Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20265
2026-07-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.19756 en NL26.19757
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Frankrijk, ongegrond.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13086 Rechtbank Den Haag 03-07-2025
- ECLI:EU:C:2022:809
- ECLI:NL:RVS:2016:266 Raad van State 27-01-2016
- ECLI:NL:RVS:2018:4297 Raad van State 21-12-2018
- ECLI:NL:RVS:2019:2669 Raad van State 18-06-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2024:1242 Rechtbank Amsterdam 29-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:3552 Raad van State 30-08-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:5715 Raad van State 27-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.118 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19756 en NL26.19757
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. F.J. Hoppenbrouwer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1
De rechtbank was voornemens om de zaken op 9 juli 2026 ter zitting te behandelen. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij niet ter zitting zullen verschijnen en hebben toestemming gegeven om de zaken buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaken daarom niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiseres heeft op 23 december 2025 in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat zij eerder in Frankrijk een visum heeft gekregen. Dit visum was nog geldig toen eiseres asiel in Nederland had aangevraagd. Frankrijk is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres wil niet terugkeren naar Frankrijk, omdat zij daar slachtoffer is geworden van mensenhandel. Zij overweegt om aangifte te doen en stelt op grond van artikel 6 van Richtlijn 2004/81 recht te hebben op een bedenktijd. Eiseres stelt verder dat het gehoor onzorgvuldig is, nu zij niet is bevraagd over de mogelijke mensenhandel en zij niet is geïnformeerd over de optie om aangifte te doen. Daarnaast is het claimakkoord een standaard Dublin-acceptatie die geen enkele individuele garantie bevat voor de bijzondere situatie van eiseres als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel. Tot slot is eiseres van mening dat verweerder de asielaanvraag aan zich moest trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Bedenktijd
5. De rechtbank stelt voorop dat uit de aanvullende gronden van de gemachtigde van eiseres van 8 juli 2026 blijkt dat eiseres nog steeds geen aangifte heeft gedaan van mensenhandel. De rechtbank stelt daarom vast dat vooralsnog niet vaststaat of eiseres slachtoffer is van mensenhandel. Voor zover moet worden uitgegaan dat zij slachtoffer is, is van belang dat de bevoegdheid om aan een slachtoffer-aangever van mensenhandel een bedenktijd aan te bieden niet bij verweerder ligt, maar bij de AIVM en de KMar. Indien eiseres van mening is dat haar ten onrechte geen bedenktijd is aangeboden, dan dient zij zich hierover te beklagen bij de AVIM of de KMar. Daarbij is ook van belang dat verweerder er in het bestreden besluit terecht op heeft gewezen dat eiseres tijdens het gehoor niets heeft verklaard over het doen van aangifte tegen mensenhandel. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eiseres te bevragen over mensenhandel. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gehoor zorgvuldig heeft plaatsgevonden.
5.1
De rechtbank is verder van oordeel dat uit de uitspraak van 20 oktober 2022 van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat tijdens de bedenktijd wel een overdrachtsbesluit mag worden genomen en zelfs voorbereidingshandelingen ten behoeve van de uitzetting mogen worden verricht. De omstandigheid dat aan eiseres een bedenkperiode toekomt, doet dus niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Frankrijk bevestigd in de uitspraken van 30 augustus 2024 en 27 november 2025. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Frankrijk niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
6.1
De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Daarbij is van belang dat Frankrijk op 18 maart 2026 heeft ingestemd met het claimverzoek. Hiermee belooft Frankrijk de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiseres de kwaliteit van de asielprocedure en opvang in Frankrijk niet zelf heeft ervaren. Eiseres heeft immers nog geen asiel aangevraagd in Frankrijk en is niet eerder als Dublinclaimant aan Frankrijk overgedragen. Eiseres kan zich bij problemen ten aanzien van de Franse asielprocedure of anderszins wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten of de daarvoor geschikte instanties in Frankrijk. Het rapport waar eiseres naar verwijst maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu eiseres geen aangifte heeft gedaan van mensenhandel en vooralsnog niet vaststaat dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Bovendien blijkt uit het rapport niet dat Frankrijk haar als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel niet kan en wil helpen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Verweerder maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiseres om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De door eiseres genoemde omstandigheden met betrekking tot haar gestelde trauma en psychische problemen zijn hiervoor onvoldoende. Daarbij is van belang dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat hij er op mag vertrouwen dat de medische zorg in Frankrijk hetzelfde is als in Nederland. Eiseres kan dus, indien nodig, in Frankrijk om hulp vragen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt, dat verweerder haar asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiseres terecht wordt overgedragen aan Frankrijk. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.
9. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiseres verwijst naar een rapport van GREVIO, aangenomen op 3 juli 2025 en gepubliceerd op 16 september 2025, ‘Building trust by delivering support, protection and justice. France. First thematic evaluation report’.
Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:13086.
Zie ECLI:EU:C:2022:809.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:266, 21 december 2018 ECLI:NL:RVS:2018:4297 en 18 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2669. Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2024:1242.
ECLI:NL:RVS:2024:3552.
ECLI:NL:RVS:2025:5715.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19756 en NL26.19757
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. F.J. Hoppenbrouwer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1
De rechtbank was voornemens om de zaken op 9 juli 2026 ter zitting te behandelen. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij niet ter zitting zullen verschijnen en hebben toestemming gegeven om de zaken buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaken daarom niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiseres heeft op 23 december 2025 in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat zij eerder in Frankrijk een visum heeft gekregen. Dit visum was nog geldig toen eiseres asiel in Nederland had aangevraagd. Frankrijk is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres wil niet terugkeren naar Frankrijk, omdat zij daar slachtoffer is geworden van mensenhandel. Zij overweegt om aangifte te doen en stelt op grond van artikel 6 van Richtlijn 2004/81 recht te hebben op een bedenktijd. Eiseres stelt verder dat het gehoor onzorgvuldig is, nu zij niet is bevraagd over de mogelijke mensenhandel en zij niet is geïnformeerd over de optie om aangifte te doen. Daarnaast is het claimakkoord een standaard Dublin-acceptatie die geen enkele individuele garantie bevat voor de bijzondere situatie van eiseres als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel. Tot slot is eiseres van mening dat verweerder de asielaanvraag aan zich moest trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Bedenktijd
5. De rechtbank stelt voorop dat uit de aanvullende gronden van de gemachtigde van eiseres van 8 juli 2026 blijkt dat eiseres nog steeds geen aangifte heeft gedaan van mensenhandel. De rechtbank stelt daarom vast dat vooralsnog niet vaststaat of eiseres slachtoffer is van mensenhandel. Voor zover moet worden uitgegaan dat zij slachtoffer is, is van belang dat de bevoegdheid om aan een slachtoffer-aangever van mensenhandel een bedenktijd aan te bieden niet bij verweerder ligt, maar bij de AIVM en de KMar. Indien eiseres van mening is dat haar ten onrechte geen bedenktijd is aangeboden, dan dient zij zich hierover te beklagen bij de AVIM of de KMar. Daarbij is ook van belang dat verweerder er in het bestreden besluit terecht op heeft gewezen dat eiseres tijdens het gehoor niets heeft verklaard over het doen van aangifte tegen mensenhandel. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eiseres te bevragen over mensenhandel. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gehoor zorgvuldig heeft plaatsgevonden.
5.1
De rechtbank is verder van oordeel dat uit de uitspraak van 20 oktober 2022 van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat tijdens de bedenktijd wel een overdrachtsbesluit mag worden genomen en zelfs voorbereidingshandelingen ten behoeve van de uitzetting mogen worden verricht. De omstandigheid dat aan eiseres een bedenkperiode toekomt, doet dus niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Frankrijk bevestigd in de uitspraken van 30 augustus 2024 en 27 november 2025. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Frankrijk niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
6.1
De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Daarbij is van belang dat Frankrijk op 18 maart 2026 heeft ingestemd met het claimverzoek. Hiermee belooft Frankrijk de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiseres de kwaliteit van de asielprocedure en opvang in Frankrijk niet zelf heeft ervaren. Eiseres heeft immers nog geen asiel aangevraagd in Frankrijk en is niet eerder als Dublinclaimant aan Frankrijk overgedragen. Eiseres kan zich bij problemen ten aanzien van de Franse asielprocedure of anderszins wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten of de daarvoor geschikte instanties in Frankrijk. Het rapport waar eiseres naar verwijst maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu eiseres geen aangifte heeft gedaan van mensenhandel en vooralsnog niet vaststaat dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Bovendien blijkt uit het rapport niet dat Frankrijk haar als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel niet kan en wil helpen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Verweerder maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiseres om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De door eiseres genoemde omstandigheden met betrekking tot haar gestelde trauma en psychische problemen zijn hiervoor onvoldoende. Daarbij is van belang dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat hij er op mag vertrouwen dat de medische zorg in Frankrijk hetzelfde is als in Nederland. Eiseres kan dus, indien nodig, in Frankrijk om hulp vragen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt, dat verweerder haar asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiseres terecht wordt overgedragen aan Frankrijk. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.
9. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiseres verwijst naar een rapport van GREVIO, aangenomen op 3 juli 2025 en gepubliceerd op 16 september 2025, ‘Building trust by delivering support, protection and justice. France. First thematic evaluation report’.
Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:13086.
Zie ECLI:EU:C:2022:809.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:266, 21 december 2018 ECLI:NL:RVS:2018:4297 en 18 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2669. Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2024:1242.
ECLI:NL:RVS:2024:3552.
ECLI:NL:RVS:2025:5715.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.