Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19497
2026-02-26
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4502/11869360
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huurrecht. Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.978 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
MvE (B)
Zaaknummer: 11869360 \ RL EXPL 25-16583
Vonnis van 26 februari 2026
in de zaak van
STICHTING WOONINVEST,
te Voorburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Wooninvest,
gemachtigde: AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders Bergen op Zoom,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 september 2025, met vier producties;- de aantekeningen van de griffier van de op 24 september 2025 mondeling genomen conclusie van antwoord;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 18 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de akte van Wooninvest van 29 januari 2026.
1.2.
Op de mondelinge behandeling is [gedaagde] in persoon verschenen. Namens de gemachtigde van Wooninvest was aanwezig de heer [naam] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Wooninvest verhuurt aan [gedaagde] met ingang van 4 februari 2009 de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 774,50 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden van Wooninvest (versie 29 mei 2007) van toepassing.
2.2.
[gedaagde] is vanaf augustus 2024 meermaals in verzuim geraakt met de (tijdige) nakoming van haar maandelijkse betalingsverplichtingen. Op de datum van de dagvaarding bedroeg de betalingsachterstand € 4.424,50.
2.3.
Wooninvest heeft [gedaagde] gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Wooninvest heeft [gedaagde] daarna bij de [gemeente] aangemeld in het kader van vroegsignalering.
2.4.
Sinds september 2025 wordt de lopende huur voldaan door tussenkomst van de Kredietbank. Sindsdien is de huurachterstand niet verder toegenomen.
3Het geschil
3.1.
Wooninvest vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de huurovereenkomst ontbindt;
[gedaagde] veroordeelt om het gehuurde te ontruimen;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 4.716,85 (€ 4.424,50 huur, € 134,82 buitengerechtelijke incassokosten en € 157,53 rente tot 26 augustus 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.424,50 vanaf 26 augustus 2025;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 774,50 als gebruiksvergoeding voor iedere maand dat [gedaagde] vanaf 31 augustus 2025 het gehuurde in gebruik houdt,
een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Wooninvest legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De omvang van de huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Verder moet [gedaagde] worden veroordeeld om de openstaande huurschuld alsnog te voldoen, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij wil het gehuurde behouden en wil met begeleiding van de gemeente de huurschuld oplossen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Ontbinding en ontruiming
4.1.
De tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van de huurbetalingsverplichting geven in beginsel een grond om de huurovereenkomst overeenkomstig artikel 6:265 lid 1 BW te ontbinden. Dit artikel laat echter de ruimte open dat de omstandigheden van het geval en een weging van de wederzijdse belangen kunnen meebrengen dat de onmiddellijke ontbinding (en ontruiming) toch niet gerechtvaardigd is. Daarbij is bijvoorbeeld van belang of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) wordt ingelopen.
4.2.
Tegen deze achtergrond ziet de kantonrechter aanleiding om [gedaagde] een nieuwe kans te geven. De gevorderde ontbinding zal worden toegewezen, maar dan voorwaardelijk. Als [gedaagde] de lopende huur tijdig blijft betalen, blijft de huurovereenkomst in stand en behoudt zij haar huis. Als echter de huurschuld opnieuw toeneemt, krijgt Wooninvest op basis van dit vonnis het recht om het gehuurde alsnog onmiddellijk – zonder dat er opnieuw een procedure bij de kantonrechter hoeft te worden gevoerd – te ontruimen. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.
4.3.
Allereerst is van belang dat [gedaagde] al lang (ruim zeventien jaar) in het gehuurde woont. Dat maakt de ernst van haar tekortkoming niet minder, maar bij een dergelijk lange huurrelatie is een ontbinding wel extra ingrijpend. Verder weegt mee dat [gedaagde] sinds september 2025 vanuit de Kredietbank begeleiding krijgt bij het beheer van haar financiën. Zij heeft een baan en haar inkomen wordt deels rechtstreeks afgedragen aan de Kredietbank. De Kredietbank zorgt ervoor dat haar vaste lasten, waaronder de huur, tijdig worden voldaan. Sinds september 2025 is de huurachterstand (onbetwist) niet verder toegenomen.
4.4.
Bovendien heeft [gedaagde] op de mondelinge behandeling toegelicht dat zij vanuit de Kredietbank een budgetcoach heeft gekregen. De budgetcoach helpt [gedaagde] om haar schulden inzichtelijk te maken en zal vervolgens de schuldeisers, waaronder Wooninvest, benaderen met een betalingsvoorstel, aldus [gedaagde] . Op de mondelinge behandeling heeft [naam] gezegd dat de budgetcoach zich nog niet heeft gemeld, maar dat Wooninvest bij een aanvaardbaar voorstel (en correcte nakoming daarvan) in beginsel bereid is om af te zien van ontbinding en ontruiming. Op basis van de vrij summiere informatie van [gedaagde] had [naam] echter nog onvoldoende aanknopingspunt om hierover een concreet standpunt in te nemen.
