Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20152

2026-07-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.36350
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.36350
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring, gebreken in de voorfase leiden niet tot onrechtmatigheid van de maatregel, onvolledige motivering van de maatregel is hersteld in aanvullend proces-verbaal, gronden kunnen de maatregel dragen, voortvarend gehandeld.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.754 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.36350


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. In het besluit van 30 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.



2.3.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst tot 8 juli 2026 12 uur om de minister in de gelegenheid te stellen nog nadere stukken te overleggen met betrekking tot het voortvarend werken aan de uitzetting van eiser.



2.4.
De minister heeft op 8 juli 2026 het verslag van het vertrekgesprek met eiser van 7 juli 2026 in geding gebracht. Daarnaast heeft de minister in een brief van 8 juli 2026 toegelicht dat de documenten met betrekking tot de laissez-passer-aanvraag (lp-aanvraag) van eiser niet tijdig aan de rechtbank kunnen worden verstrekt.



2.5.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw 2000 voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen. Ook kan de vreemdelingenbewaring noodzakelijk zijn met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid van het Vb 2000 zich voordoen.



3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.




Leiden gebreken in het voortraject tot onrechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring?

4. Eiser voert allereerst aan dat sprake is van een gebrek in het voortraject, omdat de overbrenging naar een plaats voor gehoor heel lang heeft geduurd.




4.1.
Artikel 50, tweede en derde lid, van de Vw 2000 stelt geen bijzondere eisen aan de overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor en de duur van de periode van overbrenging wordt door de Vw 2000 niet gemaximeerd. Van belang is, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), dat de overbrenging zorgvuldig geschiedt.



4.2.
De rechtbank oordeelt dat er geen grond voor het oordeel bestaat dat de overbrenging zodanig lang heeft geduurd dat de minister in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid. De rechtbank stelt vast dat eiser op 30 juni 2026 om 13:45 uur is staande gehouden. Om 17:10 uur is eiser aangekomen op de brigade van de Koninklijke Marechaussee te Zevenaar om te worden verhoord. Uit het aanvullend proces-verbaal van 5 juli 2026 van de adjudant-onderofficier, behorend tot de brigade van de Koninklijke Marechaussee blijkt dat eiser is staandegehouden bij een grote controle door diverse politie instanties in ‘s-Heerenberg die zag op illegale vreemdelingen die in strijd met de wet arbeid vreemdelingen werkzaam zouden zijn in Nederland. Daarbij is aangegeven dat de staande gehouden vreemdelingen, waaronder eiser, gefaseerd naar Zevenaar zijn vervoerd. Ondanks dat het gaat om een relatief beperkte afstand, acht de rechtbank een duur van overbrenging van 3 uur en 25 minuten niet dermate lang dat de overbrenging niet zorgvuldig is geschied. Eiser heeft ook niet concreet aangevoerd waarom dit onzorgvuldig zou zijn, maar heeft slechts benoemd dat de overbrenging lang heeft geduurd. De beroepsgrond faalt.



Ophouding

5. Eiser voert aan dat de maximale termijn van ophouding van zes uur is overschreden en dat de maatregel van bewaring dus niet tijdig is opgelegd. Eiser is daardoor in zijn belangen geschaad.




5.1.
Artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de ophouding niet langer dan zes uur mag duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s morgens niet wordt meegerekend. De termijn van de ophouding vangt aan op het moment dat de vreemdeling op een plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Dit volgt uit paragraaf A2/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.



5.2.
Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiser is aangevangen op 30 juni 2026 om 17.10 uur. Eiser is op diezelfde datum om 23:25 uur in bewaring gesteld. De maximale duur van zes uur is daarmee overschreden met 15 minuten. Dit heeft de minister ook erkend. Gelet hierop is sprake van een gebrek in het voortraject van het opleggen van de bewaringsmaatregel. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. De minister heeft namelijk terecht geconcludeerd dat eiser daarmee niet in zijn belangen is geschaad. De minister heeft daarin kunnen betrekken dat sprake is van een geringe overschrijding, namelijk 15 minuten, die is ontstaan omdat de adjudant-onderofficier er bij een grootschalige actie alleen voor stond zoals blijkt uit het aanvullend proces-verbaal van 5 juli 2026. Eiser heeft niet concreet gemaakt hoe hij met deze overschrijding in zijn belangen is geschaad. De rechtbank ziet zich gesteund in de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2022.



