Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:14917
2026-02-26
Civiel recht; Arbeidsrecht
11991782 EJ VERZ 25-83541 en 11991943 EJ VERZ 25-8342
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek vernietiging ontslag op staande voet afgewezen. De werknemer heeft, door een collega te mishandelen, ernstig verwijtbaar gehandeld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.449 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats Gouda
Zaaknummer: 11991782 EJ VERZ 25-83541 en 11991943 EJ VERZ 25-8342
Beschikking van de kantonrechter d.d. 26 februari 2026 in de zaak van:
[partij A]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij, tevens verwerende partij,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. E.C. Douma,
tegen
de besloten vennootschap [partij B] B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,
verwerende partij, tevens verzoekende partij,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. M.P.A Hollander.
1Het verloop van de procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van de navolgende stukken, uit welke stukken tevens het verloop van de procedure blijkt:
- het verzoekschrift van [partij A] , ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 1 december 2025;
- het verzoekschrift van [partij B] , ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 2 december 2025;
- het verweerschrift van [partij A] ;
- het verweerschrift van [partij B] ;
- de spreekaantekeningen van mr. Douma;
- de spreekaantekeningen van mr. Hollander;
- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak op 30 januari 2026.
2De beoordeling
2.1
[partij A] verzoekt in deze procedure, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
de vernietiging van het hem gegeven ontslag opstaande voet, met veroordeling van [partij B] om hem het loon door te betalen zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd, alles te vermeerderen met de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente;
Subsidiair:
[partij B] te veroordelen tot betaling van de in het verzoekschrift genoemde vergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
kosten rechtens.
2.2
[partij A] legt het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag. Hij is geboren op [geboortedatum] 1970 en is op 1 september 2012 als algemeen medewerker in dienst getreden bij [partij B] voor laatstelijk 28 uur per week. Feitelijk functioneerde hij bij haar als bedrijfsleider/verkoopleider. [partij A] verdiende laatstelijk bij haar een salaris ad € 2.543,57 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Directeur van [partij B] is [naam 1] . [partij A] werkte veel meer voor [partij B] dan de overeengekomen uren. Hij had een gemiddelde werkweek van 50 à 60 uur. Naast het salaris ad € 2.543,57 bruto ontving [partij A] maandelijks van [partij B] een bedrag ad € 1.300,= netto (contant). In december 2022 verdiende [partij A] bij [partij B] een bedrag ad € 1.689,57 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een bedrag ad € 1.000,= per maand contant. In januari 2023 heeft [partij A] om een loonverhoging gevraagd. [partij B] ging daar aanvankelijk niet mee akkoord. Eind maart 2023 heeft zij ingestemd met een loonsverhoging van 30%. [partij B] betaalde echter ongeveer € 160,= per maand minder dan was toegezegd. Dat leidde tot spanningen. Hierover is gesproken, maar dat leidde niet tot een oplossing. Eind 2024/begin 2025 zijn de werkplaats-chef en hoofdverkoper bij [partij B] vertrokken. Zij zijn niet vervangen. Het gevolg was dat [partij A] samen met een collega vrijwel alle verantwoordelijkheden samen moest dragen. [partij A] moest zo veel overwerken, dat hij overbelast raakte. Er liepen toentertijd discussies over onder meer de vakantiedagen 2024, de hoogte van het salaris en het achterstallig vakantiegeld. [partij A] had berekend dat [partij B] hem nog een bedrag van in het totaal € 25.000,= moest betalen, onder meer vanwege het vele overwerk. Hierover heeft [partij A] op 26 september 2025 gesproken met [naam 1] . Op 30 september 2025 hebben zij hierover opnieuw gesproken in het kantoor van [partij B] . Tijdens dat gesprek zei [naam 1] dat [partij A] geen geld van hem zou krijgen. Daar raakte [partij A] emotioneel van. Vervolgens is er sprake geweest van fysiek contact, waarbij [naam 1] het initiatief nam. [partij A] heeft zich verweerd. Hij heeft [naam 1] niet in het gezicht geslagen. [partij A] herinnert zich dat [naam 1] achteruit stappend niet of niet volledig in zijn stoel ging zitten en met zijn hoofd het bureau heeft