Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20542

2026-07-23 Strafrecht 09/059682-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
09/059682-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; PS-Updates.nl 2026-0378

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van zes jaar schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn minderjarige dochter, anale verkrachting tussen haar vierde en tiende. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf 9 jaar met aftrek van voorarrest en de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar. Dadelijk uitvoerbaar. (Gedeeltelijke) toewijzing van gevorderde immateriële schadevergoeding met toepassing Rotterdamse Schaal en correctiefactoren.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (56.992 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Strafrecht



Meervoudige kamer



Parketnummer: 09/059682-26



Datum uitspraak: 23 juli 2026



Tegenspraak



De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:






[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] 1980 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .






1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. F.C. Knoef naar voren is gebracht.






2De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 9 juli 2026 – ten laste gelegd dat:


1
hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 tot en met 30 juni 2024 op een of
meer verschillende tijdstippen te Zoetermeer, althans in Nederland, (telkens) met
zijn dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, die toen de leeftijd van twaalf
jaren nog niet had bereikt,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis
in de anus van die [slachtoffer] en/of
- het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en/of
- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes,
vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het aanraken van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- het kussen van die [slachtoffer] op haar mond en/of (in) haar gezicht


2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met
28 januari 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, met een kind beneden de
leeftijd van twaalf jaren, te weten zijn dochter [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2]
2016) een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis
in de anus van die [slachtoffer] en/of
- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes,
vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het aanraken van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- het kussen van die [slachtoffer] op haar mond en/of (in) haar gezicht


en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door
dwang, geweld en/of bedreiging, door


- [slachtoffer] (extra) schermtijd (op haar tablet) in het vooruitzicht te stellen en/of toe te zeggen in ruil voor het plegen/ondergaan van seksuele handelingen met hem, verdachte en/of
- het afpakken van het favoriete konijnen knuffeltje van die [slachtoffer] en (daarbij) te zeggen dat ze het terug krijgt als ze seks met hem, verdachte, heeft en/of
- het negeren van (non) verbale signalen van [slachtoffer] dat hij, verdachte, moet stoppen en/of (daarbij) te zeggen: “Kom op, we zijn al bezig” en/of
- het zeggen tegen [slachtoffer] dat ze niet van die jammerende/lelijke geluiden moet maken, maar moet kreunen en/of zeggen: "Papa ik vind het zo lekker ga gewoon door," althans woorden van gelijke strekking en/of
- het slaan van die [slachtoffer] op haar kont en/of in haar gezicht en/of (daarbij) te zeggen: "Ssssst" en/of
- ( hierbij) misbruik te maken van de uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als vader en/of (daarbij) gebruik te maken van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidsrelatie en/of
- het grote leeftijdsverschil en/of het fysieke overwicht van verdachte op die [slachtoffer] en/of
- ( hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie te creëren dat die [slachtoffer] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:



hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met
28 januari 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, met een kind beneden de
leeftijd van twaalf jaren, te weten zijn dochter [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2]
2016) een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis
in de anus van die [slachtoffer] en/of
- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes,
vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het aanraken van de borsten van die [slachtoffer] en/of- het kussen van die [slachtoffer] op haar mond en/of (in) haar gezicht.





3De bewijsbeslissing


3.1.
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde.




3.2.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hiertoe heeft hij zich op het standpunt gesteld – kort gezegd – dat de verklaringen van de aangeefster niet betrouwbaar zijn en dat er bovendien onvoldoende steunbewijs is. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.




3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen


De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.




3.4.
Bewijsoverwegingen


De rechtbank moet beoordelen of de verdachte zijn minderjarige dochter van haar 4e tot 10e levensjaar seksueel heeft misbruikt.




Juridisch kader

Per 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven in werking getreden. Onderdeel van deze wetswijziging is een verruiming van de strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld door aanpassing van de strafbaarstellingen van aanranding en verkrachting. De verdenkingen in deze zaak hebben betrekking op de periode van 27 januari 2020 tot en met 30 juni 2024. Vanwege de per 1 juli 2024 gewijzigde wetgeving zijn de verdenkingen tegen de verdachte als twee afzonderlijke feiten ten laste gelegd. Feit 1 ziet op de periode vóór 1 juli 2024 en feit 2 op de periode vanaf 1 juli 2024. Beide feiten betreffen dus wel één en hetzelfde feitencomplex, maar de rechtbank zal haar oordeel of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde jarenlange misbruik van zijn dochter moeten baseren op de wetgeving zoals die gold vóór 1 juli 2024, respectievelijk op de wetgeving zoals die geldt sinds 1 juli 2024.



Onder feit 1 gaat het om een verdenking van (mede) het seksueel binnendringen bij personen onder de twaalf jaar oud als bedoeld in artikelen 244 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Onder feit 2 gaat het om een verdenking van het plegen van seksuele handelingen van een twaalf-minner die (mede) bestaan uit het binnendringen van het lichaam, hetgeen wordt gekwalificeerd als verkrachting (artikel 250 Sr). Primair gaat het onder feit 2 om de gekwalificeerde variant daarvan, namelijk verkrachting met dwang, geweld of bedreiging.




