Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20258

2026-07-20 Strafrecht 09/308150-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-20
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
09/308150-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Inhalen fietser via berm naast zeer smalle weg, waardoor fietser valt en zwaar lichamelijk letsel oploopt. Vrijspraak artikel 6 WVW. Veroordeling artikel 5 WVW. Straf: geldboete €1000,-

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.786 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Strafrecht



Meervoudige kamer



Parketnummer: 09/308150-25



Datum uitspraak: 20 juli 2026



Tegenspraak



De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:






[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .






1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 juli 2026.


De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. K. Haak naar voren is gebracht.






2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 4 maart 2025 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijkals verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto met daarachter een aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, de Zoetendijk, zich zodanig heeft gedragen dat dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:
Verdachte- heeft een fietser, te weten [slachtoffer] , die vóór hem reed, ingehaald terwijl daartoeonvoldoende ruimte was en/of- heeft zich daarbij onvoldoende vergewist van de verkeerssituatie ter plaatse en/of de aldaaraanwezige passeerhavens en/of- is bij het inhalen van die [slachtoffer] met de bestelbus en/of de aanhanger in aanraking gekomen met (de fiets van) die [slachtoffer] , die daardoor ten val kwam, waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten: meerdere ribbreuken en/of een klaplong en/of een wervelfractuur en/of een bloeding in de bijnier en/of een breuk in het middenhandsbeentje en/of een breuk in de oogkas, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 4 maart 2025 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijkals verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto met daarachter een aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, de Zoetendijk, als volgt te handelen:Verdachte- heeft een fietser, te weten [slachtoffer] , die vóór hem reed, ingehaald terwijl daartoeonvoldoende ruimte was en/of- heeft zich daarbij onvoldoende vergewist van de verkeerssituatie ter plaatse en/of de aldaaraanwezige passeerhavens en/of- is bij het inhalen van die [slachtoffer] met de bestelbus en/of de aanhanger in aanraking gekomen met (de fiets van) die [slachtoffer] , die daardoor ten val kwam,waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten: meerdere ribbreuken en/of een klaplong en/of een wervelfractuur en/of een bloeding in de bijnier en/of een breuk in het middenhandsbeentje en/of een breuk in de oogkas, heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon wordenveroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.






3De bewijsbeslissing


3.1.
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde met dien verstande dat de verdachte naar zijn oordeel aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.




3.2.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit en heeft zich met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




3.3.
Feiten


Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 4 maart 2025 op de Zoetendijk te Reeuwijk een aanrijding heef plaatsgevonden. De betreffende weg is slechts 2.82 meter breed. Op de bewuste dag reed de verdachte in een Ford Transit bus met daarachter een aanhanger. Zoals de officier van justitie op de terechtzitting na raadpleging van open bronnen op het internet naar voren heeft gebracht, heeft het voertuig waar de verdachte mee reed (met buitenspiegels) een breedte van 2.28 meter. Vóór de verdachte reed, in dezelfde richting, het slachtoffer meneer [slachtoffer] op zijn fiets. De breedte van het stuur van een gemiddelde stadfiets is, zoals de officier van justitie ook naar voren bracht, ongeveer 50 centimeter.



De weg was daarmee niet breed genoeg om de fietser te passeren. Toch heeft de verdachte besloten om hem in te halen. De verdachte moest voor de inhaalmanoeuvre de linker wielen van zijn voertuigcombinatie door de berm laten rijden. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de fietser vóór zich heeft zien rijden en daarop naar de linker berm is uitgeweken om hem in te halen. De rechtbank stelt verder op grond van de verkeersongevallen analyse vast dat bij het naar links sturen van de bus, de rechterhoek aan de voorkant van de aanhanger eerst iets naar rechts uitzwenkte, om daarna de bus te volgen richting berm. Bij dat uitzwenken heeft de rechterhoek aan de voorkant van de aanhanger de linker fietstas van het slachtoffer geraakt. Het slachtoffer is hierdoor uit balans geraakt en geraakt door de voor- en vervolgens zijkant van de aanhanger. De aanhangwagen is hierbij in contact gekomen met de bagagedrager van de fiets en heeft de fiets naar voren gedrukt, waardoor het slachtoffer op de grond terecht is gekomen.



