Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20345

2026-04-20 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.29482 V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-20
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.29482 V
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet is ongegrond; artikel 8:54 Awb; beroep niet tijdig beslissen (ntb); ingebrekestelling is prematuur; besluit- en vertrekmoratorium.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.340 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.29482 V



uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van




[opposant]
, V-nummer: [V-nummer] , opposant
(gemachtigde: mr. M. van Werven),



tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 november 2025 in het geding tussen



opposant



en




de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister).




Inleiding


1. Opposant heeft op 3 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 3 februari 2024.



1.1.
Bij uitspraak van 27 november 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard.



1.2.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.



1.3.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.




Overwegingen over het verzet

2. De rechtbank beoordeelt eerst of in de uitspraak van 27 november 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Het beroep van opposant


4. Opposant heeft op 3 februari 2024 een asielaanvraag ingediend. Hij vindt dat de minister te lang doet over het nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Opposant heeft daarom een beroep ingediend tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag.



De uitspraak van 27 november 2025


5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een premature ingebrekestelling. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat met ingang van 14 december 2024 voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium gold voor de duur van zes maanden, waarbij de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium werden ingediend, is verlengd met een periode van een jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. De beslistermijn op de aanvraag van opposant liep in beginsel tot en met 3 augustus 2024 (zes maanden na het indienen van de aanvraag). In dit geval geldt volgens de rechtbank daarom dat de beslistermijn op 14 december 2025 was verstreken (12 maanden na de inwerkingtreding van het besluitmoratorium). Omdat opposant de minister bij brief van 16 juni 2025 heeft medegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een besluit te nemen, is deze ingebrekestelling te vroeg gestuurd.
Gronden van verzet van opposant
6. Opposant heeft in verzet aangevoerd dat zijn ingebrekestelling ten onrechte prematuur is geacht en de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Opposant voert aan dat er een beslistermijn van 6 maanden geldt, waardoor de beslistermijn in deze zaak is verstreken vóór inwerkingtreding van het besluitmoratorium. Opposant voert ook aan dat met het verstrijken van het besluitmoratorium de beslistermijn terugkeert naar 6 maanden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft opposant gewezen op twee uitspraken van verschillende zittingsplaatsen waaruit, volgens opposant, volgt dat de beslistermijn tijdens een besluitmoratorium niet wordt verlengd, maar als het ware “bevriest”. Opposant stelt verder dat dit aansluit bij de bewoordingen van de Procedurerichtlijn, waarin in artikel 31, vierde lid, wordt gesproken over het “uitstellen” van een besluit in een onzekere situatie. Subsidiair voert opposant aan dat er een beslistermijn van 12 maanden moet worden gehanteerd en verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. Dit betekent volgens opposant dat de beslistermijn was verstreken voordat de ingebrekestelling is ingediend, omdat er meer dan een jaar is verstreken na indiening van de asielaanvraag.



De regels in verzet


7. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.



Het oordeel van de rechtbank


8. Deze verzetsgronden van opposant slagen niet. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Bij uitspraak van 29 januari 2026 heeft deze rechtbank in zaken waarin een vergelijkbaar standpunt is ingenomen, aanleiding gezien anders te oordelen dan zij tot dan toe heeft gedaan. Waar zij eerder oordeelde dat de verlenging van een jaar ingaat op het moment van inwerkingtreding van het moratorium, neemt zij nu aan dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden door het moratorium met een jaar is verlengd. In beginsel geldt dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het moratorium zijn ingediend een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden. De beslistermijn is dus op 3 augustus 2025 verlopen. Het besluitmoratorium is ook van toepassing op asielaanvragen waarvoor de oorspronkelijke beslistermijn al is verstreken op het moment van inwerkingtreding van het besluitmoratorium, maar waarop nog niet is beslist, zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van (het huidige) artikel 43 van de Vw 2000 en vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. De ingebrekestelling was dus prematuur. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het buiten redelijke twijfel is dat het beroep waarop de buiten-zittinguitspraak van 27 november 2025 ziet niet-ontvankelijk is. Het is niet aannemelijk dat een zitting in het licht van het vorenstaande tot een andere uitkomst zou hebben geleid.




Conclusie en gevolgen

9. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 27 november 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.




Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.


Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.


Uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 22 augustus 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:8809, r.o. 3 en 5 en zittingsplaats Utrecht van 7 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11105, r.o. 5-7.


Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 11 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14603.


Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5870.


Tweede Kamer (TK) 1998- 1999, 26 732, nr. 3, p. 49 en TK 1998 - 1999, 26 732, nr. 7, p. 175 en 176.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3082.