4.5.
Daarom heeft de kantonrechter op de mondelinge behandeling beslist dat de zaak wordt aangehouden om gelegenheid te bieden voor overleg tussen Wooninvest en de budgetcoach van de Kredietbank over een betalingsregeling voor de huurachterstand. Daarbij is Wooninvest verzocht om vervolgens de kantonrechter te informeren over de uitkomst daarvan en te melden of nog een beslissing over de ontbinding en ontruiming nodig is. Bij akte van 29 januari 2026 heeft Wooninvest gemeld dat er contact is geweest met de budgetcoach van de Kredietbank, maar dat er nog geen concreet voorstel is gedaan. Wooninvest vindt dat er vooralsnog weinig voortgang wordt geboekt. Daarom handhaaft Wooninvest haar vorderingen en vraagt zij om een vonnis.
4.6.
De kantonrechter begrijpt de onvrede van Wooninvest over het tijdverloop. Tegelijkertijd volgt uit de akte van Wooninvest dat uit het overleg met de Kredietbank kennelijk wel naar voren is gekomen dat daadwerkelijk een budgetcoach van de Kredietbank bij [gedaagde] is betrokken, dat men bezig is haar financiële situatie op orde te krijgen en dat de insteek is om uiteindelijk aan de schuldeisers, waaronder Wooninvest, een voorstel te doen. In zoverre wordt dus bevestigd wat [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft toegelicht. Uit de akte van Wooninvest leidt de kantonrechter niet af dat het tijdverloop te wijten is aan gebrek aan inzet van [gedaagde] . Bij deze stand van zaken heeft de kantonrechter geen reden om eraan te twijfelen dat [gedaagde] samen met de Kredietbank het ingezette traject vervolgt. In dat geval is er concreet perspectief op een betalingsregeling met betrekking tot de bestaande huurachterstand. Als dat onverhoopt toch niet lukt en/of met Wooninvest daarover geen overeenstemming wordt bereikt, ligt voor de hand dat [gedaagde] wordt begeleid richting de (minnelijke) schuldsanering en dat langs die weg naar een oplossing wordt gezocht voor de bestaande huurachterstand.
4.7.
Deze omstandigheden zouden reden kunnen zijn om af te zien van ontbinding, maar op de mondelinge behandeling heeft [naam] onweersproken naar voren gebracht dat [gedaagde] betrekkelijk recent vanwege slecht betaalgedrag ook al aanleiding heeft gegeven tot een procedure die is uitgemond in een ontbinding en een veroordeling tot ontruiming. Volgens [naam] hebben partijen daarna alsnog een regeling getroffen en heeft Wooninvest toen uiteindelijk afgezien van ontruiming. Rekening houdend met het belang van Wooninvest om bij een nieuwe betalingsachterstand niet opnieuw te moeten procederen over de ontbinding en ontruiming, zal de kantonrechter de vordering tot ontbinding (en ontruiming) niet afwijzen, maar voorwaardelijk toewijzen. Zoals hiervoor al vermeld, houdt de voorwaarde in dat de lopende huur tijdig betaald moet blijven worden. Aan de voorwaarde wordt een tijdsduur verbonden van één jaar. De precieze formulering van een en ander is opgenomen in punt 5.1 en 5.2 van dit vonnis.
De huurachterstand en rente
4.8.
De achterstallige huur bedraagt onbetwist € 4.424,50. De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen tot betaling daarvan. Omdat [gedaagde] te laat is geweest met het betalen van de verschillende huurtermijnen is zij over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd. Ook dat wordt in de veroordeling meegenomen.
Gebruiksvergoeding
4.9.
De vordering tot betaling van een maandelijkse gebruiksvergoeding voor het geval [gedaagde] het gehuurde na 31 augustus 2025 in gebruikt houdt, wordt afgewezen. Op grond van artikel 7:225 BW kan een verhuurder op een dergelijke vergoeding aanspraak maken als een huurder na het einde van de huur het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt (de woning niet verlaat). Omdat, zoals hiervoor toegelicht, in dit geval de huurovereenkomst (onder de genoemde voorwaarden) in stand blijft, is van onrechtmatig gebruik geen sprake. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
Het door Wooninvest gevorderde totaalbedrag omvat een bedrag van € 134,82 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat deel van de vordering zal de kantonrechter afwijzen. Dat wordt hierna toegelicht.