De verdachte en zijn raadsman hebben een ander scenario naar voren gebracht. Zij stellen dat de fietser naar links is uitgeweken nadat de bus, die al ruim vóór het inhalen deels door de berm rechtuit reed, eenmaal was gepasseerd. De fietser had er kennelijk geen rekening mee gehouden dat er nog een aanhanger zou volgen en is vervolgens tegen de - tevens nog rechtuit rijdende - aanhanger aangereden. Daarmee valt de verdachte niets te verwijten.



Dit scenario acht de rechtbank niet mogelijk. Hieraan ligt ten grondslag dat, zoals hierboven uiteengezet, de rechterhoek aan de voorkant van de aanhanger de linker fietstas aan de achterkant van de fiets heeft geraakt. De afstand tussen de achterkant van de bus en de voorkant van de aanhanger is gelet op de foto’s in het dossier klein en hier past geen fiets tussen. Daarnaast is uit de foto’s op te maken dat de aanhanger smaller dan de bus is, of althans in ieder geval niet breder. De linker fietstas aan de achterkant van de fiets kan derhalve alleen door de rechterhoek aan de voorkant van de aanhanger geraakt zijn als de aanhanger naar rechts uitgezwenkt is, dat wil zeggen tijdelijk voorbij de breedte van de bus is gekomen. Dit past wel in het scenario zoals beschreven in de verkeersongevallen analyse - waarin de verdachte zijn inhaalmanoeuvre dus pas op korte afstand van het slachtoffer moet hebben ingezet - maar niet in het scenario van de verdachte en zijn raadsman, waarin de verdachte al ruim vóór het inhalen met zijn combinatie deels in de berm rechtuit zou hebben gereden.

Dit scenario wordt door de rechtbank dan ook niet gevolgd.



Als gevolg van het feit heeft het slachtoffer meerdere ribbreuken, een klaplong, een wervelfractuur, een bloeding in de bijnier, een gebroken middenhandsbeentje en een breuk in de oogkas opgelopen. Het slachtoffer heeft na het ongeval acht weken in een revalidatie centrum doorgebracht. Het slachtoffer ervoer vijf maanden na het ongeval nog last van duizeligheid en disfunctioneren van zijn hand. Gezien de aard van het letsel en de duur van het herstel is de rechtbank van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.





3.4.
Partiële vrijspraak primair ten laste gelegde


Bij de beoordeling of er sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.



Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.



De verdachte reed op de bewuste dag met een combinatie (een bestelbus met daarachter een aanhangwagen) op Zoetendijk. Uit het dossier blijkt dat de verdachte zich aan de snelheidslimiet hield.



Vóór de verdachte reed een fietser in dezelfde richting. De weg was niet breed genoeg om de fietser te passeren. Toch heeft de verdachte besloten om de fietser in te halen. De verdachte moest voor de inhaalmanoeuvre met de combinatie de linker wielen door de berm laten rijden. Tijdens de inhaalactie hoorde de verdachte een vreemd geluid. Na de inhaalactie zag de verdachte de fietser gewond op de grond liggen.



De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich had moeten realiseren dat hij de fietser in gevaar zou kunnen brengen, doordat de weg niet breed genoeg was om de fietser veilig te passeren.



Door desalniettemin te besluiten om op korte afstand van de fietser deels via de berm te gaan inhalen, waardoor de aanhanger naar rechts uitzwenkte en de fietser raakte, heeft de verdachte een fout gemaakt. Het gevolg van die fout is geweest dat de fietser ten val is gekomen en zwaar gewond is geraakt.



