Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16874

2026-04-22 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.11685
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-22
Publicatiedatum
2026-06-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.11685
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin/Frankrijk. Beroep ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.015 tekens)
uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11685

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Taheri),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).





Procesverloop


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag met het bestreden besluit van 2 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.



Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.11686, op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, gemachtigde van eiser, L. Neshin als tolk en gemachtigde van verweerder.




Overwegingen



Inleiding



1. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 1987. Hij heeft op 4 augustus 2025 zijn opvolgende asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 2 november 2023 in Frankrijk asiel heeft aangevraagd. Nederland heeft op 12 februari 2025 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft niet tijdig op het terugnameverzoek gereageerd, waardoor een fictief claimakkoord op grond van artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening tot stand is gekomen. Het zonder reactie laten verstrijken van de termijn van twee weken staat gelijk met aanvaarding van het verzoek. Nederland heeft op 10 juli 2025 een aankondiging van de overdracht van eiser aan Frankrijk uitgebracht en eiser is op



22 juli 2025 aan Frankrijk overgedragen. Vervolgens heeft eiser op 4 augustus 2025 opnieuw een asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 3 november 2025 heeft Nederland wederom een claimverzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening aan Frankrijk verstuurd. Op 24 november 2025 is een fictief claimakkoord met Frankrijk tot stand gekomen.




Het bestreden besluit



3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of een met artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden van eiser

4. Eiser stelt dat in zijn geval sprake is van omstandigheden die, in samenhang bezien, maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder had zijn asielaanvraag dan ook onverplicht aan zich moeten trekken. Er zijn volgens eiser concrete aanwijzingen dat Frankrijk internationale verplichtingen niet nakomt. Eiser heeft geen eerlijke rechtsbijstand gekregen en ook geen medische hulp in Frankrijk ontvangen. Na zijn eerdere overdracht is hij op straat beland en kreeg hij geen enkele voorziening. Daarbij heeft eiser hulp gevraagd aan de Franse autoriteiten, maar hierop heeft hij geen reactie gehad. Het had op de weg gelegen van verweerder om onderzoek te doen naar hetgeen eiser heeft verklaard. Ook heeft hij psychische en fysieke problemen, waarbij hij afhankelijk is van de zorgen van zijn familieleden in Nederland. Dit had verweerder zwaarder moeten laten meewegen, ook omdat de Dublinverordening ernaar streeft familiebanden te bevorderen en beschermen. Ter onderbouwing van de psychische problematiek heeft eiser bij de zienswijze een ontslagbericht van de GGz overgelegd. Op de zitting heeft eiser afspraakbevestigingen bij de polikliniek ‘radiologie’ en ‘orthopedie’ in het ziekenhuis laten zien, omdat hij een operatie aan zijn rug moet ondergaan. Deze afspraken staan gepland op 22 april 2026 en 30 april 2026.
5. Eiser verwijst verder naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17258) en betoogt dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of overdracht een reëel risico inhoudt op een aanzienlijke achteruitgang van de gezondheid van eiser.
Beoordeling door de rechtbank



Herhaald en ingelast



6. Verder verwijst eiser in de gronden van beroep naar hetgeen hij heeft gesteld in de zienswijze. De inhoud daarvan wenst hij als herhaald en ingelast te beschouwen. In dit



verband merkt de rechtbank op dat de enkele verwijzing naar en herhaling van
de zienswijze niet kan worden aangemerkt als beroepsgrond en geen gemotiveerde weerlegging is van de reactie van verweerder op de zienswijze, zoals weergegeven in het bestreden besluit. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.




Had verweerder de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich moeten trekken?



7. Verweerder trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Dit staat in artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in samenhang met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.

8. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724, geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen van de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen door landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo).
9. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij bij zijn eerdere Dublin-overdracht aan Frankrijk geen opvang of (medische) voorzieningen heeft gekregen, heeft verweerder dit onvoldoende kunnen vinden om aan te nemen dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem van Frankrijk die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Alleen zijn eigen ervaring is hiervoor onvoldoende en maakt niet zonder meer dat hij als Dublinclaimant risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Daarom geldt dat verweerder er – ondanks eisers eerdere ervaring – nog steeds vanuit mag gaan dat Frankrijk met het claimakkoord garandeert dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling neemt met inachtneming van de internationale verplichtingen. Mocht eiser toch (opnieuw) problemen met het asiel- en opvangsysteem ervaren, dan ligt het op zijn weg om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Eiser stelt weliswaar dat hij dit heeft gedaan, maar in beroep heeft hij hiervan geen stukken overgelegd en hier ook niet concreet naar verwezen voor zover ze bij de



zienwijze zaten. Bovendien is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de stukken die toen waren ingediend. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder onderzoek had moeten doen naar hetgeen eiser heeft verklaard, omdat het – zoals hiervoor uiteengezet – aan eiser is om het vermoeden dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan te weerleggen.



10. Eiser voert verder aan dat zijn medische situatie in combinatie met de afhankelijkheid van zijn familieleden in Nederland een overdracht aan Frankrijk onevenredig hard maken. Op de zitting heeft eiser twee afspraakbevestigingen overgelegd, waaruit blijkt dat hij op 22 maart 2026 een afspraak bij de polikliniek ‘Radiologie’ en op 30 april 2026 een afspraak bij de polikliniek ‘Orthopedie’ heeft. Verder heeft eiser op zitting verklaard dat hij een operatie aan zijn rug moet ondergaan en daarvoor de meeste vooronderzoeken al heeft doorlopen. Nu van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk mag worden uitgegaan, mag echter worden verondersteld dat in Frankrijk vergelijkbare zorgvoorzieningen beschikbaar zijn. De gestelde afhankelijkheid van eiser van zijn familieleden hier in Nederland, maakt dit niet anders. Dit geldt ook voor de algemene stelling dat de Dublinverordening beoogt familiebanden te beschermen. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat zijn afhankelijkheid van familie in Nederland inhoudt dat zijn nichtje hem helpt met huishoudelijke taken. Hierin heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien eisers asielaanvraag onverplicht aan zicht te trekken.
10. Alles bij elkaar heeft verweerder in de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.


12. De beroepsgronden slagen niet.



Gevolgen overdracht voor medische toestand



13. Omdat eiser tijdens de zitting expliciet heeft aangegeven geen beroep op het arrest
C.K. te doen en zich te beperken tot de onevenredige hardheid, zal de rechtbank zijn standpunt dat de medische risico’s bij overdracht onvoldoende zijn onderzocht verder niet bespreken.



Conclusie en gevolgen


14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.




De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






































Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.