Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20044
2026-03-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.3991 en NL26.3992
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Standaard voornemen en zorgvuldigheid, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dv.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:1642 Raad van State 11-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3623 Raad van State 31-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3724 Raad van State 07-08-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.739 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.3991 (beroep) en NL26.3992 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1990 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat het voornemen slechts een standaardvoornemen is en dat hierin niet is ingegaan op de individuele omstandigheden van de zaak. Eiser betoogt dat het voornemen en het besluit op sommige punten onduidelijk zijn. Eiser stelt dat er in Frankrijk geen sprake was van opvangvoorzieningen, wat een negatief effect op zijn gezondheid had. Eiser lijdt aan hoge bloeddruk en heeft medische hulp nodig. Eiser lijkt niet in aanmerking te komen voor medische zorg in Frankrijk. Bovendien worden in het bestreden besluit nieuwe argumenten ter afwijzing vermeld die niet in het voornemen stonden, terwijl er geen nieuwe feiten of omstandigheden in de procedure zijn ingebracht. Daarnaast geeft eiser aan in Frankrijk in detentie te hebben gezeten en dat verweerder niet bij de Franse autoriteiten heeft nagevraagd wat daarvoor de reden is. Eiser is in Egypte slachtoffer geworden van foltering tijdens detentie waardoor het extra zwaar is voor hem om gedetineerd te worden. Tot slot stelt eiser dat overdracht aan Frankrijk te grote negatieve gevolgen voor eiser zal hebben en een onevenredige hardheid zal inhouden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Standaard voornemen en zorgvuldigheid
5. Met betrekking tot eisers stelling dat verweerder gebruik heeft gemaakt van standaardoverwegingen in het voornemen waardoor de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden ten onrechte niet gemotiveerd betrokken zijn in het voornemen, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat er geen aanleiding wordt gezien om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 23 november 2023 en 11 april 2025, waaruit afgeleid kan worden dat een standaardvoornemen in een dergelijke situatie wel aan de vereisten voldoet. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in de gelegenheid is gesteld om door middel van een zienswijze te reageren op het voornemen. Eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt. Vervolgens is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. In het bestreden besluit is kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor en hetgeen wat in de zienswijze is aangevoerd. Dat met deze werkwijze in het besluit omstandigheden aan de orde kunnen komen die niet eerder in de voornemen zijn genoemd, is niet ongebruikelijk of onzorgvuldig. In het besluit wordt immers aan de hand van de zienswijze een verdere inhoudelijke beoordeling gegeven. Eiser heeft verder niet aangegeven hoe hij in zijn belangen is geschaad door het feit dat in het bestreden besluit op sommige punten andere termen worden gebruikt dan in het voornemen. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit met voldoende zorgvuldigheid tot stand is gekomen en voldoende duidelijk is. Eisers betoog slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten opzichte van Frankrijk in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden in de zaak.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van het uitgangspunt moet worden afgeweken. De hoogste bestuursrechter heeft in diverse uitspraken bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd die tot een ander oordeel leidt. Eisers persoonlijke relaas dat er geen sprake was van opvangvoorzieningen in Frankrijk en dat dit een zeer negatief effect had op zijn gezondheid heeft eiser niet (met stukken) onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat eiser in Frankrijk niet voor medische zorg in aanmerking zal komen. Verder ziet de rechtbank in eisers suggestie dat verweerder bij de Franse autoriteiten informatie had kunnen inwinnen over de redenen van eisers detentie in Frankrijk, geen aanleiding om een nadere onderzoeksplicht voor verweerder aan te nemen. Voor zover eiser hiermee aangeeft dat zijn gestelde detentie in Frankrijk in strijd was met de toepasselijke regelgeving, overweegt de rechtbank dat het aan eiser is om deze stelling te onderbouwen. Tot slot mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij dergelijke en andere voorkomende problemen in de Franse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins, beklaagt bij de betreffende (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan en dat klagen bij voorbaat geen zin heeft.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
7. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De enkele, niet onderbouwde stelling dat een overdracht aan Frankrijk grote negatieve gevolgen voor eiser zal hebben en een onevenredige hardheid inhoudt, biedt onvoldoende aanleiding om tot een andere conclusie te komen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met nummer ECLI:RVS:2023:4348, r.o. 2.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling met nummer ECLI:NL:RVS:2025:1642.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.3991 (beroep) en NL26.3992 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1990 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat het voornemen slechts een standaardvoornemen is en dat hierin niet is ingegaan op de individuele omstandigheden van de zaak. Eiser betoogt dat het voornemen en het besluit op sommige punten onduidelijk zijn. Eiser stelt dat er in Frankrijk geen sprake was van opvangvoorzieningen, wat een negatief effect op zijn gezondheid had. Eiser lijdt aan hoge bloeddruk en heeft medische hulp nodig. Eiser lijkt niet in aanmerking te komen voor medische zorg in Frankrijk. Bovendien worden in het bestreden besluit nieuwe argumenten ter afwijzing vermeld die niet in het voornemen stonden, terwijl er geen nieuwe feiten of omstandigheden in de procedure zijn ingebracht. Daarnaast geeft eiser aan in Frankrijk in detentie te hebben gezeten en dat verweerder niet bij de Franse autoriteiten heeft nagevraagd wat daarvoor de reden is. Eiser is in Egypte slachtoffer geworden van foltering tijdens detentie waardoor het extra zwaar is voor hem om gedetineerd te worden. Tot slot stelt eiser dat overdracht aan Frankrijk te grote negatieve gevolgen voor eiser zal hebben en een onevenredige hardheid zal inhouden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Standaard voornemen en zorgvuldigheid
5. Met betrekking tot eisers stelling dat verweerder gebruik heeft gemaakt van standaardoverwegingen in het voornemen waardoor de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden ten onrechte niet gemotiveerd betrokken zijn in het voornemen, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat er geen aanleiding wordt gezien om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 23 november 2023 en 11 april 2025, waaruit afgeleid kan worden dat een standaardvoornemen in een dergelijke situatie wel aan de vereisten voldoet. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in de gelegenheid is gesteld om door middel van een zienswijze te reageren op het voornemen. Eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt. Vervolgens is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. In het bestreden besluit is kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor en hetgeen wat in de zienswijze is aangevoerd. Dat met deze werkwijze in het besluit omstandigheden aan de orde kunnen komen die niet eerder in de voornemen zijn genoemd, is niet ongebruikelijk of onzorgvuldig. In het besluit wordt immers aan de hand van de zienswijze een verdere inhoudelijke beoordeling gegeven. Eiser heeft verder niet aangegeven hoe hij in zijn belangen is geschaad door het feit dat in het bestreden besluit op sommige punten andere termen worden gebruikt dan in het voornemen. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit met voldoende zorgvuldigheid tot stand is gekomen en voldoende duidelijk is. Eisers betoog slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten opzichte van Frankrijk in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden in de zaak.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van het uitgangspunt moet worden afgeweken. De hoogste bestuursrechter heeft in diverse uitspraken bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd die tot een ander oordeel leidt. Eisers persoonlijke relaas dat er geen sprake was van opvangvoorzieningen in Frankrijk en dat dit een zeer negatief effect had op zijn gezondheid heeft eiser niet (met stukken) onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat eiser in Frankrijk niet voor medische zorg in aanmerking zal komen. Verder ziet de rechtbank in eisers suggestie dat verweerder bij de Franse autoriteiten informatie had kunnen inwinnen over de redenen van eisers detentie in Frankrijk, geen aanleiding om een nadere onderzoeksplicht voor verweerder aan te nemen. Voor zover eiser hiermee aangeeft dat zijn gestelde detentie in Frankrijk in strijd was met de toepasselijke regelgeving, overweegt de rechtbank dat het aan eiser is om deze stelling te onderbouwen. Tot slot mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij dergelijke en andere voorkomende problemen in de Franse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins, beklaagt bij de betreffende (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan en dat klagen bij voorbaat geen zin heeft.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
7. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De enkele, niet onderbouwde stelling dat een overdracht aan Frankrijk grote negatieve gevolgen voor eiser zal hebben en een onevenredige hardheid inhoudt, biedt onvoldoende aanleiding om tot een andere conclusie te komen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met nummer ECLI:RVS:2023:4348, r.o. 2.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling met nummer ECLI:NL:RVS:2025:1642.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.