De rechtbank stelt vast dat er in feite slechts sprake is van één overtreding, zijnde het inhalen van de fietser terwijl daar onvoldoende ruimte voor was (ook niet door deels in de berm te rijden). Hoewel de gevolgen van de voornoemde fout ingrijpend zijn geweest, stelt de rechtbank vast dat de overtreding, onder de omstandigheden waarin deze is begaan, niet van zodanige aard en ernst is dat er sprake is van een misdrijf, namelijk aanmerkelijk onvoorzichtig handelen als bedoeld in artikel 6 van de WVW 1994.



De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, zodat de verdachte van het primair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken. De rechtbank is daarom met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.



Wel vindt de rechtbank dat de verdachte heeft gehandeld in strijd met artikel 5 WVW 1994.




3.5.

Gebruikte bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025070030, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 108).


1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 4 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 10-11):


Op dinsdag 4 maart 2025 reed ik op over de Zoetendijk te Reeuwijk. Ik was de bestuurder van een Ford Transit bus. Achter mijn voertuig had ik een aanhangwagen gekoppeld. Ik zag een fietser voor mij rijden. Ik zag dat de fietser in dezelfde richting fietste als ik. Ik stuurde mijn voertuig naar de linker berm. Ik reed met de linker banden van mijn voertuig in de berm. Ik reed met twee banden in de berm om de man op de fiets in te halen. Ik hoorde een raar geluid. Ik zag de man niet meer. Ik stopte direct mijn voertuig om te kijken waar de man was. Ik zag dat de man op de fiets op de grond lag. Ik zag dat er bloed uit het hoofd kwam van de man.


2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 35-107):


Op dinsdag 4 maart 2025 had op de Zoetendijk, gelegen buiten de bebouwde kom van Reeuwijk in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, het verkeersongeval plaatsgevonden. Wij stelden een onderzoek in naar de toedracht van het verkeersongeval. Wij zagen dat de Zoetendijk op de plaats van het verkeersongeval een, door ons gemeten, breedte van 2,82 had. Wij zagen in de berm van de Zoetendijk een rijspoor, wat kort voor de ongevalslocatie vanaf het asfalt
de berm in ging en kort erna weer terug het asfalt op kwam. De rijrichting van dit rijspoor was in dezelfde richting als die van de betrokkenen. Wij zagen dit doordat de grassprieten verbogen waren in de rijrichting van de betrokkenen. Wij zagen veegsporen op het kopschot van de aanhangwagen, aan de rechtervoorzijde. Wij zagen dat dit recente sporen waren, omdat de aanhangwagen op deze plek "schoon” geveegd was door iets van buitenaf. Wij zagen dat de gehele aanhangwagen erg vies was en dat dit erg afweek, een verstoring in het vuil. Wij zagen een recent veegspoor op het rechter voorportaal van de aanhangwagen, aan de rechtervoorzijde. Wij zagen dat dit recent was, omdat de aanhangwagen op deze plek "schoon” geveegd was door iets van buitenaf. Wij zagen dat de gehele aanhangwagen erg vies was en dat deze verstoring in het vuil erg afweek. Wij zagen op de rechterklep van de aanhangwagen diverse veegsporen tussen het voorportaal en het eerste scharnier. Wij zagen dat deze veegsporen recent waren, omdat de rest van de klep zeer vuil was, en juist hier het vuil weggeveegd leek te zijn door invloed van buitenaf. Wij zagen beschadigingen en grijs/witte en zwarte sporen op het eerste scharnier, aan de rechterkant van de aanhangwagen, gezien vanaf de voorkant. Wij zagen dat deze sporen van de voorkant richting de achterkant gezet waren. Wij zagen dat de bagagedrager aan de achterzijde van de fiets beschadigd was. Wij zagen dat dit een recente schade was, omdat er geen vuil of corrosie zichtbaar was in en direct naast deze schade. Verder zagen wij wel vuil op de rest van de bagagedrager. Wij zagen dat de bagagedrager naar boven en naar voren geduwd was, en dat de buis geknikt was richting de voorzijde van de fiets. Wij zagen een aantal veegsporen op de achterzijde van de linker fietstas. Wij zagen dat deze sporen
recent waren, doordat er vuil op de stof van de fietstas zat.
Met gebruikmaking van de sporen op, en de schades aan de betreffende voertuigen, werden de voertuigen tegen elkaar gepositioneerd. Hierdoor zagen wij hoe de voertuigen zich ongeveer ten opzichte van elkaar bevonden op het moment van het verkeersongeval. Hieruit bleek ons dat de fiets aan de achterzijde geraakt werd door de rechter voorkant van de aanhangwagen. Tijdens de schade-inpassing bleek dat vegen op de rechtervoorkant en zijkant van de aanhangwagenovereenkwamen met de verstoring op de achterkant van de stof van de linkerzijde van de fietstas. Wij zagen dat het patroon op de rechterklep van de aanhangwagen overeenkwam met het patroon in de stof van de linker fietstas.Wij zagen ook dat de schade aan het scharnier, aan de rechterzijde van de aanhangwagen, overeenkwam met de schades aan de bagagedrager en de accu van de fiets, indien deze onder flinke hoek naar links op de weg geplaatst was. Hieruit maakten wij op dat de fiets uit balans is geraakt en tijdens de val geraakt werd door de voor- en vervolgens zijkant van de aanhangwagen. Wanneer de aanhangwagen in contact komt met de fiets, wordt de fiets door het verschil in snelheid en massa vooruitgeduwd. Doordat dit onder een hoek gebeurt, krijgt de fiets een plotselinge kracht in een andere richting. Hierdoor raakt de fiets in onbalans en in dit geval helde de fiets over naar de aanhangwagen toe. Dit betekent dat de fietstas aan de linkerzijde zich op dat moment lager zou bevinden, dan in de aanvangspositie. Wij zagen een patroon in de sporen op de rechterklep van de aanhangwagen, wat overeen lijkt te komen met het patroon van de stof van de fietstas.