Bewijs in zedenzaken

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken vaak gekenmerkt worden door beperkt bewijs. Bij de seksuele handelingen waarop de verdenking ziet, zijn meestal maar twee personen aanwezig, namelijk de aangever en de verdachte. Indien de verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, is doorgaans de verklaring van de aangever over de seksuele handelingen het enige bewijsmiddel. Op grond van art. 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.



Desalniettemin kan in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs toch voldoende zijn voor een bewezenverklaring. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het voldoende is wanneer de verklaring van de aangever op bepaalde punten wordt bekrachtigd door andere bewijsmiddelen, mits deze afkomstig zijn uit een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd en er tussen de belastende verklaring en het overige bewijs niet een te ver verwijderd verband bestaat. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van de aangever voldoende wettig bewijs opleveren.



De rechtbank zal daarom hierna allereerst beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebezigd kunnen worden.




Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]

heeft haar verhaal eerst verteld aan een vriendinnetje, [naam] . Naar aanleiding daarvan is de moeder van [naam] ( [getuige] ) op 28 januari 2026 na schooltijd hierover in de auto bij school kort het gesprek aangegaan met [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft tegenover haar verklaard dat als zij alleen thuis was met haar vader, zij naar boven moest komen, het licht uitdoen, de deur op slot doen, haar kleren uitdoen en dan “doet hij seksen met mij”. Dit was precies wat [getuige] daarvoor van haar dochter [naam] had gehoord. [slachtoffer] heeft naar aanleiding van vragen van [getuige] verder verteld dat haar vader haar anaal penetreerde en dat dat wel pijn doet, “want ik heb een klein gaatje”. Ook heeft zij aan [getuige] verteld dat het al zes jaar speelde en dat haar moeder ervan af wist, maar haar niet geloofde. Aan de zus van [getuige] , die met haar was meegekomen naar school, had [slachtoffer] verteld dat haar vader haar vingerde.




[getuige] heeft hierop Veilig Thuis ingelicht en toen dat te lang duurde een melding bij de politie gedaan, die direct naar [getuige] en [slachtoffer] is gegaan. Tegenover de politieambtenaar die [slachtoffer] ter plaatse heeft gesproken, heeft [slachtoffer] in gelijke zin verklaard; namelijk dat zij de afgelopen zes jaar seks moest hebben met haar vader, waarmee zij bedoelde dat haar vader met zijn geslachtsdeel in haar anus ging, dat dat 1 tot 3 keer per twee weken gebeurde en dat ze pijn heeft als het gebeurt, omdat het gaatje van haar kont veel te klein is. Ook aan deze politieambtenaar heeft [slachtoffer] verteld dat zij het al eerder aan haar moeder had verteld, maar dat zij haar niet geloofde.



De volgende dag, 29 januari 2026, is [slachtoffer] gehoord door een deskundige van Veilig Thuis. Ook daar verklaart [slachtoffer] over seks in de anus door haar vader, sinds zij vier was en zes jaar lang, twee tot drie keer per twee weken. Ook heeft zij aan de deskundige, net als de dag ervoor, verteld dat haar vader soms zijn vinger in haar vagina stopt.



Later is [slachtoffer] twee keer in de kindvriendelijke verhoorstudio van de politie verhoord. In het eerste verhoor op 5 februari 2026 heeft [slachtoffer] ten aanzien van het jarenlange seksueel misbruik door haar vader in lijn met haar eerdere verklaringen van 28 en 29 januari 2026 verklaard.



In dit studioverhoor heeft [slachtoffer] gedetailleerd verklaard over het misbruik. Zo verklaart [slachtoffer] dat het misbruik plaatsvond wanneer haar moeder niet thuis was. Haar broer was dan wel aanwezig in de woning, maar zat vaak beneden te gamen of televisie te kijken. [slachtoffer] was samen met haar vader in zijn slaapkamer, soms urenlang.
Over het daadwerkelijke misbruik verklaart zij: “hij pakte me gewoon zo vast, hij legt me op het bed, hij deed m'n broek uit, hij deed m'n onderbroek uit en toen deed hij zijn penis in mijn anus. En zo gaat het meestal.” Hij pakte haar onder haar oksels, zet haar neer op het bed, hij doet z’n handen los, hij doet eerst zijn broek uit en dan doet hij haar broek uit. Zij ligt op haar rug, hij doet haar benen omhoog en dan gaat hij “gewoon” daar helemaal in, “wat best pijn doet”, aldus [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft hiervan situatietekeningen gemaakt. Over de anale penetratie verklaart zij dat het eerst heel langzaam gaat, totdat hij er helemaal in is, dan gaat hij weer een beetje langzaam en dan gaat hij ineens heel snel. En als hij stopt met hard te doen zegt hij: “ben je er klaar voor? Drie, twee, één en dan gaat hij zo gelijk eruit.” Ook vertelt [slachtoffer] dat haar vader een rare lach op zijn gezicht heeft als hij met zijn penis in haar kont gaat en: “als we klaar zijn, gaat hij eerst heel snel en dan zegt hij oh oh oh. En dan gaat hij pas eruit met zijn penis.” En verder: “(...) van dat hij het fijn vindt. (..) Dat hij kijkt alsof hij iets heel erg lekkers heeft gegeten en op een blije manier.” Als verdachte klaar is, ziet [slachtoffer] soms poep aan zijn penis. Dan pakt hij een babydoekje om zijn penis en haar kont schoon te maken.
Ook heeft [slachtoffer] gedetailleerd verklaard over wat zij voelt tijdens en na de anale penetratie: “Zijn penis is natuurlijk groter dan mijn kont en dan stopt hij het erin en dan doet het juist veel meer pijn omdat zijn penis veel groter is. (...) [Het voelde] “alsof mijn kont echt veel groter werd en dat het gewoon een beetje ging uitrekken. Dat voor pijn had ik. Een beetje dat branderige gevoel. (…) dat het heel erg zwaar voelt voor m’n buik.

