Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20465

2026-06-22 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/675722 / FA RK 24-8202
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-22
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/675722 / FA RK 24-8202
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding. De tweede betekening heeft plaatsgevonden conform artikel 55 lid 1 Rv en de bepalingen uit het Haags Betekeningsverdrag 1965, in het bijzonder artikel 10 onder c. De vrouw is niet in de procedure verschenen, zij is wel goed opgeroepen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.560 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Meervoudige Kamer


Rekestnummers: FA RK 24-8202 (echtscheiding) en FA RK 26-262 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/675722 (echtscheiding) en C/09/697509 (verdeling)
Datum beschikking: 22 juni 2026


Echtscheiding



Beschikking op het op 1 juli 2025 ingekomen verzoek van:




[de man] ,

de man,
volgens de Basisregistratie Personen (BRP) sinds 1999 geregistreerd in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) in Nederland, ingeschreven op een adres in de Verenigde Staten,
advocaat: mr. S.L.A. Verburgt te ’s-Gravenhage.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vrouw] ,

de vrouw,
volgens de BRP sinds 1999 in Nederland geregistreerd in de RNI, ingeschreven op een adres in de Verenigde Staten.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift van 1 juli 2025;
- het F9-formulier van 17 juli 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 16 december 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 10 februari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 17 februari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het bericht van 27 februari 2026 van de zijde van de man;
- het bericht van 2 maart 2026 van de zijde van de man;
- het F9-formulier van 6 maart 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 16 maart 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 17 maart 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 24 maart 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 8 mei 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 22 mei 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 26 mei 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 26 mei 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 26 mei 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 29 mei 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.


Op 2 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Tijdens deze zitting is niet inhoudelijk over de voorliggende verzoeken gesproken, enkel over de betekening van de verzoekschriften en de oproep voor de zitting.
Hierbij is verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is niet verschenen. De advocaat van de man heeft op de zitting pleitnotities overgelegd.

Feiten


- Partijen zijn gehuwd op [datum] 1985 te [plaats] onder het maken van huwelijkse voorwaarden.
- Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De man bezit eveneens de Amerikaanse nationaliteit.



Verzoek en verweer
Het verzoek zoals dat na wijziging op 8 mei 2026 luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- de vermogensrechtelijke afwikkeling naar Nederlands recht vast te stellen conform de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de volgende uitgangspunten:

A. voor recht te verklaren dat het vermogen ten name van de kinderen buiten de vermogensrechtelijke afwikkeling blijft, nu dat geen onderdeel uitmaakt van het te verrekenen vermogen;
B. voor recht te verklaren dat het vermogen dat is ondergebracht in de trust buiten de vermogensrechtelijke afwikkeling blijft, nu dit vermogen eigendom is van een derde partij en geen onderdeel uitmaakt van het te verrekenen vermogen;
C. het gezamenlijke vermogen te verdelen bij helfte, zoals door de man uiteengezet in zijn brief van 8 mei 2026, p.3, tweede alinea onder c;
D. het bedrag van de finale verrekening van het krachtens huwelijkse voorwaarden overeengekomen en niet uitgevoerde periodiek verrekenbeding vast te stellen op $1.894.750 en te bepalen dat de man dit dient te voldoen, zoals uiteengezet in deze brief, p.3, tweede alinea onder a en b;
E. ten aanzien van de percelen 3.1 en 5.1 (Plots 17-4C and 17-4H) op [locatie] , bekend als “ [locatie] ”
i. de vrouw te veroordelen tot het verlenen van haar medewerking aan toedeling van de eigendom van de man in de percelen 3.1. en 5.1 (Plots 17-4C and 17-4H) [locatie] , [staat] aan de vrouw voor een waarde van $ 1.325.000, en wel binnen twee weken na de nog door uw rechtbank indeze te wijzen beschikking;
ii. indien de vrouw de boven gestelde verplichtingen niet nakomt, verbeurt zij een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat zij de in deze te wijzen beschikking aan haar opgelegde verplichtingen niet nakomt;
iii. indien de vrouw de boven gestelde verplichtingen niet nakomt, staat het de man vrij naast het innen van de onder ii verbeurde dwangsommen de vrouw in [staat] in rechte te betrekken teneinde aldaar alsnog reële executie af te dwingen,
F. ten aanzien van de verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen te bepalen:

