Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16480

2026-06-18 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.32392 en NL26.32394
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-06-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.32392 en NL26.32394
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak – beroepen ongegrond

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (5.290 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.32392 en NL26.32394


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen



[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),



en


de minister van Asiel en Migratie , verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).




Procesverloop


Bij besluit van 4 juni 2026 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vw opgelegd.



Verweerder heeft op 9 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven en op diezelfde dag de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.



Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroep moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft de beroepen op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.




Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

2. De aan eiser op 4 juni 2026 opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw is op 9 juni 2026 opgeheven. Gelet hierop is in deze procedure nog alleen ter beoordeling of eiser in aanmerking dient te komen voor een schadevergoeding.

3. Eiser is op 4 juni 2026 vanuit Luxemburg overgedragen onder de Dublinverordening en heeft bij aankomst in Nederland asiel gevraagd. De vervolgens aan eiser opgelegde maatregel van bewaring is dan ook terecht gebaseerd op artikel 59b van de Vw. Daarbij heeft verweerder terecht geconcludeerd dat deze maatregel noodzakelijk was om eisers identiteit en nationaliteit vast te stellen en om de noodzakelijke gegevens te verkrijgen die nodig zijn voor de beoordeling van eisers asielaanvraag en voorts dat eiser de asielaanvraag uitsluitend heeft ingediend om zijn gedwongen terugkeer naar Marokko te verhinderen. Dat laatste heeft eiser zelf ook zo verklaard. Verder is eiser ongedocumenteerd en bestond er een risico op onttrekking aan het toezicht.

4. Na de intrekking van eisers asielaanvraag op 8 juni 2026 verbleef hij niet meer rechtmatig in Nederland. Tegen eiser is namelijk op 22 november 204 een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Dit besluit staat in rechte vast. De op 9 juni 2026 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring is dan ook terecht gebaseerd op verweerders bevoegdheid in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Daarbij stelt verweerder terecht dat de bewaring noodzakelijk is in het belang van de openbare orde vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht onttrekt of zijn uitzetting belemmert.

5. Ter onderbouwing van het risico van onttrekking aan het toezicht, dan wel de belemmering van de uitzetting heeft verweerder in beide maatregelen terecht tegengeworpen dat eiser zonder paspoort en dus niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen en dat eiser met ingang van 4 november 2024 is ondergedoken en zich aldus in strijd met de vreemdelingenwetgeving enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Alleen al deze twee zware gronden zijn genoeg om de beide maatregelen te dragen. De overige aan de maatregelen ten grondslag gelegde gronden hoeven niet te worden besproken aangezien ze niet kunnen leiden tot een gegrond beroep.

6. Verweerder heeft in beide maatregelen met de verwijzing naar de opgenomen gronden voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet volstaat om het hiervoor bedoelde risico te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan één van beide maatregelen in dit geval als onevenredig bezwarend moet worden beschouwd.

7. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden gezegd dat één van beide maatregelen onrechtmatig is opgelegd.

8. De beide beroepen zijn dan ook ongegrond.
9. De verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.


Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.



Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.




Vreemdelingenwet 2000.