(…) En dan heb ik er daarna ook spetterpoep of harde poep en dan doet dat ook wel pijn.”




De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] ook authentiek zijn. Zij acht van belang dat [slachtoffer] ten tijde van haar verklaringen 10 jaar oud was en gedetailleerd heeft verklaard over de door haar ervaren (pijnlijke) fysieke sensaties tijdens en na anale penetratie. Dergelijke concrete beschrijvingen van gevoelens door een meisje van die leeftijd acht de rechtbank moeilijk voorstelbaar zonder dat zij die daadwerkelijk heeft ervaren. Hetzelfde geldt voor [slachtoffer] ’s verklaring dat de verdachte één keer zijn penis in haar mond had gedaan en dat zij toen bijna stikte. Dit onderstreept naar het oordeel van de rechtbank de betrouwbaarheid van [slachtoffer] ’s verklaring tijdens het eerste studioverhoor. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, acht de rechtbank het dan ook onwaarschijnlijk dat de verklaringen van [slachtoffer] (enkel) gestoeld zijn op het hebben bekeken van pornofilmpjes of het enkele malen betrappen van haar ouders tijdens de seks.
De rechtbank wijst wat betreft de authenticiteit verder nog op [slachtoffer] ’s verklaring dat zij soms in ruil voor seks een beloning kreeg, zoals meer schermtijd, terwijl zij liever klusjes in huis wilde doen om extra schermtijd te krijgen “bijvoorbeeld de vaat schoonmaken, de vloer schoonmaken of zoiets, maar gewoon niet met de penis”. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij schermtijd als beloning inzette bij de kinderen.



De betrouwbaarheid van [slachtoffer] ’s verklaring wordt ten slotte kracht bijgezet door haar (herhaalde) verklaring dat zij bij de huisarts is geweest vanwege buikpijn en problemen met haar ontlasting; dit wordt bevestigd door haar medisch dossier. Hieruit blijkt dat zij in verband met deze klachten in december 2020 inderdaad de huisarts heeft bezocht. Ook het feit dat [slachtoffer] in haar verklaringen intieme en gevoelige informatie heeft gegeven over haar lichamelijke toestand, draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de betrouwbaarheid daarvan.



Dat de verklaringen van [slachtoffer] op enkele punten van elkaar verschillen, zoals over de wijze waarop zij een pornofilmpje op de telefoon van haar moeder te zien kreeg, doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet af. De inconsistenties in haar verklaringen, waarop de verdediging heeft gewezen, zien naar het oordeel van de rechtbank – de gehele verklaring van [slachtoffer] in beschouwing genomen – op ondergeschikte onderdelen van haar verklaringen en hebben bovendien geen betrekking op het ten laste gelegde misbruik zelf, waarover [slachtoffer] wél consistent heeft verklaard. In de kern verklaart [slachtoffer] over het misbruik steeds en gedetailleerd hetzelfde. Hetzelfde geldt voor de door de verdediging aangehaalde verschillen tussen de verklaringen van [slachtoffer] en die van haar moeder. Met de verdediging deelt de rechtbank dat [slachtoffer] óók verklaart over onrealistische voorvallen, zoals over het wandelen door de wildernis, en dat zij verklaart over het overlijden van de kat [naam kat] alsof zij de dode kat zelf gezien zou hebben, terwijl dat volgens de verklaring van een getuige niet het geval is geweest. Dergelijke onderdelen zien echter niet op de kern van haar verklaringen en kunnen ook passen bij het narratief van een tienjarige. Bovendien maakt het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen deze verklaringen op zichzelf echter nog niet onbetrouwbaar. Eventuele tegenstrijdigheden kunnen te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, kunnen komen door emoties of schaamte dan wel ontstaan zijn door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.



De rechtbank heeft gelet op de consistente, gedetailleerde en authentieke verklaringen van [slachtoffer] geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan. Zij acht deze daarom bruikbaar voor het bewijs.




Steunbewijs

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of er bewijs voorhanden is dat de verklaring van de aangeefster ondersteunt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.