geraakt, hetgeen tot zijn verwonding leidde. [naam 1] gebruikt bloedverdunners, waardoor een wond sneller en langer blijft bloeden dan normaal. [partij A] zag dat [naam 1] een bloedwond had. [partij A] is daarvan geschrokken en heeft het kantoor verlaten. Bij dit incident waren geen getuigen aanwezig. Wel is [partij A] , toen hij naar beneden liep, een collega tegengekomen. Beneden heeft [partij A] zijn spullen gepakt, is naar huis gegaan en heeft zich ziek gemeld. Bij brief d.d. 1 oktober 2025 heeft [partij B] hem op staande voet ontslagen. [partij B] heeft aangifte gedaan van mishandeling. [partij A] heeft steeds naar behoren bij [partij B] gefunctioneerd. [partij A] wil primair de vernietiging van het hem gegeven ontslag. Hij berust niet in zijn ontslag. Subsidiair maakt [partij A] aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en de billijke vergoeding. De gefixeerde schadevergoeding bedraagt € 8.241,16 bruto, te vermeerderen met een bedrag ad € 16.900,= netto. De transitievergoeding bedraagt € 11.765,35 bruto, te vermeerderen met een bedrag ad € 24.992,76 netto. De billijke vergoeding is toe te wijzen tot een door de kantonrechter te begroten bedrag. De door [partij B] verzochte gefixeerde schadevergoeding is af te wijzen.
2.3
[partij B] verzoekt om de afwijzing van de verzoeken van [partij A] en om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat het ontslag terecht is gegeven en om aan [partij B] toe te wijzen de gefixeerde schadevergoeding, met veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure. Daartoe voert [partij B] het volgende aan. [partij A] is op [geboortedatum] 1970 geboren en is op 1 september 2012 als algemeen medewerker bij [partij B] in dienst getreden voor laatstelijk 28 uur per week tegen een salaris ad laatstelijk € 2.543,57 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantieslag. [partij A] had bij [partij B] een leidinggevende functie. Op 30 september 2025 heeft [naam 1] [partij A] bij [partij B] op kantoor aangesproken op zijn functioneren. [partij A] was het niet eens met hetgeen [naam 1] hem zei en werd onrustig en boos. [partij B] heeft hem gemaand om rustig te blijven, maar [partij A] stond op van zijn stoel en heeft [naam 1] vier- of vijfmaal in het gezicht gelagen. [partij B] heeft zich trachten te verweren, maar hij zat klem achter zijn bureau. Nadat [partij A] was gestopt met slaan, is hij het kantoor van [partij B] uitgelopen. [naam 1] heeft hem nageroepen dat hij was ontslagen. [naam 2] , een medewerker van [partij B] , die beneden aan het werk was en [naam 1] hoorde roepen, kwam af op het tumult en zag hoe [partij A] met bloed aan zijn vuist het kantoor verliet. In het kantoor trof hij [naam 1] bebloed aan. [naam 2] heeft hem geholpen, heeft foto’s gemaakt van zijn verwondingen en heeft hem naar het ziekenhuis gebracht. Ook [naam 3] heeft [partij A] na het incident zien weglopen. Hij hoorde hem in het voorbij gaan zeggen: Ik heb hem op zijn bek geslagen. [naam 5] heeft schriftelijk verklaard dat hij [partij A] op 30 september 2025 tegen hem heeft horen zeggen dat hij zo boos was geworden op [naam 1] dat hij de controle was verloren en hem een paar klappen had gegeven en dat alles onder het bloed zat. Op 1 oktober 2025 heeft [partij B] het ontslag aan [partij A] bevestigd per WhatsApp en op 2 oktober 2025 per brief. Op 2 oktober 2025 heeft [partij A] de bedrijfseigendommen bij [partij B] ingeleverd. Het incident heeft veel losgemaakt bij de medewerkers van [partij B] . Tot op de dag van vandaag ondervindt [naam 1] nog de naweeën van de klappen die hij heeft gehad. Hij heeft last van hoofdpijn, vanwege een hersenschudding, is erg moe en heeft een lelijk litteken op zijn hoofd. Als gevolg van de mishandeling heeft hij niet kunnen werken en hij is angstig. [partij B] heeft op stel en sprong een nieuwe medewerker moeten aantrekken en moeten inwerken, hetgeen veel tijd en geld heeft gekost. Aangezien de bril van [naam 1] door [partij A] onherstelbaar is beschadigd, heeft hij voor een bedrag ad € 1.002,50 een nieuwe bril moeten kopen. Te oordelen is dat [partij B] [partij A] terecht op staande voet heeft ontslagen. Aangezien [partij A] [partij B] een dringende reden heeft gegeven voor zijn ontslag, kan [partij B] jegens hem aanspraak maken op de gefixeerde schadevergoeding (op basis van een opzegtermijn van 1 maand) ad € 2.747,05 bruto inclusief vakantietoeslag. Voor de toewijzing van de door [partij A] (subsidiair) gevorderde vergoedingen is in de gegeven omstandigheden geen plaats.