Ten aanzien van de woning in Amsterdam:

i. de vrouw te veroordelen tot het verlenen van haar medewerking aan toedeling van haar eigendomsaandeel in de woning staande en gelegen te [adres 1] aan de man, en wel binnen twee weken na de nog door uw rechtbank in deze te wijzen beschikking;
ii. de vrouw te veroordelen tot het verlenen van haar medewerking aan het passeren van een akte van verdeling, waarbij de onder i genoemde woning aan de man wordt toegedeeld voor een waarde van 2,65 miljoen euro en de overige gemeenschappelijke vermogensbestanddelen aan de vrouw conform de vermogensverrekenstaat;
iii. te bepalen dat, bij gebreke van medewerking van de vrouw, deze beschikking in de plaats treedt van alle handelingen en handtekeningen van de vrouw, die benodigd zijn om zijn eigendomsaandeel van de vrouw in de woning staande en gelegen te [adres 1] aan de man te leveren;

ten aanzien van de onroerende zaak op [locatie] , bekend als [locatie]:
i. de vrouw te veroordelen tot het verlenen van haar medewerking aan toedeling van het eigendomsaandeel van de man in de woning staande en gelegen te [adres 2] , [staat] , aan de vrouw voor een waarde van $ 2.345.000, en wel binnen twee weken na de nog door uw rechtbank in deze te wijzen beschikking;
ii. indien de vrouw de boven gestelde verplichtingen niet nakomt, verbeurt zij een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat zij de in deze te wijzen beschikking aan haar opgelegde verplichtingen niet nakomt;
iii. indien de vrouw de boven gestelde verplichtingen niet nakomt, staat het de man vrij naast het innen van de onder ii verbeurde dwangsommen de vrouw in [staat] in rechte te betrekken teneinde aldaar alsnog reële executie af te dwingen;

ten aanzien van de gemeenschappelijke financiële activa:
i. dat de vrouw binnen veertien dagen na deze beschikking haar medewerking dient te verlenen aan alle handelingen die de respectievelijke banken nodig achten voor de wijziging van de tenaamstelling van de thans nog ten name van beide partijen bankrekeningen en aandelenportefeuilles in tenaamstelling van de vrouw, bij gebreke waarvan - voor zover het Nederlandse rekeningen betreffen - deze beschikking in de plaats treedt van de benodigde handelingen en handtekeningen van de vrouw;

ten aanzien van de inboedel in de woning in Amsterdam respectievelijk in [staat] ( [locatie] )

i. dat de inboedel in de woning in Amsterdam zal worden toebedeeld aan de man respectievelijk de inboedel in de woning in [staat] ( [locatie] ) aan de vrouw, zonder nadere verrekening over en weer;
ii. dat partijen de inboedel in de onroerende zaken die behoren tot de trust, waarvan de inboedel privébezit is, in onderling overleg verdelen, dan wel inbrengen in de trust,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.



De vrouw heeft geen verweer gevoerd.





Beoordeling



Betekening verzoekschrift 1 juli 2025




Het exploot van dit verzoekschrift is betekend op 14 juli 2025. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat dit exploot de vrouw heeft bereikt. De man heeft het verzoekschrift opnieuw laten betekenen bij exploot van 2 maart 2026.



De rechtbank stelt vast dat deze tweede betekening heeft plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 55 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de bepalingen uit het Haags Betekeningsverdrag 1965, in het bijzonder artikel 10 onder c. Hierbij betrekt de rechtbank dat op 9 maart 2026 de local process server het verzoekschrift van 1 juli 2025 en het betekeningsexploot van 2 maart 2026 (met de daarin genoemde verweertermijn van uiterlijk 2 juni 2026) aan de vrouw in persoon heeft uitgereikt. Dit volgt uit het bericht van 12 maart 2026 van de local process server getiteld ‘Affirmation of Service’ in samenhang met het e-mailbericht van 26 mei 2026 van Claudia Gallo, de advocaat van de man in [staat] , met de daarbij gevoegde bijlagen.



In het betekeningsexploot is de verweertermijn van drie maanden, zoals neergelegd in artikel 816 lid 2 Rv, opgenomen. Het exploot heeft de vrouw echter pas bereikt op 9 maart 2026 zodat sprake is van een termijn van twee maanden en drie weken vanaf de dag dat het exploot de vrouw heeft bereikt. Dat is niet conform artikel 4.1 Procesreglement Scheiding. De rechtbank gaat daar echter in dit geval aan voorbij, mede omdat dit een geringe termijnoverschrijding is. Voorts betrekt de rechtbank daarbij dat, zoals hierna zal blijken, de rechtbank op dit moment uitsluitend een beslissing neemt over de verzochte echtscheiding en uit het dossier blijkt dat ook de vrouw een echtscheiding wenst. De vrouw was op 9 maart 2026 op de hoogte van het echtscheidingsverzoek en de verweertermijn van 2 juni 2026. Zij heeft in ieder geval vanaf 9 maart 2026 tot en met 2 juni 2026 tijd gehad om uitstel te vragen van de verweertermijn dan wel om verweer te voeren tegen het verzoek van de man. Bovendien blijkt uit door de man overgelegde stukken dat de vrouw op de hoogte was van het door de man ingediende verzoek. De rechtbank wijst daarvoor op het WhatsApp-bericht van de vrouw van 11 augustus 2025 en de kopie van de door de vrouw op 21 november 2025 in de Verenigde Staten ingediende Action for Divorce.