Maakt het niet volledig motiveren van de maatregel van bewaring de bewaring onrechtmatig?

6. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onvolledig was gemotiveerd. Er is weliswaar op 5 juli 2026 een aanvullend proces-verbaal in geding gebracht waarbij de gronden van de maatregel zijn gemotiveerd, maar dat laat onverlet dat in de tussentijd eiser in bewaring zat op grond van een onvolledige maatregel en daardoor in zijn belangen is geschaad.




6.1.

De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring abusievelijk het gehoor is opgenomen en niet de toelichting en motivering op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen. Dit wordt ook erkend door de minister. In het aanvullend gehoor heeft de adjudant-onderofficier, behorend tot de brigade van de Koninklijke Marechaussee te Zevenaar aangegeven dat:
“Op dinsdag 30 juni 2026 heb ik betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld. Op voornoemde dag werd er door diverse politie instanties een grote controle in
‘s-Heerenberg gehouden op illegale vreemdelingen welke in strijd met de wet arbeid vreemdelingen werkzaam zouden zijn in Nederland.
Deze vreemdelingen zouden werkzaam zijn voor het bedrijf “[naam bedrijf]” gevestigd in ‘s-Heerenberg.
Daarbij is de werkgever ter zake artikel 197 A, B en C wetboek van strafrecht aangehouden.
Ik was tijdens de late dienst de enige hulpofficier van justitie en had tevens geen aangewezen ambtenaar op dienst.
Gedurende mijn dienst moest ik de nog lopende actie coördineren. Mogelijk dat op diverse locaties of verblijfsplaatsen nog meer illegale vreemdelingen zouden worden aangetroffen.
Daarnaast moest ik de hoofdverdachte voorgeleiden na zijn aanhouding Naast mijn dienst van hulpofficier van justitie was ik tevens de dienstdoende Officier van dienst van politie. In deze hoedanigheid moest ik andere collega’s aansturen waarbij een andere locatie van de Koninklijke Marechaussee, het gebouw niet meer op alarm gezet kon worden.”
In het proces-verbaal is erkend dat er fouten staan in de maatregel van bewaring. Vervolgens zijn in dit aanvullende proces-verbaal de gronden wel gemotiveerd.




6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het gebrek in de maatregel van bewaring met het aanvullend proces-verbaal geheeld is. Eiser heeft niet concreet gemaakt dat hij in de tussenliggende periode van vier dagen in zijn belangen is geschaad omdat de maatregel van bewaring onvolledig was. Hierbij betrekt de rechtbank dat de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen, zoals zij hierna zal uitleggen.



Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?


7. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.



7.1.
De minister heeft op de zitting de gronden r, s en u laten vallen.



7.2.
Eiser voert aan dat de minister de c-grond ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd.



7.3.
De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de gronden a en b feitelijk juist zijn en de maatregel al kunnen dragen. Weliswaar betwist eiser de c-grond, maar de overblijvende gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een onderduikrisico bestaat.



Handelt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?

8. Eiser voert aan dat de minister niet heeft onderbouwd dat voortvarend wordt gewerkt aan de uitzetting van eiser.




8.1.

De rechtbank stelt vast dat de minister op 8 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser van 7 juli 2026 aan het dossier heeft toegevoegd. Uit dit vertrekgesprek blijkt dat eiser wil meewerken aan zijn vertrek uit Nederland en met het IOM naar Oezbekistan wil vertrekken.
De minister werkt daarom voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.


ABRVS, 15 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AH9607.


ECLI:NL:RVS:2022:3338.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.