Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:14963
2026-06-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.16297
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Duitsland – visum - artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening – digitale handtekening verzoek om heroverweging, geen nieuw verzoek – standaardvoornemen – femicide – interstatelijk vertrouwensbeginsel – C.K. – Tarakhel – beroep ongegrond.
Citeert (7)
- ECLI:EU:C:2018:900
- ECLI:NL:RVS:2023:4348 Raad van State 23-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:292 Raad van State 25-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1902 Raad van State 06-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:588 Raad van State 14-02-2025
- ECLI:EU:C:2017:127
- ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.846 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16297
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).
Procesverloop
Bij het besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1972 en de Turkse nationaliteit te hebben. Zij heeft op 12 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. Uit onderzoek uit EU-Vis blijkt dat de Duitse autoriteiten aan eiseres een visum hebben verleend met een geldigheidsduur van 9 oktober 2025 tot 21 januari 2026. Het visum was nog geldig ten tijde van de indiening van de asielaanvraag van eiseres. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening de Duitse autoriteiten verzocht om eiseres over te nemen. Op 15 januari 2026 hebben de Duitse autoriteiten het verzoek afgewezen, omdat een digitale handtekening ontbrak. Op dezelfde dag heeft verweerder een verzoek om heroverweging verstuurd met de nodige handtekening. De Duitse autoriteiten hebben op 19 januari 2026 het overnameverzoek aanvaard.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder Duitsland niet tijdig verantwoordelijk heeft gesteld voor de behandeling van haar asielaanvraag. Het verzoek van 15 januari 2026 kan volgens eiseres niet worden aangemerkt als een verzoek om heroverweging, maar als een nieuw verzoek dat buiten de in artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening genoemde termijn is gedaan. Daarnaast is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid, nu uit het voornemen niet blijkt dat haar verklaringen en individuele omstandigheden daadwerkelijk bij de beoordeling zijn betrokken. Verder kan ten aanzien van Duitsland niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres is slachtoffer geweest van gendergerelateerd geweld door haar ex-partner en vreest voor femicide dan wel eergerelateerd geweld door hem en zijn familie. De Duitse autoriteiten kunnen eiseres daartegen geen daadwerkelijke en effectieve rechtsbescherming bieden. Daarbij wijst eiseres onder meer op de gestelde bedreigingen, de invloed en het netwerk van haar ex-partner en zijn familie in Duitsland en de door haar overgelegde stukken. Volgens eiseres heeft verweerder haar daarom ten onrechte niet aangemerkt als bijzonder kwetsbaar en ten onrechte geen aanvullende garanties gevraagd aan de Duitse autoriteiten. Ook heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met haar medische en psychische omstandigheden. Tot slot stelt eiseres dat verweerder, gelet op alle individuele omstandigheden, aanleiding had moeten zien om haar asielaanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Overnameverzoek
4. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening kan een verzoekende lidstaat, wanneer hij van oordeel is dat een weigering op een beoordelingsfout berust of wanneer hij over aanvullende elementen beschikt die hij kan doen gelden, binnen drie weken na ontvangst van het negatieve antwoord, verzoeken om heroverweging.
5. Verweerder heeft op 26 november 2025 een overnameverzoek aan de Duitse autoriteiten verzonden. Duitsland heeft het verzoek vervolgens niet geaccepteerd, omdat het verzoek niet was voorzien van de vereiste digitale handtekening. Anders dan eiseres stelt, volgt hieruit niet dat geen sprake was van een overnameverzoek. Uit de afwijzing volgt dat de Duitse autoriteiten het verzoek hebben beoordeeld, de reden voor afwijzing uiteen hebben gezet en expliciet hebben vermeld dat de zaak na indiening van de ontbrekende stukken opnieuw kon worden beoordeeld. Duitsland heeft het verzoek daarmee niet buiten behandeling gesteld of zich op het standpunt gesteld dat geen overnameverzoek was ingediend. Verweerder heeft vervolgens dezelfde dag de ontbrekende digitale handtekening nagezonden en verzocht om heroverweging. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het verzoek van 15 januari 2026 moet worden aangemerkt als een nieuw overnameverzoek.