4.11.
De algemene voorwaarden bevatten in artikel 15 bepalingen die betrekking hebben op buitengerechtelijke incassokosten. Omdat de huurovereenkomst is gesloten met een consument moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of deze bepalingen in overeenstemming zijn met het Europese en Nederlandse consumentenrecht, in het bijzonder Richtlijn 93/13/EEG (Richtlijn oneerlijke bedingen). Dat is niet het geval. In artikel 15 lid 1 en 2 van de algemene voorwaarden is het bedrag aan incassokosten niet gemaximeerd en bovendien volgt daaruit dat de incassokosten onmiddellijk, zonder voorafgaande aanmaning, verschuldigd worden. Daarmee wordt ten nadele van de consument-huurder afgeweken van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Dat verstoort het evenwicht tussen de verhuurder en de huurder. Dat brengt mee dat het beding oneerlijk is in de zin van de voormelde Richtlijn en daarom moet worden vernietigd. Daarbij is op basis van vaste rechtspraak niet relevant of de verhuurder de huurder ook daadwerkelijk aan het beding houdt, of, zoals in dit geval, alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt. Als een beding wegens onredelijkheid eenmaal is vernietigd, kan de verhuurder niet meer terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over hetzelfde onderwerp. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet kunnen worden toegewezen.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wooninvest worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.379,45
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen Wooninvest en [gedaagde] met betrekking tot de woning aan het adres [adres] in [plaats] indien en zodra aan de twee navolgende voorwaarden wordt voldaan:
- [gedaagde] in gebreke is met de verplichting om iedere maand tijdig en volledig haar huur te betalen, dit met ingang van de maand maart 2026 tot en met de maand februari 2027, en
- [gedaagde] bij een eventuele betalingsachterstand na ontvangst van een schriftelijke aanmaning de achterstand niet alsnog binnen veertien (14) dagen volledig heeft betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om als aan de in 5.1. genoemde voorwaarden is voldaan, binnen veertien dagen na betekening van een daartoe strekkend bevel het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Wooninvest zijn, en de sleutels af te geven aan Wooninvest,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 4.582,03, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.424,50 vanaf 26 augustus 2025;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.379,45, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
MvE (B)
Zaaknummer: 11869360 \ RL EXPL 25-16583
Vonnis van 26 februari 2026
in de zaak van
STICHTING WOONINVEST,
te Voorburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Wooninvest,
gemachtigde: AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders Bergen op Zoom,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 september 2025, met vier producties;- de aantekeningen van de griffier van de op 24 september 2025 mondeling genomen conclusie van antwoord;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 18 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de akte van Wooninvest van 29 januari 2026.
1.2.
Op de mondelinge behandeling is [gedaagde] in persoon verschenen. Namens de gemachtigde van Wooninvest was aanwezig de heer [naam] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Wooninvest verhuurt aan [gedaagde] met ingang van 4 februari 2009 de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 774,50 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden van Wooninvest (versie 29 mei 2007) van toepassing.
2.2.
[gedaagde] is vanaf augustus 2024 meermaals in verzuim geraakt met de (tijdige) nakoming van haar maandelijkse betalingsverplichtingen. Op de datum van de dagvaarding bedroeg de betalingsachterstand € 4.424,50.
2.3.
Wooninvest heeft [gedaagde] gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Wooninvest heeft [gedaagde] daarna bij de [gemeente] aangemeld in het kader van vroegsignalering.
2.4.
Sinds september 2025 wordt de lopende huur voldaan door tussenkomst van de Kredietbank. Sindsdien is de huurachterstand niet verder toegenomen.
3Het geschil
3.1.
Wooninvest vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de huurovereenkomst ontbindt;
[gedaagde] veroordeelt om het gehuurde te ontruimen;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 4.716,85 (€ 4.424,50 huur, € 134,82 buitengerechtelijke incassokosten en € 157,53 rente tot 26 augustus 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.424,50 vanaf 26 augustus 2025;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 774,50 als gebruiksvergoeding voor iedere maand dat [gedaagde] vanaf 31 augustus 2025 het gehuurde in gebruik houdt,
een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Wooninvest legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De omvang van de huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Verder moet [gedaagde] worden veroordeeld om de openstaande huurschuld alsnog te voldoen, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij wil het gehuurde behouden en wil met begeleiding van de gemeente de huurschuld oplossen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Ontbinding en ontruiming
4.1.
De tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van de huurbetalingsverplichting geven in beginsel een grond om de huurovereenkomst overeenkomstig artikel 6:265 lid 1 BW te ontbinden. Dit artikel laat echter de ruimte open dat de omstandigheden van het geval en een weging van de wederzijdse belangen kunnen meebrengen dat de onmiddellijke ontbinding (en ontruiming) toch niet gerechtvaardigd is. Daarbij is bijvoorbeeld van belang of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) wordt ingelopen.
4.2.
Tegen deze achtergrond ziet de kantonrechter aanleiding om [gedaagde] een nieuwe kans te geven. De gevorderde ontbinding zal worden toegewezen, maar dan voorwaardelijk. Als [gedaagde] de lopende huur tijdig blijft betalen, blijft de huurovereenkomst in stand en behoudt zij haar huis. Als echter de huurschuld opnieuw toeneemt, krijgt Wooninvest op basis van dit vonnis het recht om het gehuurde alsnog onmiddellijk – zonder dat er opnieuw een procedure bij de kantonrechter hoeft te worden gevoerd – te ontruimen. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.
4.3.
Allereerst is van belang dat [gedaagde] al lang (ruim zeventien jaar) in het gehuurde woont. Dat maakt de ernst van haar tekortkoming niet minder, maar bij een dergelijk lange huurrelatie is een ontbinding wel extra ingrijpend. Verder weegt mee dat [gedaagde] sinds september 2025 vanuit de Kredietbank begeleiding krijgt bij het beheer van haar financiën. Zij heeft een baan en haar inkomen wordt deels rechtstreeks afgedragen aan de Kredietbank. De Kredietbank zorgt ervoor dat haar vaste lasten, waaronder de huur, tijdig worden voldaan. Sinds september 2025 is de huurachterstand (onbetwist) niet verder toegenomen.
4.4.
Bovendien heeft [gedaagde] op de mondelinge behandeling toegelicht dat zij vanuit de Kredietbank een budgetcoach heeft gekregen. De budgetcoach helpt [gedaagde] om haar schulden inzichtelijk te maken en zal vervolgens de schuldeisers, waaronder Wooninvest, benaderen met een betalingsvoorstel, aldus [gedaagde] . Op de mondelinge behandeling heeft [naam] gezegd dat de budgetcoach zich nog niet heeft gemeld, maar dat Wooninvest bij een aanvaardbaar voorstel (en correcte nakoming daarvan) in beginsel bereid is om af te zien van ontbinding en ontruiming. Op basis van de vrij summiere informatie van [gedaagde] had [naam] echter nog onvoldoende aanknopingspunt om hierover een concreet standpunt in te nemen.
4.5.
Daarom heeft de kantonrechter op de mondelinge behandeling beslist dat de zaak wordt aangehouden om gelegenheid te bieden voor overleg tussen Wooninvest en de budgetcoach van de Kredietbank over een betalingsregeling voor de huurachterstand. Daarbij is Wooninvest verzocht om vervolgens de kantonrechter te informeren over de uitkomst daarvan en te melden of nog een beslissing over de ontbinding en ontruiming nodig is. Bij akte van 29 januari 2026 heeft Wooninvest gemeld dat er contact is geweest met de budgetcoach van de Kredietbank, maar dat er nog geen concreet voorstel is gedaan. Wooninvest vindt dat er vooralsnog weinig voortgang wordt geboekt. Daarom handhaaft Wooninvest haar vorderingen en vraagt zij om een vonnis.
4.6.
De kantonrechter begrijpt de onvrede van Wooninvest over het tijdverloop. Tegelijkertijd volgt uit de akte van Wooninvest dat uit het overleg met de Kredietbank kennelijk wel naar voren is gekomen dat daadwerkelijk een budgetcoach van de Kredietbank bij [gedaagde] is betrokken, dat men bezig is haar financiële situatie op orde te krijgen en dat de insteek is om uiteindelijk aan de schuldeisers, waaronder Wooninvest, een voorstel te doen. In zoverre wordt dus bevestigd wat [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft toegelicht. Uit de akte van Wooninvest leidt de kantonrechter niet af dat het tijdverloop te wijten is aan gebrek aan inzet van [gedaagde] . Bij deze stand van zaken heeft de kantonrechter geen reden om eraan te twijfelen dat [gedaagde] samen met de Kredietbank het ingezette traject vervolgt. In dat geval is er concreet perspectief op een betalingsregeling met betrekking tot de bestaande huurachterstand. Als dat onverhoopt toch niet lukt en/of met Wooninvest daarover geen overeenstemming wordt bereikt, ligt voor de hand dat [gedaagde] wordt begeleid richting de (minnelijke) schuldsanering en dat langs die weg naar een oplossing wordt gezocht voor de bestaande huurachterstand.