De rijbaan was te smal voor de bestelbus met aanhangwagen om de fietser in te kunnen halen. De rechterhoek aan de voorkant van de aanhangwagen heeft de achterzijde van de linker fietstas geraakt en vervolgens werd de achterzijde van de fiets geraakt door de rechterzijde van de aanhangwagen. Dit was alleen mogelijk indien de fiets naar links, richting de bestelauto overhelde en dat komt overeen met het scenario dat de bestelauto de berm inreed. Hierdoor zwenkte vervolgens de aanhangwagen eerst iets uit, waardoor de rechterhoek aan de voorzijde van de aanhangwagen iets uitzwaaide richting de fiets, om daarna de bestelauto te volgen richting de berm. Het gevolg van de botsing tussen de aanhangwagen en de fietstas is dat de fiets uit balans is geraakt. Tijdens deze onbalans is de fiets gaan overhellen naar de aanhangwagen toe, waardoor deze met de voorkant van de aanhangwagen tegen de achterkant van de linker fietstas aankwam. Uiteindelijk kwam de rechterzijkant van de aanhangwagen tegen de achterzijde van de fiets, waardoor deze vooruitgeworpen werd en over het wegdek schoof. De fietser is ten val gekomen en met zijn hoofd op het asfalt terecht gekomen.