6. Uit het arrest X-X van het Hof van 13 november 2018 volgt dat de heroverwegings-procedure een eigen termijnsystematiek kent. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijnen voor de heroverwegingsprocedure zijn nageleefd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat Nederland niet verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag.
Voornemen
7. Eiseres wordt niet gevolgd in haar stellingen omtrent het voornemen. Het voornemen is namelijk geen rechtshandeling, maar een voorgenomen mededeling van feitelijke aard die wordt bekendgemaakt aan eiseres. Een voornemen is dus geen op rechtsgevolg gericht besluit. Hoewel niet alle verklaringen van eiseres kenbaar in het voornemen zijn betrokken, zijn daarin wel de door verweerder dragende overwegingen opgenomen. Eiseres heeft door het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit de verklaringen van eiseres uit het aanmeldgehoor en hetgeen eiseres in de zienswijze naar voren heeft gebracht, betrokken. Door eiseres is ook niet geconcretiseerd hoe zij hierdoor in haar belangen is geschaad. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, waarin sprake was van een vergelijkbare handelwijze van verweerder.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Duitsland, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2024, 6 mei 2024 en 14 februari 2025. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat in haar geval hier niet van kan worden uitgegaan. Dat in Duitsland een zelfstandige wettelijke definitie van het begrip 'femicide' ontbreekt, laat onverlet dat eiseres niet heeft gesteld dat de gevreesde handelingen niet strafbaar zijn. Bovendien, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, gelden gendergerelateerde motieven in Duitsland als een strafverzwarende omstandigheid. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Duitse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens haar niet zullen nakomen. De verwijzing van eiseres naar gendergerelateerd geweld en femicide in Duitsland en de gestelde invloed en netwerken van haar ex-partner en zijn familie in Duitsland, is onvoldoende om te concluderen dat bij overdracht een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Haar vrees ziet namelijk op het handelen van derden. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat eiseres zich in Duitsland tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming en dat deze bescherming is geweigerd of ontoereikend is gebleken.
9. De door eiseres overgelegde berichten van haar zus en zwager maken dit niet anders. Uit deze berichten volgt vooral dat zij bezorgd zijn over de financiële gevolgen van de door hen afgegeven garantstelling. Daaruit volgt niet dat de Duitse autoriteiten eiseres geen bescherming kunnen of willen bieden of dat zij haar verblijfsplaats aan derden zullen verstrekken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eiseres bij voorkomende problemen niet kan klagen of dat dit bij voorbaat zinloos is.
Bijzondere, individuele omstandigheden
10. Uit het arrest C.K. volgt dat het aan eiseres is om met medische stukken aannemelijk te maken dat haar overdracht leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Eiseres is hierin niet geslaagd. Daarbij is van belang dat uit de overgelegde stukken weliswaar volgt dat sprake is van medische klachten, maar dat deze stukken geen inzicht geven in de aard, ernst en specialistische behandeling van die klachten. Daaruit blijkt ook niet dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand.
11. Eiseres heeft bovendien niet onderbouwd dat Nederland het meest geschikte land is om haar te behandelen of dat de medische behandeling die zij nodig heeft niet in Duitsland aanwezig en toegankelijk is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan van eiseres als Dublinclaimant. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in haar situatie niet het geval is. Gelet op het voorgaande is er geen reden om aan te nemen dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van eiseres. Van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. is daarom niet gebleken.
12. Op grond van het Tarakhel-arrest dient verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties te vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eiseres is hier niet in geslaagd, nu onvoldoende is gebleken dat er in het geval van eiseres sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiseres heeft niet met concrete en objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat zij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, geen toegang zal hebben tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in Duitsland. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eiseres, de relevante medische gegevens van eiseres worden doorgegeven vóór overdracht. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen.
13. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiseres heeft verder geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd, anders dan de omstandigheden die reeds zijn betrokken, die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
14. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juni door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 1560/2003.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
C-47/17 en C-48/17, ECLI:EU:C:2018:900.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4348.
ECLI:NL:RVS:2024:292.
ECLI:NL:RVS:2024:1902.
ECLI:NL:RVS:2025:588.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16297
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).
Procesverloop
Bij het besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1972 en de Turkse nationaliteit te hebben. Zij heeft op 12 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. Uit onderzoek uit EU-Vis blijkt dat de Duitse autoriteiten aan eiseres een visum hebben verleend met een geldigheidsduur van 9 oktober 2025 tot 21 januari 2026. Het visum was nog geldig ten tijde van de indiening van de asielaanvraag van eiseres. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening de Duitse autoriteiten verzocht om eiseres over te nemen. Op 15 januari 2026 hebben de Duitse autoriteiten het verzoek afgewezen, omdat een digitale handtekening ontbrak. Op dezelfde dag heeft verweerder een verzoek om heroverweging verstuurd met de nodige handtekening. De Duitse autoriteiten hebben op 19 januari 2026 het overnameverzoek aanvaard.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder Duitsland niet tijdig verantwoordelijk heeft gesteld voor de behandeling van haar asielaanvraag. Het verzoek van 15 januari 2026 kan volgens eiseres niet worden aangemerkt als een verzoek om heroverweging, maar als een nieuw verzoek dat buiten de in artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening genoemde termijn is gedaan. Daarnaast is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid, nu uit het voornemen niet blijkt dat haar verklaringen en individuele omstandigheden daadwerkelijk bij de beoordeling zijn betrokken. Verder kan ten aanzien van Duitsland niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres is slachtoffer geweest van gendergerelateerd geweld door haar ex-partner en vreest voor femicide dan wel eergerelateerd geweld door hem en zijn familie. De Duitse autoriteiten kunnen eiseres daartegen geen daadwerkelijke en effectieve rechtsbescherming bieden. Daarbij wijst eiseres onder meer op de gestelde bedreigingen, de invloed en het netwerk van haar ex-partner en zijn familie in Duitsland en de door haar overgelegde stukken. Volgens eiseres heeft verweerder haar daarom ten onrechte niet aangemerkt als bijzonder kwetsbaar en ten onrechte geen aanvullende garanties gevraagd aan de Duitse autoriteiten. Ook heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met haar medische en psychische omstandigheden. Tot slot stelt eiseres dat verweerder, gelet op alle individuele omstandigheden, aanleiding had moeten zien om haar asielaanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Overnameverzoek
4. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening kan een verzoekende lidstaat, wanneer hij van oordeel is dat een weigering op een beoordelingsfout berust of wanneer hij over aanvullende elementen beschikt die hij kan doen gelden, binnen drie weken na ontvangst van het negatieve antwoord, verzoeken om heroverweging.
5. Verweerder heeft op 26 november 2025 een overnameverzoek aan de Duitse autoriteiten verzonden. Duitsland heeft het verzoek vervolgens niet geaccepteerd, omdat het verzoek niet was voorzien van de vereiste digitale handtekening. Anders dan eiseres stelt, volgt hieruit niet dat geen sprake was van een overnameverzoek. Uit de afwijzing volgt dat de Duitse autoriteiten het verzoek hebben beoordeeld, de reden voor afwijzing uiteen hebben gezet en expliciet hebben vermeld dat de zaak na indiening van de ontbrekende stukken opnieuw kon worden beoordeeld. Duitsland heeft het verzoek daarmee niet buiten behandeling gesteld of zich op het standpunt gesteld dat geen overnameverzoek was ingediend. Verweerder heeft vervolgens dezelfde dag de ontbrekende digitale handtekening nagezonden en verzocht om heroverweging. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het verzoek van 15 januari 2026 moet worden aangemerkt als een nieuw overnameverzoek.
6. Uit het arrest X-X van het Hof van 13 november 2018 volgt dat de heroverwegings-procedure een eigen termijnsystematiek kent. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijnen voor de heroverwegingsprocedure zijn nageleefd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat Nederland niet verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag.
