Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:19134

2026-02-26 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 26/133
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-26
Publicatiedatum
2026-07-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
26/133
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening

Citeert (2)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (7.723 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 26/133


uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen




[verzoekster], verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),


en


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).




Procesverloop


Bij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het recht van verzoekster op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) vanaf 14 november 2024 ingetrokken en de over de periode van 14 november 2024 tot en met 30 november 2025 te veel verstrekte bijstand van € 10.138,39 van verzoekster teruggevorderd.



Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Verzoekster en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.





Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een geval als dat van verzoekster kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie, welke het voor haar onevenredig bezwaarlijk maakt dat zij de beslissing in bezwaar af moet wachten.

3. Verzoekster beoogt met haar verzoek, in afwachting van de beslissing op bezwaar, dat haar bijstandsuitkering wordt voortgezet. Ter toelichting is op het spoedeisend belang door verzoekster aangevoerd dat zij geen enkele bron van inkomsten heeft, dat zij leningen heeft afgesloten om in haar levensonderhoud te voorzien en dat zij door het bestreden besluit financiële schade ondervindt.
4. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening verband houdt met de terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 14 november 2024 tot en met 30 november 2025 is niet voldaan aan het vereiste van spoedeisend belang. Het gaat namelijk om een wijziging van een rechtstoestand over een periode in het verleden, die op zichzelf geen acute financiële noodsituatie veroorzaakt. Daarom heeft verzoekster in zoverre geen spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.

5. Ook voor wat betreft het verzoek om een voorlopige voorziening dat ziet op de intrekking van de bijstandsuitkering ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen grond voor het aannemen van een acute financiële noodsituatie. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat verzoekster de volgende inkomsten per maand heeft: € 600,- kinderalimentatie, € 400,- kindgebonden budget, € 220,- kinderbijslag en € 100,- uit woningverhuur in [land]. Van een acute dreiging van huisuitzetting van de koopwoning, afsluiting van levering van energie of water is niet gebleken. Verzoekster is bovendien verzekerd voor ziektekosten en heeft niet onderbouwd dat zij schulden heeft die tot gevolg kunnen hebben dat zij binnenkort niet langer verzekerd is voor ziektekosten. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bezwaarprocedure niet door haar kan worden afgewacht.

6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal houden.


6.1.

Over het standpunt van verzoekster dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust en het verhoor van verzoekster heeft plaatsgevonden zonder
onafhankelijke tolk, terwijl zij de Nederlandse taal niet machtig is, heeft de gemachtigde van het college zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er sprake is van een omissie in het besluit. De reden dat de bijstandsuitkering kort na opschorting is ingetrokken is volgens het college dat verzoekster vrijwillig afstand heeft gedaan van haar recht op bijstand zoals blijkt uit haar verhoor tegenover de handhavingsmedewerkers op 10 december 2025.




6.2.
Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster kan worden gehouden aan de verklaring die zij heeft afgelegd tegenover de handhavingsmedewerkers. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat van dit algemene uitgangspunt moet worden afgeweken. Uit het ‘rapportageformulier hoor-wederhoor’ van 10 december 2025 blijkt dat verzoekster tijdens het gesprek is bijgestaan door een Turkse buurvrouw en dat het gesprek heeft plaatsgevonden in de Turkse taal. Verzoekster heeft in het gesprek aangegeven geen gebruik te willen maken van een tolk, zij heeft een gedetailleerde verklaring afgelegd en heeft zonder enig voorbehoud haar verklaring ondertekend. Daarnaast vindt in bezwaar een algehele heroverweging plaats. Als er sprake zou zijn van een onjuiste grondslag, dan kan dat in bezwaar dus worden hersteld.



6.3.
Dit geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voor wat betreft het standpunt van verzoekster dat de intrekking van de bijstandsuitkering geen stand kan houden, omdat er geen mandaat is verleend.

7. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
26 februari 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.





Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2787.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2089.