De verklaring van [slachtoffer] wordt in de eerste plaats ondersteund door de door verschillende personen waargenomen emoties van [slachtoffer] . [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer] tijdens haar verklaring over het misbruik zichtbaar emotioneel reageerde. Zo trok [slachtoffer] haar benen naar elkaar toe, begon zij te wiebelen en trok zij samen. Daarnaast heeft de getuige verklaard dat zij zag dat [slachtoffer] onrustig en angstig reageerde toen de verdachte kwam aanrijden. Volgens de getuige zag zij de paniek in de ogen van [slachtoffer] . De motoragent die als eerste ter plaatse was, heeft over dit moment geverbaliseerd dat – toen [slachtoffer] haar vader zag – ze heel erg schrok en wegrende. Hij zag dat ze achter een geparkeerde auto wegdook, die een aantal parkeervakken verder geparkeerd stond. Ook de politieagente die ter plaatse met [slachtoffer] heeft gesproken, heeft emoties bij haar waargenomen. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] emotioneel werd en begon te huilen toen zij vertelde hoe vaak het misbruik had plaatsgevonden. Verder blijkt uit het gesprek met Veilig Thuis dat [slachtoffer] moeite had om direct onder woorden te brengen wat er was gebeurd. Zij durfde bepaalde woorden niet direct uit te spreken en omschreef deze aanvankelijk als: “Dan doet hij dat ene dat begint met een S en eindigt op de X”. Ook het woord “penis” durfde zij niet direct te noemen, maar zij verwees hier in eerste instantie naar als “dat ding”. Daarbij gaf zij aan dat zij het liefst niet het volledige woord wilde uitspreken.



De verdediging heeft bepleit dat sprake is van tijdsverloop tussen de laatste keer dat [slachtoffer] volgens haar verklaringen misbruikt is en het moment waarop zij daarover aan de moeder van haar vriendinnetje heeft verteld en dat na haar openbaring een beladen situatie bij haar school ontstond toen haar ouders en de politie arriveerden. Daarom is volgens de verdediging sprake van een te ver verwijderd verband tussen die waargenomen emoties en de gedragingen die de verdachte ten laste zijn gelegd om tot steun van de verklaringen van [slachtoffer] te kunnen dienen. De rechtbank verwerpt dit standpunt van de verdediging. Zij overweegt dat het misbruik niet was gestopt toen [slachtoffer] haar vriendinnetje en diens moeder erover vertelde. Er is in zoverre dus geen sprake van tijdsverloop. Verder zijn er in de gegeven situatie geen aanknopingspunten voor andersluidende verklaringen voor de waargenomen emoties dan het misbruik waarover [slachtoffer] net had verteld. Ook de verdachte heeft die verklaringen niet gegeven: hij heeft ontkend dat hij [slachtoffer] heeft verkracht en heeft daarnaast de goede band die hij met [slachtoffer] had, benadrukt.



Ook vinden de verklaringen van [slachtoffer] steun in de verklaring van haar broer. Hij heeft, net als [slachtoffer] , verklaard dat hun moeder vaak van huis was en dat [slachtoffer] en de verdachte dan altijd urenlang samen boven waren terwijl hij beneden zat te gamen. Ook de verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat de thuissituatie zo was. De verklaring van [slachtoffer] dat de verdachte de deur op slot deed alvorens het seksueel misbruik plaatsvond, wordt ondersteund door de verklaring van haar broer dat de verdachte beschikte over de sleutels van alle slaapkamerdeuren en dat de verdachte zijn eigen slaapkamerdeur regelmatig op slot deed, ook van binnenuit. Ook heeft hij verklaard dat hij wel vaker geschreeuw hoorde of dat er iets viel, en soms boven een gilletje hoorde, “dat iemand gechoqueerd was of tegen iets aangelopen was, zo klonk dat” en hij dan naar boven riep of alles goed ging, waarop de verdachte dan antwoordde dat dit het geval was. Dit ondersteunt [slachtoffer] ’s verklaring dat haar broer haar een keer tijdens het seksueel misbruik heeft horen huilen en vroeg of alles goed ging, en dat de verdachte antwoordde dat dat het geval was.



De verklaringen van [slachtoffer] vinden eveneens steun in de verklaring van haar moeder. Zij verklaart dat [slachtoffer] ongeveer vier jaar oud was toen zij tegen haar zei: “papa piemelen met mij” en dat [slachtoffer] het de afgelopen zes jaar twee keer heeft aangegeven. Naar aanleiding van deze uitlating hebben de moeder van [slachtoffer] en de verdachte afspraken gemaakt, inhoudende dat de verdachte niet langer zonder ondergoed door het huis mocht lopen en niet meer samen met [slachtoffer] mocht douchen en dat zij zichzelf moest aankleden. De verdachte heeft het gesprek met de moeder van [slachtoffer] naar aanleiding van de uitlating van [slachtoffer] en die afspraken ter terechtzitting bevestigd. Anders dan de verdediging betoogt, kent de rechtbank aan de verklaring van de moeder van [slachtoffer] op dit punt, mede gezien de bevestiging van het gesprek met haar daarover door de verdachte, wel bewijswaarde toe ter ondersteuning van de verklaring van [slachtoffer] . Het gebruik van het specifieke woord “piemelen”, daargelaten op welk moment exact [slachtoffer] dit zou hebben gezegd en de omstandigheid dat de ouders afspraken hebben gemaakt, maakt dat sprake is van een niet te ver verwijderd verband met het misbruik waarover [slachtoffer] verklaart. Evenmin acht de rechtbank van belang dat de verdachte, ook in het gesprek met de moeder van [slachtoffer] destijds, heeft ontkend iets met zijn piemel. Concrete feitelijke aanknopingspunten voor de geloofwaardigheid van die (blote) ontkenning bieden de verklaringen van de verdachte niet.