3. Het geschrift, te weten een medische verklaring, voor zover inhoudende (p. 31-33):
Patiënt Dhr. [slachtoffer] . Patiënt was opgenomen op 04-03-2025 tot en met 07-03-2025 voor het specialisme traumachirurgie in het Erasmus MC in verband met observatie na trauma. Multipele ribfracturen beiderzijds. Pneumothorax rechts en kleine randpneu. Wervelfractuur Th 11 fractuur (B2) en Th12 fractuur (A3). Leverlaceratie met actieve artenele bloeding intracapsulair. Bloeding bijnier rechts. Fracturen metacarpalen 4 en 5 hand. Orbitabodemfractuur.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 16):


Naar aanleiding van het verkeersongeval van dinsdag 4 maart 2025 op de Zoetendijk te Reeuwijk, heb ik een huisbezoek gebracht aan het slachtoffermeneer [slachtoffer] . Meneer [slachtoffer] werd als gevolge van het ongeval naar het Erasmus MC vervoerd. Vervolgens naar het Groene Hart Ziekenhuis en vervolgens heeft hij ongeveer 8 weken in het revalidatie Centrum de Ronsehof in Gouda doorgebracht. Hij vertelde dat hij nog last heeft van duizeligheid en dat zijn linker hand niet
naar behoren functioneert. Hij met zijn linker hand geen kracht kan zetten en hij hier veel hinder van ondervindt en dat hij nog elke dag last heeft van de gevolgen van het ongeval.






3.6.
De bewezenverklaring


De rechtbank is met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:



hij op 4 maart 2025 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto met daarachter een aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, de Zoetendijk, als volgt heeft gehandeld:Verdachte- heeft een fietser, te weten [slachtoffer] , die vóór hem reed, ingehaald terwijl daartoeonvoldoende ruimte was en - heeft zich daarbij onvoldoende vergewist van de verkeerssituatie ter plaatse en - is bij het inhalen van die [slachtoffer] met de aanhanger van de bestelauto in aanraking gekomen met de fiets van die [slachtoffer] , die daardoor ten val kwam,waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten: meerdere ribbreuken en een klaplong en een wervelfractuur en een bloeding in de bijnier en een breuk in het middenhandsbeentje en een breuk in de oogkas, heeft bekomen, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;



Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.







4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.





5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.





6De strafoplegging


6.1.
De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.




6.2.
Het standpunt van de verdediging


De verdediging heeft verzocht om geen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen omdat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en er sinds het feit geen incidenten zijn geweest.




6.3.
Het oordeel van de rechtbank


Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.



De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersovertreding, ten gevolge waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De bestelbus met daarachter de aanhanger, maakte de verdachte tot een zogeheten sterke weggebruiker. Het slachtoffer reed op een fiets, waardoor deze kwalificeert als kwetsbare weggebruiker. De verdachte heeft deze kenbare asymmetrie ten onrechte niet meegewogen in zijn beslissing om de fietser in te halen, terwijl daar onvoldoende ruimte voor was.



In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte ter zitting erkend heeft dat hij een fout heeft begaan door de fietser in te halen. Tevens neemt de rechtbank in overweging dat de verdachte al langere tijd verkeerdeelnemer is en dat er geen sprake is van andere incidenten.



Nu de rechtbank overtreding van artikel 6 WVW niet bewezen acht, komt de rechtbank tot een andere straf dan door de officier van justitie is geëist.



De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de richtlijnen voor strafvordering van het openbaar ministerie voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.



In zaken zoals deze, waarbij niet te hard is gereden, geen drank of drugs in het spel waren en het voertuig normaal functioneerde, wordt doorgaans een geldboete opgelegd. Alles overwegende acht de rechtbank een geldboete van € 1.000,- passend en geboden.



De combinatie van het inzicht in eigen handelen en het al langere tijd zonder incidenten deelnemen aan het verkeer maakt het recidiverisico laag. De rechtbank ziet dan ook geen toegevoegde waarde in de oplegging van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.







7De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;
- 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994;


Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.





8De beslissing


De rechtbank:



verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;



verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:




overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;




verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot:



een geldboete van € 1.000,-;



bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van 10 dagen.




























Dit vonnis is gewezen door
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. G. Kuijper, rechter,
mr. L.J. van den Herik, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. E.D. Six en M.F. van Straaten, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2026.



Mr. M.F. van Straaten is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.














































ECLI:NL:HR:2004:AO5822 r.o. 3.5.