Oproep mondelinge behandeling




Indien een echtscheidingsverzoek op juiste wijze is betekend, niet tijdig verweer is gevoerd en er geen minderjarige kinderen zijn die ingevolge artikel 809 Rv in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening kenbaar te maken, kan een mondelinge behandeling achterwege blijven. De rechtbank heeft in deze zaak aanleiding gezien om een mondelinge behandeling te bepalen om te bespreken of de betekening juist heeft plaatsgevonden.



De rechtbank heeft op 16 maart 2026 de oproep voor de mondelinge behandeling per aangetekende post verzonden naar twee adressen van de vrouw: het adres op [locatie] waarop zij formeel in de VS staat ingeschreven, en het adres in [wijk] . De brief is niet bezorgd op het adres in [wijk] . De brief op [locatie] is daar bezorgd op 6 april 2026. De man heeft aangegeven dat de vrouw op dat moment feitelijk zal hebben verbleven op het adres in [wijk] . Het adres op [locatie] betreft het zomerverblijf. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de brief haar heeft bereikt.
Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de oproep voor de mondelinge behandeling in ieder geval op 20 mei 2026 door de local process server aan de vrouw in persoon op het adres in [wijk] is uitgereikt.



De rechtbank stelt vast dat er geen wettelijke termijn geldt voor het bepalen van een mondelinge behandeling in een echtscheidingsprocedure waarin sprake is van een niet verschenen belanghebbende (die in het buitenland woont). Ook het Procesreglement Scheiding kent geen dergelijke termijn. Artikel 7.2 van het Procesreglement Scheiding ziet immers op de situatie waarin sprake is van tegenspraak en de zaak inhoudelijk met beide partijen op zitting moet worden behandeld.
De oproep voor de zitting van 2 juni 2026 heeft de vrouw in ieder geval op 20 mei 2026 bereikt. Hoewel dit slechts twee weken voor de zitting was, acht de rechtbank dit in deze zaak een redelijke termijn. De vrouw had immers sinds 9 maart 2026 het verzoekschrift in haar bezit en was sindsdien op de hoogte van het feit dat zij tot aan 2 juni 2026 verweer kon voeren. Desondanks is zij niet in de procedure verschenen door uitstel te vragen dan wel verweer te voeren. Als de vrouw niet al eerder, door de op [locatie] op 6 april bezorgde oproep, op de hoogte was van de mondelinge behandeling, had zij in ieder geval tussen 20 mei en 2 juni jl. alsnog via een advocaat in de procedure kunnen verschijnen. Dat heeft zij nagelaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw niet in haar procesbelang is geschaad door de mondelinge behandeling doorgang te laten vinden.




Echtscheiding





Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.



De rechtbank zal krachtens artikel 10:56 eerste lid BW Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.




Bevoegdheid Nederlandse rechter

In deze zaak is sprake van een situatie waarin tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp (echtscheiding) zowel in Nederland als in de Verenigde Staten een procedure aanhangig is gemaakt. De vrouw heeft namelijk op 21 november 2025 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de Supreme Court of the State of [staat] . Het verzoekschrift van de man is echter eerder, namelijk op 1 juli 2025, bij deze rechtbank binnengekomen. Dit betekent dat artikel 12 Rv (litispendentie) niet in de weg staat aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.




Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Hoewel de vrouw in de gelegenheid is geweest schriftelijk en mondeling verweer te voeren, heeft zij dat nagelaten. Uit het dossier, in het bijzonder de kopie van de door de vrouw op 21 november 2025 in de Verenigde Staten ingediende Action for Divorce, blijkt dat ook de vrouw wenst het huwelijk te ontbinden. Het verzoek tot echtscheiding kan daarom als op de wet gegrond worden toegewezen.




Nevenvoorzieningen

Bij bericht van 8 mei 2026 heeft de advocaat van de man de verzochte nevenvoorzieningen ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, geconcretiseerd. Dit beschouwt de rechtbank als een vermeerdering van het verzoek als bedoeld in artikel 283 Rv. Artikel 130, specifiek het derde lid, Rv is daarop van overeenkomstige toepassing verklaard. Omdat de vrouw niet in de procedure is verschenen, is een vermeerdering van het verzoek uitgesloten, tenzij deze vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar is gemaakt. Deze tijdigheid is naar het oordeel van de rechtbank niet acht genomen, omdat de termijn van drie maanden daarbij niet in acht is genomen. Het verzoek is immers pas op 20 mei 2026 aan de vrouw in persoon uitgereikt. Op grond van artikel 120 lid 2 Rv zal de man in de gelegenheid worden gesteld om dit te herstellen. Hij dient de vrouw opnieuw een verweertermijn te geven van drie maanden na betekening van het verzoekschrift.



De rechtbank houdt in afwachting hiervan de procedure pro forma aan voor vier maanden, derhalve tot 1 november 2026.




Beslissing
De rechtbank:


*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1985 te [plaats] ;



*
houdt de verzoeken van de man tot het treffen van nevenvoorzieningen pro forma aan tot 1 november 2026.










Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, mr. A.C. Olland, mr. E.E. Kraan, rechters, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 juni 2026.