Ten slotte betrekt de rechtbank het medisch dossier van [slachtoffer] als steunbewijs. De moeder van [slachtoffer] heeft verklaard dat zij in december 2020 bloedverlies bij [slachtoffer] heeft opgemerkt. Ook na 2020 hield dit bloedverlies aan. In 2023 is [slachtoffer] in het ziekenhuis onderzocht door een gynaecoloog naar aanleiding van een bezoek aan de huisarts in verband met bloedverlies volgens een cyclisch patroon, waarbij geen sprake zou zijn van secundaire geslachtskenmerken (zoals pubis- of okselbeharing). Het ziekenhuis heeft daarop nader onderzoek verricht en geen oorzaak voor het bloedverlies is gevonden. Het huisartsenjournaal vermeldt als conclusie: “Recidiverend vaginaal bloedverlies van een 7-jarig meisje niet hormonaal geïnduceerd”. Uit het journaal van de huisarts kan verder worden opgemaakt dat zowel de huisarts als het ziekenhuis bij de betreffende klachten aan seksueel misbruik dachten: de huisarts heeft op 15 februari 2023 aan de moeder van [slachtoffer] gevraagd naar de mogelijkheid van seksueel misbruik en het ziekenhuis heeft op 30 maart 2023 bij de huisarts geïnformeerd naar de achtergrond van [slachtoffer] , “of er nog een verdachte situatie zou kunnen zijn.” De rechtbank acht verder van belang dat in het huisartsenjournaal in oktober 2024 melding wordt gemaakt van, onder andere, jeukklachten bij de anus.



Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de medische informatie in het dossier met een zekere voorzichtigheid moet worden gelezen nu zij geen medisch deskundige is. Ook staat vast dat de geuite vermoedens van seksueel misbruik niet medisch zijn bevestigd. Daaruit volgt echter niet dat de beschikbare medische informatie niet tot steunbewijs kan dienen, zoals de verdediging betoogt. Immers, de omstandigheid dat destijds niet medisch is vastgesteld dat sprake was van seksueel misbruik, laat onverlet dat zowel de klachten die [slachtoffer] destijds had, als de door artsen destijds geuite vermoedens steun bieden aan de verklaringen die [slachtoffer] nu heeft afgelegd. De mogelijkheid van seksueel misbruik is niet door het verrichte onderzoek uitgesloten of onwaarschijnlijk geacht. Het bloedverlies, dat de huisarts als niet hormonaal geïnduceerd heeft genoteerd, past naar het oordeel van de rechtbank bovendien binnen het beeld van seksueel misbruik. Dit geldt naar haar oordeel ook voor de hiervoor genoemde jeukklachten waarvoor [slachtoffer] de huisarts heeft bezocht gegeven de veelvuldige anale penetratie waarover zij verklaart. Dat die specifieke klachten destijds niet met seksueel misbruik in verband werden gebracht doet aan de bewijswaarde van die informatie niet af. De rechtbank ziet in deze medische informatie dan ook ondersteuning voor [slachtoffer] ’s verklaring over seksueel misbruik.




Conclusie ten aanzien van het bewijs van de gedragingen

De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande als volgt. De verschillende verklaringen van [slachtoffer] zijn, ook ieder op zichzelf beschouwd, betrouwbaar. Daarnaast is sprake van voldoende ander bewijs dat de verklaringen van [slachtoffer] ondersteunt. De verklaring van [slachtoffer] staat daarmee niet op zichzelf. De rechtbank is verder van oordeel dat de besproken bewijsmiddelen in voldoende rechtstreeks verband staan met het tenlastegelegde. Gelet op dit alles, bewezen dat de verdachte de hem ten laste gelegde gedragingen jegens zijn dochter heeft begaan.




De juridische kwalificatie van de gedragingen

Van opzetverkrachting van een persoon beneden de leeftijd van twaalf jaren is sprake indien de verdachte met een kind dat de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt seksuele handelingen verricht die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen, moet worden vastgesteld dat de opzetverkrachting is voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging.



Voor de strafverzwarende omstandigheid dwang als bedoeld in artikel 250, tweede lid, Sr geldt dat voldoende is dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet, of slechts in verminderde mate, de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Het verminderen van de keuzemogelijkheden, bijvoorbeeld doordat de verdachte het slachtoffer manipuleert, kan een vorm van dwang opleveren. Of het toepassen van een dwangmiddel in een concreet geval resulteert in dwang, hangt af van de omstandigheden van het geval.



