gedaan (zie r.o. 3.16). Op basis hiervan concludeert de rechtbank dat [eisende partij] de opdracht van Retail voor het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van het verkrijgen van een financiering voor AM-i heeft verricht in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.



Wat is een ‘redelijk loon’?





5.19.
Nu vaststaat dat [eisende partij] en Retail een overeenkomst van opdracht hebben gesloten en [eisende partij] , in de uitvoering van zijn beroep of bedrijf, ook daadwerkelijk werkzaamheden voor Retail heeft uitgevoerd (naar niet ter discussie staat: naar tevredenheid van Retail) is Retail aan [eisende partij] loon verschuldigd. De vraag is hoe hoog dat loon is.



5.20.
Nu partijen over de hoogte van het loon geen afspraken hebben gemaakt, is Retail als opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd aan [eisende partij] (artikel 7:405 lid 2 BW). Wat een redelijk loon is, hangt af van de aard van de opdracht en de - zo nodig schattenderwijs te bepalen - omvang van de verrichte werkzaamheden en van wat in de branche in het algemeen gebruikelijk is. In beginsel geldt dat de opdrachtnemer zal moeten stellen welke werkzaamheden zijn verricht. Wanneer het redelijk loon niet nauwkeurig kan worden berekend, mogen geen hoge eisen worden gesteld aan de stelplicht van de opdrachtnemer en de motivering door de rechter van het uiteindelijke oordeel over het redelijke loon.



5.21.

De rechtbank is met Retail van oordeel dat het door [eisende partij] gevorderde bedrag van
€ 220.000 in dit geval geen ‘redelijk loon’ is zoals bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW. Dat blijkt alleen al uit het feit dat [eisende partij] zelf een auto ter waarde van € 33.000 – € 35.000 redelijk vond voor zijn werkzaamheden. Daarnaast blijkt uit het transcript van het telefoongesprek van 16 juni 2025 dat [eisende partij] akkoord wilde gaan met een vergoeding van € 20.000 (zie r.o. 3.10). De rechtbank zal in het hiernavolgende op basis van aanknopingspunten in het dossier het redelijke loon bepalen.





Periode




5.22.
Voor wat betreft de periode waarover loon verschuldigd is gaat de rechtbank, evenals [eisende partij] zelf, uit van september 2024 tot en met april 2025, dus acht maanden. Partijen zijn het er immers over eens dat [eisende partij] in deze periode inspanningen heeft verricht voor Retail, in het kader van het verkrijgen van een financiering voor AM-i, die het leggen van contact met Axivate en het meekijken met financiële stukken te buiten gingen.



Tarief




5.23.


[eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn subsidiaire vordering van € 220.000 een onderzoek aangehaald naar de tarieven van Europese M&A specialisten. Daaruit zou volgen dat een redelijk loon voor [eisende partij] zou bestaan uit een vaste maandelijkse fee van
€ 10.000 (dus in totaal € 80.000) plus een success fee van € 140.000. [eisende partij] knoopt in zijn berekening aan bij hoogste tarieven die worden gehanteerd door de in dat onderzoek vermelde M&A specialisten. De rechtbank is - evenals Retail - echter van oordeel dat dit rapport en de daarin vermelde tarieven niet representatief zijn voor de aard van de werkzaamheden van [eisende partij] en de omstandigheden waaronder hij daarvoor is ingeschakeld. [eisende partij] is weliswaar ingeschakeld vanwege zijn financiële kennis en ervaring, en Retail heeft daarvan bij de uitvoering van de opdracht ook geprofiteerd. [eisende partij] is echter niet ingehuurd als M&A specialist. Daarbij komt dat bij de aanvang van de opdracht geen afspraken zijn gemaakt over een beloning voor [eisende partij] , of over de hoogte van een (uur)tarief. De rechtbank acht het onder die omstandigheden niet redelijk om achteraf een – vergeleken met de rest van de markt - hoog specialistentarief te rekenen.




5.24.
Uit de processtukken leidt de rechtbank af dat [eisende partij] in oktober 2025 voor een financiële opdracht (advisering rondom de aankoop van een besloten vennootschap) een uurtarief van € 175 rekende (zie r.o. 3.16). Nu dit niet lang na de periode van de uitvoeringen van de opdracht voor Retail was en de werkzaamheden van [eisende partij] soortgelijk zijn (zie ook r.o. 5.25), is de rechtbank van oordeel dat een uurtarief van € 175 (ook) voor de werkzaamheden van [eisende partij] voor Retail redelijk is.



Werkzaamheden en tijdbesteding




5.25.