4.7.
Deze omstandigheden zouden reden kunnen zijn om af te zien van ontbinding, maar op de mondelinge behandeling heeft [naam] onweersproken naar voren gebracht dat [gedaagde] betrekkelijk recent vanwege slecht betaalgedrag ook al aanleiding heeft gegeven tot een procedure die is uitgemond in een ontbinding en een veroordeling tot ontruiming. Volgens [naam] hebben partijen daarna alsnog een regeling getroffen en heeft Wooninvest toen uiteindelijk afgezien van ontruiming. Rekening houdend met het belang van Wooninvest om bij een nieuwe betalingsachterstand niet opnieuw te moeten procederen over de ontbinding en ontruiming, zal de kantonrechter de vordering tot ontbinding (en ontruiming) niet afwijzen, maar voorwaardelijk toewijzen. Zoals hiervoor al vermeld, houdt de voorwaarde in dat de lopende huur tijdig betaald moet blijven worden. Aan de voorwaarde wordt een tijdsduur verbonden van één jaar. De precieze formulering van een en ander is opgenomen in punt 5.1 en 5.2 van dit vonnis.
De huurachterstand en rente
4.8.
De achterstallige huur bedraagt onbetwist € 4.424,50. De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen tot betaling daarvan. Omdat [gedaagde] te laat is geweest met het betalen van de verschillende huurtermijnen is zij over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd. Ook dat wordt in de veroordeling meegenomen.
Gebruiksvergoeding
4.9.
De vordering tot betaling van een maandelijkse gebruiksvergoeding voor het geval [gedaagde] het gehuurde na 31 augustus 2025 in gebruikt houdt, wordt afgewezen. Op grond van artikel 7:225 BW kan een verhuurder op een dergelijke vergoeding aanspraak maken als een huurder na het einde van de huur het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt (de woning niet verlaat). Omdat, zoals hiervoor toegelicht, in dit geval de huurovereenkomst (onder de genoemde voorwaarden) in stand blijft, is van onrechtmatig gebruik geen sprake. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
Het door Wooninvest gevorderde totaalbedrag omvat een bedrag van € 134,82 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat deel van de vordering zal de kantonrechter afwijzen. Dat wordt hierna toegelicht.
4.11.
De algemene voorwaarden bevatten in artikel 15 bepalingen die betrekking hebben op buitengerechtelijke incassokosten. Omdat de huurovereenkomst is gesloten met een consument moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of deze bepalingen in overeenstemming zijn met het Europese en Nederlandse consumentenrecht, in het bijzonder Richtlijn 93/13/EEG (Richtlijn oneerlijke bedingen). Dat is niet het geval. In artikel 15 lid 1 en 2 van de algemene voorwaarden is het bedrag aan incassokosten niet gemaximeerd en bovendien volgt daaruit dat de incassokosten onmiddellijk, zonder voorafgaande aanmaning, verschuldigd worden. Daarmee wordt ten nadele van de consument-huurder afgeweken van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Dat verstoort het evenwicht tussen de verhuurder en de huurder. Dat brengt mee dat het beding oneerlijk is in de zin van de voormelde Richtlijn en daarom moet worden vernietigd. Daarbij is op basis van vaste rechtspraak niet relevant of de verhuurder de huurder ook daadwerkelijk aan het beding houdt, of, zoals in dit geval, alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt. Als een beding wegens onredelijkheid eenmaal is vernietigd, kan de verhuurder niet meer terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over hetzelfde onderwerp. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet kunnen worden toegewezen.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wooninvest worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.379,45
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen Wooninvest en [gedaagde] met betrekking tot de woning aan het adres [adres] in [plaats] indien en zodra aan de twee navolgende voorwaarden wordt voldaan:
- [gedaagde] in gebreke is met de verplichting om iedere maand tijdig en volledig haar huur te betalen, dit met ingang van de maand maart 2026 tot en met de maand februari 2027, en
- [gedaagde] bij een eventuele betalingsachterstand na ontvangst van een schriftelijke aanmaning de achterstand niet alsnog binnen veertien (14) dagen volledig heeft betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om als aan de in 5.1. genoemde voorwaarden is voldaan, binnen veertien dagen na betekening van een daartoe strekkend bevel het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Wooninvest zijn, en de sleutels af te geven aan Wooninvest,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 4.582,03, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.424,50 vanaf 26 augustus 2025;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.379,45, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.