De rechtbank is van oordeel dat de verdachte meerdere dwangmiddelen heeft toegepast en dat uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zijn handelen gepaard ging met geweld en bedreiging. De rechtbank wijst wat betreft de gebruikte dwang er in de eerste plaats op het gezag dat de verdachte over [slachtoffer] had, als haar vader en opvoeder, die bovendien vele zorgtaken op zich had genomen en veel thuis was met de kinderen terwijl de moeder van huis was. Binnen deze afhankelijkheidsrelatie heeft het misbruik plaatsgehad, waarbij, gelet op het leeftijdsverschil, ook het fysieke overwicht van de verdachte op zijn dochter een rol moet hebben gespeeld. Dwang paste de verdachte ook toe door [slachtoffer] in haar gezicht of op haar kont te slaan en daarbij “ssst” te zeggen als ze te veel geluid maakte tijdens het misbruik. Ook uit het feit dat de verdachte doorging met het misbruik en dat hij tegen [slachtoffer] zei “Kom op, we zijn al bezig”, terwijl [slachtoffer] huilde of zei dat hij moest stoppen, blijkt van door de verdachte op [slachtoffer] uitgeoefende dwang. Nog een ander dwangmiddel betreft de psychologische manipulatie door meer schermtijd in het vooruitzicht te stellen als [slachtoffer] zou meewerken aan de seks en door haar lievelingsknuffeltje af te pakken en dit pas terug te geven als zij zou meewerken. Uit [slachtoffer] ’s verklaring blijkt wel dat [slachtoffer] hiervoor gevoelig was; zij heeft immers aan de verdachte gevraagd of zij de schermtijd niet op een andere manier kon verdienen, door de vloer schoon te maken bijvoorbeeld, “maar gewoon niet met de penis.” Door voornoemde dwangmiddelen in te zetten, heeft [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank niet of in verminderde mate de mogelijkheid gehad een vrije keuze te maken. De kracht waarmee de verdachte heeft gehandeld impliceert de toepassing van geweld, naast het slaan, terwijl de toegepaste dwangmiddelen ook de bedreiging van [slachtoffer] omvatten.




Slotsom
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.




3.5.
De bewezenverklaring


De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:



1
hij in de periode van 27 januari 2020 tot en met 30 juni 2024 op verschillende tijdstippen te Zoetermeer (telkens) met
zijn dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, die toen de leeftijd van twaalf
jaren nog niet had bereikt,
handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het brengen en houden en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis
in de anus van die [slachtoffer] en
- het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en
- het brengen en houden en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes,
vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en
- het aanraken van de borsten van die [slachtoffer] en
- het kussen van die [slachtoffer] op haar mond en (in) haar gezicht;


2
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met
28 januari 2026 te Zoetermeer met een kind beneden de
leeftijd van twaalf jaren, te weten zijn dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2]
2016, seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen en houden en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis
in de anus van die [slachtoffer] en
- het brengen en houden en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes,
vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en
- het aanraken van de borsten van die [slachtoffer] en
- het kussen van die [slachtoffer] op haar mond en (in) haar gezicht


en welke verkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van
dwang, geweld en bedreiging, door


- [slachtoffer] (extra) schermtijd (op haar tablet) in het vooruitzicht te stellen en toe te zeggen in ruil voor het ondergaan van seksuele handelingen met hem, verdachte en
- het afpakken van het favoriete konijnen knuffeltje van die [slachtoffer] en (daarbij) te zeggen dat ze het terug krijgt als ze seks met hem, verdachte, heeft en
- het negeren van (non) verbale signalen van [slachtoffer] dat hij, verdachte, moet stoppen en (daarbij) te zeggen: “Kom op, we zijn al bezig” en
-- het slaan van die [slachtoffer] op haar kont en in haar gezicht en (daarbij) te zeggen: "Ssssst" en
- ( hierbij) misbruik te maken van de uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als vader en (daarbij) gebruik te maken van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidsrelatie en
- het grote leeftijdsverschil en het fysieke overwicht van verdachte op die [slachtoffer] en
- ( hierdoor) een zodanig bedreigende en beangstigende situatie te creëren dat die [slachtoffer] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en durfde te onttrekken.


Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.







4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.





5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.





6De strafoplegging


6.1.
De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een contactverbod gevorderd in de vorm van de maatregel van 38v Sr voor de duur van vijf jaren en verzocht deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.




6.2.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien wordt overgegaan tot strafoplegging, rekening dient te worden gehouden met het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit, en met de omstandigheid dat hij heeft meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek door een psycholoog en het opstellen van de rapportage van de reclassering en met de detentieomstandigheden van de verdachte.




6.3.
Het oordeel van de rechtbank


Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.




Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een periode van zes jaar stelselmatig schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn minderjarige dochter [slachtoffer] . De handelingen vonden meerdere keren per maand plaats, telkens wanneer de moeder van [slachtoffer] niet thuis was en de verdachte alleen met [slachtoffer] was. Doordat de verdachte een groot deel van de pleegperiode werkloos was en de moeder veel werkte, rustten de zorgtaken voornamelijk op de verdachte. Hierdoor ontstond veel gelegenheid om alleen met [slachtoffer] te zijn en kon het seksueel misbruik gedurende een lange periode met grote regelmaat plaatsvinden. Dit gebeurde zelfs op momenten waarop ook de zoon van de verdachte, de broer van [slachtoffer] , thuis was. Zijn aanwezigheid vormde voor de verdachte kennelijk geen belemmering om [slachtoffer] te misbruiken. De handelingen bestonden onder meer uit het binnendringen van de anus van [slachtoffer] met zijn penis en het binnendringen van haar vagina met zijn vingers. Daarbij heeft de verdachte verschillende dwangmiddelen toegepast. Zo hield hij [slachtoffer] meer schermtijd in het vooruitzicht wanneer zij meewerkte en strafte hij haar door haar konijnenknuffel af te pakken. [slachtoffer] heeft meermalen aangegeven dat zij dit niet wilde en dat het pijn deed. Zij moest ook huilen. De verdachte heeft deze signalen genegeerd en is desondanks doorgegaan. Daarmee heeft hij ernstig misbruik gemaakt van de kwetsbare, afhankelijke positie van zijn jonge dochter die aan zijn zorg was toevertrouwd.