[eisende partij] heeft een overzicht van zijn werkzaamheden overgelegd die hij achteraf heeft opgesteld. Uit de processtukken en uit wat ter zitting is besproken leidt de rechtbank af dat partijen het erover eens zijn dat [eisende partij] tijd heeft besteed aan het aanpassen/aanvullen van het door Groenewegen-Lukaart opgestelde informatiememorandum over AM-i, aan het opstellen van een presentatie voor Axivate, aan het modelleren en presenteren van de financiële gegevens van AM-i/Retail en aan berekeningen en andere stukken (waaronder de concept-jaarrekening 2024 van AM-i) betreffende de (financiële) waardering van AM-i.



5.26.

[eisende partij] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zijn uren voor Retail niet heeft bijgehouden, maar dat hij naar schatting aan de werkzaamheden voor Retail 200 tot 300 uur heeft besteed. Namens Retail zijn de juistheid en redelijkheid van deze schatting betwist en is aangevoerd dat en waarom een besteding van 100 uur voor werkzaamheden als door [eisende partij] verricht (maximaal) redelijk zijn. Dat urenaantal is door [eisende partij] vervolgens niet weersproken. De rechtbank zal bij de bepaling van het redelijk loon van [eisende partij] voor zijn werkzaamheden voor Retail in het kader van het verkrijgen van een financiering ten behoeve AM-i dan ook uitgaan van 100 gewerkte uren tegen een uurtarief van € 175. Zij stelt het door Retail aan [eisende partij] verschuldigde loon dus vast op € 17.500.



Wettelijke rente





5.27.

[eisende partij] heeft (subsidiair) betaling van een redelijk loon gevorderd, “vermeerderd met de wettelijke rente”. Partijen hebben geen standpunten ingenomen over de vraag welke wettelijk rente hier aan de orde is. Omdat artikel 6:119a BW (wettelijke handelsrente) van dwingend recht is, zal de rechtbank deze bepaling ambtshalve toepassen. Het gaat hier immers om een overeenkomst om baat die een partij verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een natuurlijke persoon die handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een rechtspersoon.



5.28.
Partijen hebben ook geen standpunten ingenomen over de ingangsdatum van de wettelijke (handels)rente. Gelet op de formulering van de verplichting van Retail in de sommatiebrieven namens [eisende partij] (zie r.o. 3.11 en 3.13) ziet de rechtbank daarin geen aanknopingspunt voor de datum waarop de wettelijke rente over de verplichting tot betaling van het hiervoor vastgestelde redelijke loon is gaan lopen. De rechtbank zal daarom uitgaan van de datum van de dagvaarding die deze procedure heeft ingeleid (19 januari 2026).



Meer subsidiaire vordering





5.29.
Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de meer subsidiaire vordering van [eisende partij] .



Vordering tot vergoeding van volledige proceskosten





5.30.

[eisende partij] heeft (onder 4 van het petitum) gevorderd Retail te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten van [eisende partij] met betrekking tot dit geschil. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.



5.31.

Uitgangspunt is dat de verliezende partij wordt veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij die worden begroot conform het liquidatietarief. Een volledige vergoedingsplicht van de proceskosten is denkbaar, maar alleen in ‘buitengewone omstandigheden’. Een vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten van de wederpartij is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
De rechtbank is van oordeel dat uit dit juridisch kader moet worden afgeleid dat ook een gedaagde partij pas kan worden veroordeeld tot vergoeding van de volledige proceskosten van de eiser als sprake is van ‘buitengewone omstandigheden’, soortgelijk aan die zoals hiervoor bedoeld.




5.32.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat Retail haar standpunten in (de aanloop naar) deze procedure heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Het was, met andere woorden, niet ontoelaatbaar dat Retail haar – in dit vonnis deels onjuist gebleken, althans als onjuist beoordeelde – standpunten heeft verdedigd. De vordering van [eisende partij] onder 4. zal daarom worden afgewezen.



Proceskosten en wettelijke rente





5.33.
Retail is te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisende partij] betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden als volgt begroot, waarbij de rechtbank voor het toepasselijke liquidatietarief aansluit bij de waarde van de primaire (hoofd)vordering van [eisende partij] :










- dagvaarding



€



155,67







- griffierecht


€


2.803,00







- salaris advocaat


€


1.672,00


(2 punten x tarief III)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


4.819,67











5.34.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





6De beslissing


De rechtbank



6.1.
veroordeelt Retail om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 19 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;



6.2.
veroordeelt Retail in de proceskosten van € 4.819,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Retail niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



6.3.
veroordeelt Retail in de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.




Burgerlijk Wetboek


Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering


Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex), en HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6319 (Van Regteren/VGK).


Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden, 12 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:102.


Vgl. Hof Leeuwarden 28 december 1994, ECLI:NL:GH:1994:AD2279 (Dijkstra/Euro Invest).


Vgl. Asser/Sieburgh 6-III 2022/500.


Vgl. HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3140, r.o. 3.3.2.


Zie HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1680.


Firmex & DealCircle – European M&A Fee Guide 2024-2025.


Vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600 (K./Rabobank).


Zie Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 36.


Zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, r.o. 5.1 en 5.2.