Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20728
2026-07-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.39110
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
59a, Indien er signalen zijn dat een vreemdeling psychisch niet in staat is om zijn belangen adequaat kenbaar te maken, mag de minister niet zonder meer aannemen dat hij is gehoord in de zin van artikel 5.2 van het Vb. In dergelijke gevallen rust op de minister de plicht om zich op een andere manier in te spannen om voldoende kennis te vergaren over de belangen van de vreemdeling, maatregel niet zorgvuldig voorbereid, gegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:1710 Raad van State 15-06-2022
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24959 Rechtbank Den Haag 18-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24959 Rechtbank Den Haag 18-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (12.854 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39110
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet niet aan de voorwaarden. De minister had moeten kiezen voor een lichter middel. Er bestaat reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 13 juli 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen bij de rechtbank in Groningen maar heeft een afstandsverklaring ondertekend. Zijn gemachtigde heeft de behandeling via telehoren (Teams) bijgewoond. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting aangehouden om de minister in de gelegenheid te stellen een proces verbaal van bevindingen in te dienen. Namens eiser zijn daarna nog aanvullende gronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 24 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMBV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, in bewaring stellen. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMBV en er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Is de maatregel voldoende zorgvuldig voorbereid?
5. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd, omdat de minister eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling niet volledig heeft gehoord en daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld. Het gehoor is voortijdig afgebroken en nagelaten is eiser op een later moment alsnog te horen. Ook is geen arts geraadpleegd of is onderzocht waardoor eiser niet aanspreekbaar was.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van eiser blijkt dat hij zich bij het gehoor ernstig heeft misdragen en dat het gehoor hierom terecht is afgebroken. De minister heeft ter zitting gesteld dat uit navraag is gebleken dat eiser ook naderhand niet in staat bleek het gehoor te vervolgen. Hij was op de grond in slaap gevallen en was niet wakker te krijgen. Daarom was het niet mogelijk om het gehoor te hervatten. In de maatregel is bovendien meegewogen wat bij het gehoor is opgemerkt en gezien en dat eiser daarnaast is gewezen op de medische voorzieningen in het detentiecentrum in Rotterdam. Ook heeft de minister gesteld dat het voorafgaand aan de overplaatsing naar detentiecentrum Rotterdam alsnog niet mogelijk bleek om eiser te horen, omdat hij slapend zou zijn vervoerd.
7. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser naast korte antwoorden, onsamenhangende, of niet ter zake doende antwoorden gaf. Eiser heeft tijdens vragen over zijn inreis in Europa onder andere verklaard: “Toen stuurden ze twee duivels op mij af. Het is van God, dat weet ik.”Vervolgens heeft hij bij de vraag waarom hij naar Nederland is gekomen, verklaard: “Ik ben gekomen omdat ik Nederland al ken. Ik had al eerder moeten komen. God wilde het zo, ik hoorde mijn naam hier. Ik weet dat ze me hier terug naar Afrika kunnen helpen.”Daarna heeft eiser verklaard dat hij bij terugkeer naar België de waarheid zal zeggen ”ook al zullen ze me doden. Als ik terug moet zal ik alle Belgen doden. Ze hebben me al het kwaad van de wereld aangedaan.” en vervolgens verklaard: “Ze zeggen dat ik de duivel ben, maar ze sturen juist duivels op mij af.” In Antwerpen heb ik de koningin ontmoet en misschien wel de koning. Ze hebben de duivels op mij afgestuurd in België! Ik ga ze allemaal vermoorden.”
8. De rechtbank betrekt bij haar overwegingen ook het proces-verbaal, opgemaakt op 21 juli 2026, over de inbewaringstelling van 13 juli 2026. De verbalisant heeft vastgelegd dat eiser in een soort trance zou zijn geraakt en dat het niet lukte om tot hem door te dringen, dat eiser vervolgens in slaap is geraakt en dat het de arrestantenverzorgers niet is gelukt om hem wakker te krijgen. Ook staat hierin vermeld dat dit de reden is dat de verbalisant het gehoor niet heeft kunnen hervatten. De rechtbank leidt daaruit af dat niet is geprobeerd het gehoor op een later moment, of de volgende ochtend te hervatten. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat een arts of verpleegkundige eiser heeft bezocht en onderzocht.
9. Verder blijkt uit de maatregel dat op de vragen A, C en D in de rubriek ‘Uw zienswijze’ geen zienswijze is gegeven, dat is getracht eiser hierover uit te vragen maar dat het gehoor door eisers gedrag moest worden gestaakt.
10. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 15 juni 2022, is het horen van de vreemdeling als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Vb een essentieel onderdeel van de voorbereiding van de maatregel van bewaring. Daarmee stelt de minister de vreemdeling in de gelegenheid zijn zienswijze te geven op de voorgenomen maatregel en zijn persoonlijke belangen naar voren te brengen. Indien er signalen zijn dat een vreemdeling psychisch niet in staat is om zijn belangen adequaat kenbaar te maken, mag de minister niet zonder meer aannemen dat hij is gehoord in de zin van artikel 5.2 van het Vb. In dergelijke gevallen rust op de minister de plicht om zich op een andere manier in te spannen om voldoende kennis te vergaren over de belangen van de vreemdeling. Uit genoemde Afdelingsuitspraak blijkt dat de minister deze verplichting in die zaak had ingevuld door onder andere vooraf contact op nemen met de gemachtigde van de vreemdeling, medische informatie op te vragen en ook bekende informatie uit eerdere procedures te betrekken.
11. In onderhavige zaak is eiser niet bekend door eerdere procedures in Nederland maar er had wel contact gezocht kunnen worden met de gemachtigde van eiser, om in ieder geval haar zienswijze te geven en haar ervan op de hoogte te stellen dat het gehoor vroegtijdig was afgebroken. In dit geval blijkt niet dat de minister, ondanks de aanwezige signalen voorafgaand aan het opleggen van de maatregel, dergelijke inspanningen heeft verricht. Ook blijkt niet dat is onderzocht of eiser in staat was om het gehoor op verantwoorde wijze te ondergaan. Uit het proces verbaal van 21 juli 2026 blijkt niet dat is onderzocht of het gehoor vervolgd kon worden of dat eiser is gezien door een arts.
12. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de maatregel van bewaring niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was met ingang van 13 juli 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van vandaag, 24 juli 2026.
Schadevergoeding en proceskosten
13. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,00 (verblijf politiecel) en 10 x € 120,00 (verblijf detentiecentrum) = € 1.360,00.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 juli 2026;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.360,00, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Hierna: bewaring.
Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Asiel- en migratiebeheerverordening.
Zie artikel 44 van de AMBV, artikel 59a, eerste lid, van de Vw en artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMBV en artikel 59c, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c, tweede lid, van de Vw.
Pagina 2, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
Pagina 3, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
Pagina 4, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
Pagina 4, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:1710.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39110
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet niet aan de voorwaarden. De minister had moeten kiezen voor een lichter middel. Er bestaat reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 13 juli 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen bij de rechtbank in Groningen maar heeft een afstandsverklaring ondertekend. Zijn gemachtigde heeft de behandeling via telehoren (Teams) bijgewoond. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting aangehouden om de minister in de gelegenheid te stellen een proces verbaal van bevindingen in te dienen. Namens eiser zijn daarna nog aanvullende gronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 24 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMBV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, in bewaring stellen. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMBV en er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Is de maatregel voldoende zorgvuldig voorbereid?
5. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd, omdat de minister eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling niet volledig heeft gehoord en daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld. Het gehoor is voortijdig afgebroken en nagelaten is eiser op een later moment alsnog te horen. Ook is geen arts geraadpleegd of is onderzocht waardoor eiser niet aanspreekbaar was.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van eiser blijkt dat hij zich bij het gehoor ernstig heeft misdragen en dat het gehoor hierom terecht is afgebroken. De minister heeft ter zitting gesteld dat uit navraag is gebleken dat eiser ook naderhand niet in staat bleek het gehoor te vervolgen. Hij was op de grond in slaap gevallen en was niet wakker te krijgen. Daarom was het niet mogelijk om het gehoor te hervatten. In de maatregel is bovendien meegewogen wat bij het gehoor is opgemerkt en gezien en dat eiser daarnaast is gewezen op de medische voorzieningen in het detentiecentrum in Rotterdam. Ook heeft de minister gesteld dat het voorafgaand aan de overplaatsing naar detentiecentrum Rotterdam alsnog niet mogelijk bleek om eiser te horen, omdat hij slapend zou zijn vervoerd.
7. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser naast korte antwoorden, onsamenhangende, of niet ter zake doende antwoorden gaf. Eiser heeft tijdens vragen over zijn inreis in Europa onder andere verklaard: “Toen stuurden ze twee duivels op mij af. Het is van God, dat weet ik.”Vervolgens heeft hij bij de vraag waarom hij naar Nederland is gekomen, verklaard: “Ik ben gekomen omdat ik Nederland al ken. Ik had al eerder moeten komen. God wilde het zo, ik hoorde mijn naam hier. Ik weet dat ze me hier terug naar Afrika kunnen helpen.”Daarna heeft eiser verklaard dat hij bij terugkeer naar België de waarheid zal zeggen ”ook al zullen ze me doden. Als ik terug moet zal ik alle Belgen doden. Ze hebben me al het kwaad van de wereld aangedaan.” en vervolgens verklaard: “Ze zeggen dat ik de duivel ben, maar ze sturen juist duivels op mij af.” In Antwerpen heb ik de koningin ontmoet en misschien wel de koning. Ze hebben de duivels op mij afgestuurd in België! Ik ga ze allemaal vermoorden.”
8. De rechtbank betrekt bij haar overwegingen ook het proces-verbaal, opgemaakt op 21 juli 2026, over de inbewaringstelling van 13 juli 2026. De verbalisant heeft vastgelegd dat eiser in een soort trance zou zijn geraakt en dat het niet lukte om tot hem door te dringen, dat eiser vervolgens in slaap is geraakt en dat het de arrestantenverzorgers niet is gelukt om hem wakker te krijgen. Ook staat hierin vermeld dat dit de reden is dat de verbalisant het gehoor niet heeft kunnen hervatten. De rechtbank leidt daaruit af dat niet is geprobeerd het gehoor op een later moment, of de volgende ochtend te hervatten. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat een arts of verpleegkundige eiser heeft bezocht en onderzocht.
9. Verder blijkt uit de maatregel dat op de vragen A, C en D in de rubriek ‘Uw zienswijze’ geen zienswijze is gegeven, dat is getracht eiser hierover uit te vragen maar dat het gehoor door eisers gedrag moest worden gestaakt.
10. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 15 juni 2022, is het horen van de vreemdeling als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Vb een essentieel onderdeel van de voorbereiding van de maatregel van bewaring. Daarmee stelt de minister de vreemdeling in de gelegenheid zijn zienswijze te geven op de voorgenomen maatregel en zijn persoonlijke belangen naar voren te brengen. Indien er signalen zijn dat een vreemdeling psychisch niet in staat is om zijn belangen adequaat kenbaar te maken, mag de minister niet zonder meer aannemen dat hij is gehoord in de zin van artikel 5.2 van het Vb. In dergelijke gevallen rust op de minister de plicht om zich op een andere manier in te spannen om voldoende kennis te vergaren over de belangen van de vreemdeling. Uit genoemde Afdelingsuitspraak blijkt dat de minister deze verplichting in die zaak had ingevuld door onder andere vooraf contact op nemen met de gemachtigde van de vreemdeling, medische informatie op te vragen en ook bekende informatie uit eerdere procedures te betrekken.
11. In onderhavige zaak is eiser niet bekend door eerdere procedures in Nederland maar er had wel contact gezocht kunnen worden met de gemachtigde van eiser, om in ieder geval haar zienswijze te geven en haar ervan op de hoogte te stellen dat het gehoor vroegtijdig was afgebroken. In dit geval blijkt niet dat de minister, ondanks de aanwezige signalen voorafgaand aan het opleggen van de maatregel, dergelijke inspanningen heeft verricht. Ook blijkt niet dat is onderzocht of eiser in staat was om het gehoor op verantwoorde wijze te ondergaan. Uit het proces verbaal van 21 juli 2026 blijkt niet dat is onderzocht of het gehoor vervolgd kon worden of dat eiser is gezien door een arts.
12. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de maatregel van bewaring niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was met ingang van 13 juli 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van vandaag, 24 juli 2026.
Schadevergoeding en proceskosten
13. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,00 (verblijf politiecel) en 10 x € 120,00 (verblijf detentiecentrum) = € 1.360,00.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 juli 2026;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.360,00, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Hierna: bewaring.
Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Asiel- en migratiebeheerverordening.
Zie artikel 44 van de AMBV, artikel 59a, eerste lid, van de Vw en artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMBV en artikel 59c, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c, tweede lid, van de Vw.
Pagina 2, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
Pagina 3, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
Pagina 4, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
Pagina 4, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:1710.
Vreemdelingenbesluit 2000.