Het seksueel misbruik van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden in haar eigen huis, door haar eigen vader. De verdachte heeft met zijn handelen de veiligheid en lichamelijke integriteit van zijn dochter alsook haar geestelijke welzijn op een uiterst grove manier aangetast. De plek waar het misbruik heeft plaatsgevonden en de omstandigheid dat de verdachte de vader van [slachtoffer] is, maken het misbruik des te ernstiger. Thuis en bij haar vader hoort eenieder en zeker [slachtoffer] als jong kind zich veilig en geborgen te voelen. Echter, in plaats van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid te nemen en zijn dochter de veiligheid en geborgenheid te bieden die zij van haar vader mocht verwachten, heeft de verdachte zich laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens. Daarmee heeft hij het recht van [slachtoffer] op een ongestoorde, normale en gezonde ontwikkeling geschonden. Het misbruik heeft bovendien plaatsgevonden tijdens een belangrijke fase in de ontwikkeling van [slachtoffer] , tijdens haar ontwikkeling van kleuter tot de prépubertijd. De verdachte heeft deze ontwikkeling verstoord. Door zijn handelen is de kindertijd van [slachtoffer] ingrijpend beïnvloed: zij zal de tijd niet kunnen terugdraaien en zich blijvend moeten verhouden tot wat de verdachte haar heeft aangedaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. De verdachte heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor [slachtoffer] .




[slachtoffer] heeft ter terechtzitting het spreekrecht uitgeoefend. Met haar verklaring heeft zij nog eens treffend helder gemaakt wat het seksueel misbruik voor haar als tienjarige betekent en met welk verlies zij moet leven. De verdachte heeft blijkens haar verklaring met zijn handelen het vertrouwen van [slachtoffer] ernstig geschonden.



De verdachte heeft ook het vertrouwen van zijn (ex-)vrouw – de moeder van [slachtoffer] – en haar broer, in ernstige mate geschonden. Ook de moeder van [slachtoffer] heeft tijdens de zitting verwoord hoe het handelen van de verdachte [slachtoffer] , haarzelf en haar gezin heeft geraakt.



Aan de ernst van de feiten kent de rechtbank bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe.




Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 april 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.




De persoon van de verdachte


[psycholoog] , psycholoog, heeft in een Pro Justitia rapport van 24 juni 2026 gerapporteerd dat de verdachte een egocentrische, weinig bij anderen betrokken indruk maakte. De verdachte bleek gepreoccupeerd met eigen slachtofferschap. De rapporteur heeft beschreven dat er sprake lijkt te zijn van een persoonlijkheid die zich kenmerkt door narcistische en borderline trekken. De beperkte sociaal-emotionele wederkerigheid lijkt passend bij de persoonlijkheidsproblematiek waarbinnen de verdachte weinig afgestemd is op de ander zodra er voor hem belangrijker zaken zijn en zich eigen emoties of ervaringen aan hem opdringen. Volgens de rapporteur is er echter te weinig objectieve informatie beschikbaar om van een persoonlijkheidsstoornis te kunnen spreken. Een pedofiele stoornis of andere parafiele stoornis kon evenmin worden vastgesteld, doch ook niet worden uitgesloten. Verder is er sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis, waarbij na een langdurige periode van remissie, kort voor aanhouding sprake was van terugval. Het risico op recidive kon onvoldoende worden ingeschat.



De rechtbank sluit zich aan bij de conclusies van de psycholoog. Naar haar oordeel zijn er onvoldoende objectieve aanknopingspunten voor de vaststelling dat er bij de verdachte sprake is van een geestelijke stoornis die aanleiding zou kunnen zijn om de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en waarmee zij bij haar strafbepaling rekening moet houden.



De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van een reclasseringsrapport over de verdachte van 1 juli 2026, waaruit blijkt dat de reclassering het risico op recidive onvoldoende heeft kunnen inschatten omdat de verdachte niet heeft meegewerkt. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast adviseert de reclassering een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.




De op te leggen straf en maatregel

Gelet op de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn geschetst, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur. Voor de oplegging van een voorwaardelijk deel ziet de rechtbank, gelet op het reclasseringsadvies en het verhandelde ter terechtzitting, geen aanleiding. Bij het bepalen van de hoogte van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.



De rechtbank stelt voorop dat blijkens de rechtspraak onder de oude zedenwetgeving in vergelijkbare gevallen van seksueel binnendringen bij een minderjarig slachtoffer een gevangenisstraf van vierenvijftig maanden tot uitgangspunt kan worden genomen. Dit neemt de rechtbank als vertrekpunt voor haar strafoplegging.



Met de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven zijn de strafbaarstellingen verruimd en zijn de wettelijke strafmaxima verhoogd. Seksueel kindermisbruik is een groot maatschappelijk probleem dat de veiligheid en vrijheid van kinderen aantast, wat vraagt om een stevige aanpak. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met dit gewijzigde strafrechtelijke kader, nu de verdachte ook na de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven de strafbare feiten jegens zijn dochter veelvuldig heeft gepleegd.



