Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:17730

2026-02-24 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.54699 en NL25.54700
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-24
Publicatiedatum
2026-06-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.54699 en NL25.54700
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, zorgvuldigheid gehoor, interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.321 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL25.54699 (beroep) en NL25.54700 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen




[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.





Beoordeling door de rechtbank



Geen zitting



2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.



Waar gaat deze zaak over?



3. Eiser stelt de Tunesische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1987 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser stelt een persoonlijk probleem te hebben waarvoor de autoriteiten hem geen bescherming kunnen bieden. Hij is bang geen persoonlijke bescherming te kunnen krijgen in Duitsland. Daarnaast heeft verweerder hem niet naar behoren gehoord omtrent zijn bezwaar tegen zijn overdracht. Verweerder had eiser moeten horen over zijn relatie met zijn partner. De bestreden beschikking is standaard en niet gericht op de persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser heeft geen geld om de kosten van juridische bijstand te betalen en heeft feitelijk geen toegang tot de rechter omdat hij de taal niet spreekt en geen kennis heeft van het rechtssysteem. De beschikking is onzorgvuldig tot stand gekomen.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Zorgvuldigheid


5. Met betrekking tot eisers stelling dat hij niet naar behoren is gehoord, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft op 13 september 2025 een aanmeldgehoor met eiser gehouden. Tijdens het aanmeldgehoor is aan eiser gevraagd of hij bezwaren heeft tegen de mogelijke overdracht naar Duitsland. Daarop heeft eiser geantwoord dat hij in Duitsland ruzie heeft gehad met een persoon in de opvang die hem wilde vermoorden. Hij stelt daarna aangifte te hebben gedaan bij de beveiliging. Eiser is daarna weggegaan en heeft verder gesteld geen bewijs te hebben van zijn aangifte. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank niet van oordeel dat eiser niet naar behoren is gehoord. Eiser heeft tijdens het gehoor de mogelijkheid gekregen om zijn bezwaren tegen een overdracht naar Duitsland kenbaar te maken. De rechtbank neemt in overweging dat eiser in staat is gesteld om het gehoor via correcties en aanvullingen en de zienswijze aan te vullen met betrekking tot zijn mogelijke bezwaren tegen een overdracht. Eiser heeft alleen een zienswijze ingediend en daarin gesteld een Nederlandse partner te hebben waarmee hij wil samenwonen. De bezwaren die door eiser tijdens het Dublingehoor zijn genoemd en de relatie met zijn partner zijn vervolgens door verweerder inhoudelijk beoordeeld in de bestreden beschikking. Voor zover eiser stelt dat het op zijn plaats was een aanvullend gehoor te houden, overweegt de rechtbank dat uit het beleid van verweerder volgt dat verweerder eiser alleen uitnodigt voor een aanvullend gehoor indien na het eerdere Dublingehoor nieuwe feiten en omstandigheden naar voren komen die onderzoek of een aanvullend Dublingehoor behoeven. De rechtbank overweegt dat eiser geen nadere informatie heeft overgelegd met betrekking tot de gestelde ruzie in Duitsland waardoor de noodzaak tot een nader onderzoek uitblijft. Verder heeft eiser in zijn zienswijze enkel gesteld een relatie met een Nederlandse partner te hebben, maar heeft hij geen nadere informatie gegeven over bijvoorbeeld de naam of identiteit van deze partner en zijn stelling ook verder niet nader toegelicht of onderbouwd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank onvoldoende grond om te oordelen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hoewel het aan eiser is om zijn stellingen aannemelijk te maken, heeft eiser ook in beroep overigens geen nadere toelichting of onderbouwing gegeven over voornoemde punten.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


6. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De Afdeling heeft in diverse uitspraken bevestigd dat ten aanzien van Duitsland nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij komt dat Duitsland met het claimakkoord gegarandeerd heeft dat de asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen en dat hierbij rekening zal worden gehouden met de Europese asielrichtlijnen en internationale verdragen. Eisers stellingen dat hij geen geld heeft voor rechtsbijstand en dat hij geen feitelijke toegang heeft voor toegang tot de rechter omdat hij de taal niet spreekt treffen geen doel. Anders dan eiser betoogt, heeft hij toegang tot rechtsbijstand in Duitsland. Hoewel een vreemdeling in Duitsland alleen kosteloze rechtsbijstand krijgt als een beroep een reële kans van slagen heeft, biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn deze mogelijkheid aan de lidstaten. Een procedure over de kosteloze rechtsbijstand mag volgens die bepaling niet de daadwerkelijke toegang tot de rechter belemmeren. Als de vreemdeling vindt dat de toegang tot de rechtsbijstand niet goed is of als hij andere problemen ondervindt in de Duitse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins, dan kan hij hierover procederen en klagen in Duitsland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheden er voor hem niet zijn of dat de Duitse (hogere) autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.



Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel


Bent u het niet eens met deze uitspraak?


Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.




Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Zie paragraaf C1/2.6. van de Vc.


Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie de uitspraken van 25 januari 2024 ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024 ECLI:NL:RVS:2024:1902 en 14 februari 2025 ECLI:NL:RVS:2025:588.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2022 ECLI:NL:RVS:2022:1878.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.