Voornemen
7. Eiseres wordt niet gevolgd in haar stellingen omtrent het voornemen. Het voornemen is namelijk geen rechtshandeling, maar een voorgenomen mededeling van feitelijke aard die wordt bekendgemaakt aan eiseres. Een voornemen is dus geen op rechtsgevolg gericht besluit. Hoewel niet alle verklaringen van eiseres kenbaar in het voornemen zijn betrokken, zijn daarin wel de door verweerder dragende overwegingen opgenomen. Eiseres heeft door het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit de verklaringen van eiseres uit het aanmeldgehoor en hetgeen eiseres in de zienswijze naar voren heeft gebracht, betrokken. Door eiseres is ook niet geconcretiseerd hoe zij hierdoor in haar belangen is geschaad. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, waarin sprake was van een vergelijkbare handelwijze van verweerder.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Duitsland, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2024, 6 mei 2024 en 14 februari 2025. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat in haar geval hier niet van kan worden uitgegaan. Dat in Duitsland een zelfstandige wettelijke definitie van het begrip 'femicide' ontbreekt, laat onverlet dat eiseres niet heeft gesteld dat de gevreesde handelingen niet strafbaar zijn. Bovendien, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, gelden gendergerelateerde motieven in Duitsland als een strafverzwarende omstandigheid. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Duitse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens haar niet zullen nakomen. De verwijzing van eiseres naar gendergerelateerd geweld en femicide in Duitsland en de gestelde invloed en netwerken van haar ex-partner en zijn familie in Duitsland, is onvoldoende om te concluderen dat bij overdracht een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Haar vrees ziet namelijk op het handelen van derden. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat eiseres zich in Duitsland tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming en dat deze bescherming is geweigerd of ontoereikend is gebleken.
9. De door eiseres overgelegde berichten van haar zus en zwager maken dit niet anders. Uit deze berichten volgt vooral dat zij bezorgd zijn over de financiële gevolgen van de door hen afgegeven garantstelling. Daaruit volgt niet dat de Duitse autoriteiten eiseres geen bescherming kunnen of willen bieden of dat zij haar verblijfsplaats aan derden zullen verstrekken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eiseres bij voorkomende problemen niet kan klagen of dat dit bij voorbaat zinloos is.
Bijzondere, individuele omstandigheden
10. Uit het arrest C.K. volgt dat het aan eiseres is om met medische stukken aannemelijk te maken dat haar overdracht leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Eiseres is hierin niet geslaagd. Daarbij is van belang dat uit de overgelegde stukken weliswaar volgt dat sprake is van medische klachten, maar dat deze stukken geen inzicht geven in de aard, ernst en specialistische behandeling van die klachten. Daaruit blijkt ook niet dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand.
11. Eiseres heeft bovendien niet onderbouwd dat Nederland het meest geschikte land is om haar te behandelen of dat de medische behandeling die zij nodig heeft niet in Duitsland aanwezig en toegankelijk is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan van eiseres als Dublinclaimant. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in haar situatie niet het geval is. Gelet op het voorgaande is er geen reden om aan te nemen dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van eiseres. Van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. is daarom niet gebleken.
12. Op grond van het Tarakhel-arrest dient verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties te vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eiseres is hier niet in geslaagd, nu onvoldoende is gebleken dat er in het geval van eiseres sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiseres heeft niet met concrete en objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat zij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, geen toegang zal hebben tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in Duitsland. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eiseres, de relevante medische gegevens van eiseres worden doorgegeven vóór overdracht. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen.
13. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiseres heeft verder geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd, anders dan de omstandigheden die reeds zijn betrokken, die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
14. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juni door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 1560/2003.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
C-47/17 en C-48/17, ECLI:EU:C:2018:900.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4348.
ECLI:NL:RVS:2024:292.
ECLI:NL:RVS:2024:1902.
ECLI:NL:RVS:2025:588.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.