Hier komt bij dat voor die periode sprake is van een gekwalificeerde verkrachting van een twaalf-minner omdat de verdachte gebruikmaakte van dwang, geweld en bedreiging en sprake is van een geval van strafverzwarende omstandigheden omdat [slachtoffer] een kind van de verdachte is en door hem werd verzorgd.



Daarnaast weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat het misbruik gedurende een lange periode, namelijk zes jaar, en met grote regelmaat, heeft plaatsgevonden. De rechtbank kent in dit verband bijzondere betekenis toe aan de omstandigheid dat het misbruik heeft plaatsgevonden tijdens een cruciale ontwikkelingsfase van [slachtoffer] en dat zij daarvan naar verwachting langdurig gevolgen zal ondervinden. De duur en frequentie van het misbruik maakt dat het onderhavige geval wezenlijk verschilt van een eenmalige gebeurtenis.



De rechtbank weegt (1) het gewijzigd wettelijk kader met verhoogd strafmaximum, (2) de omstandigheid dat sprake is van een gekwalificeerd delict en strafverzwarende omstandigheden volgens de wet (3) de verder genoemde strafverzwarende omstandigheden – plussend en minnend gemiddeld genomen – ieder voor 1/3 x 54 mee, hetgeen haar tot een strafvermeerdering van 3 x 18 maanden bovenop het eerdergenoemde vertrekpunt leidt. Er zijn geen strafverminderende omstandigheden die de rechtbank in aanmerking neemt.
De rechtbank acht, alles afwegende, dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden en zal deze aan de verdachte opleggen.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.




Vrijheidsbeperkende maatregel (38v-maatregel)

Ter bescherming van het slachtoffer zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen en bevelen dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt met het slachtoffer. De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van vijf jaren. Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van twee weken.



Gelet op de ernst van de feiten, de jonge leeftijd van het slachtoffer en de aard van de relatie tussen het slachtoffer en de verdachte, acht de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel aangewezen.






7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel


De bijzondere curator van [slachtoffer] mr. [curator], heeft zich namens haar als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Gevorderd is een schadevergoeding van € 50.000,- (immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.



7.1
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren indien de rechtbank komt tot vrijspraak van de feiten waarop de vordering ziet. Subsidiair heeft de verdediging verzocht, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, de gevraagde verhogingen van de vordering niet toe te wijzen.




7.3
Het oordeel van de rechtbank


Voor de vordering geldt het volgende. Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek geeft recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade in geval van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Van de bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. De aard en de ernst van de normschending kan echter meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.



Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat[slachtoffer] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde feiten. De aard en de ernst van de normschending van die feiten zijn zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook zonder de vaststelling van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven. De rechtbank weegt in het bijzonder mee de vergaande aantasting van de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] , mede gezien haar leeftijd, en de gevolgen daarvan voor haar geestelijke gezondheid naar algemene ervaringsregels en gelet op wat namens haar ter toelichting op de vordering is aangevoerd. De rechtbank sluit bij de vaststelling van dit bedrag aan bij de Rotterdamse Schaal categorie 15.2a (ontucht met binnendringen, meest ernstig), waarvoor een bedrag van € 12.500 tot € 32.000 wordt aanbevolen. Het misbruik speelde zich namelijk af gedurende een periode van ruim zes jaar. Bovendien was sprake van vergaande seksuele handelingen, waaronder het anaal binnendringen met het geslachtsdeel van de verdachte. Ook had de benadeelde partij een afhankelijkheidsrelatie met de verdachte. De rechtbank knoopt aan bij het maximum van het aanbevolen bedrag, namelijk € 32.000. Zij ziet geen aanleiding om de gevorderde opslagen voor leeftijd (+ 25%) en opzet (+ 25%) volledig toe te wijzen, nu deze (deels) verdisconteerd zijn in de ernst van de genoemde categorie 15.2a van de Rotterdamse Schaal en het door de rechtbank toegepaste maximum van de daarvoor aangegeven bandbreedte. In de jonge leeftijd van [slachtoffer] en de mate van verwijtbaarheid van de verdachte ziet de rechtbank wel grond voor een correctie van 10 %, oftewel 2 x € 3.200 bovenop het genoemde maximum. De rechtbank stelt de geleden immateriële schade derhalve naar billijkheid vast op een bedrag van € 38.400.



Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 38.400,-, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding. Redengevend acht de rechtbank dat niet kan worden uitgesloten dat in een later stadium wel grond bestaat voor de vaststelling dat zij (ook) die schade heeft geleden. Zij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.



De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 januari 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.



Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.







8De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 38v, 57, 244 (oud), 250, 254 van het Wetboek van Strafrecht.



Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.





9De beslissing


De rechtbank:



verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;



verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:




ten aanzien van feit 1:





met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;





ten aanzien van feit 2, primair:





gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;




verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot:



een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) JAREN;



bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;



legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 (VIJF) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen;
zich te onthouden van direct of indirect contact met:
- [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2016),



met het bevel dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;



bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken;



met het bevel dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is;




de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel





de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 38.400,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 januari 2020 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;



bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;



bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;



veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;



legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 38.400,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 185 (honderdvijfentachtig) dagen;



verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.





Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, voorzitter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.B. Pluim, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juli 2026.