2.4
[partij B] verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen vanwege verwijtbaar handelen, althans vanwege een verstoorde arbeidsrelatie, althans omdat sprake is van een combinatie van omstandigheden, met veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure. [partij B] legt daaraan ten grondslag hetgeen hiervoor (in rechtsoverweging 2.3) is vermeld.
2.5
[partij A] heeft verzocht om het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [partij B] af te wijzen, kosten rechtens. Hij legt daaraan ten grondslag hetgeen hiervoor (in rechtsoverweging 2.2) is vermeld. Voor zover het verzoek van [partij B] wordt toegewezen, maakt [partij A] aanspraak op de betaling van de (extra) transitievergoedingen en een in goede justitie te bepalen billijke vergoeding.
2.6
De kantonrechter overweegt het volgende.
2.7
Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte producties staat het volgende vast. [partij A] is geboren op [geboortedatum] 1970 en is op 1 september 2012 als algemeen medewerker in dienst getreden bij [partij B] voor laatstelijk 28 uur per week. Feitelijk functioneerde hij bij haar als bedrijfsleider/verkoopleider. [partij A] verdiende laatstelijk bij haar een salaris ad € 2.543,57 bruto per maand exclusief vakantietoeslag, vermeerderd met een contant betaald bedrag ad € 1.300,= netto per maand. Directeur van [partij B] is [naam 1] . Op 30 september 2025 heeft [naam 1] [partij A] bij [partij B] op kantoor aangesproken op zijn functioneren. Dit leidde tot een handgemeen. [partij B] heeft [partij A] in verband hiermee op 30 september 2025, althans op 1 oktober 2025 ontslagen. [partij A] heeft de bedrijfseigendommen van [partij B] op 2 oktober 2025 ingeleverd. [partij B] heeft het ontslag van [partij A] bij brief d.d. 2 oktober 2025 ontslagen. In deze brief is onder meer geschreven:
Op dinsdag 30 september 2025 had u een gesprek met uw werkgever de heer [naam 1] . Tijdens dat gesprek heeft u de heer [partij B] op enig moment fysiek aangevallen en in het gezicht geslagen. De heer [partij B] heeft hier letsel aan overgehouden.
Dit gedrag is onder geen enkel beding acceptabel en/of te rechtvaardigen en maakt het onmogelijk om de arbeidsovereenkomst nog langer voort te zetten.
Uw handelwijze vormt voor ons een dringende reden (…) op grond waarvan wij de arbeidsovereenkomst met u met onmiddellijke ingang hebben beëindigd.
Op 9 oktober 2025 heeft [naam 1] aangifte gedaan tegen [partij A] vanwege mishandeling, gepleegd op 30 september 2025.
2.8
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is iedere partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te nemen. Hij moet hierbij de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook indien de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst desondanks gerechtvaardigd was.
2.9
[partij B] stelt dat [partij A] [naam 1] op 30 september 2025 tijdens het werk vier à vijf keer in het gezicht heeft geslagen, als gevolg waarvan [naam 1] blauwe ogen en een bloedwond heeft opgelopen, terwijl hierdoor ook zijn bril onherstelbaar beschadigd is geraakt. [partij A] betwist niet dat er op die datum tussen hem en [naam 1] fysiek contact is geweest, maar hij stelt dat [naam 1] het fysiek contact heeft geïnitieerd, dat hij zich alleen heeft verweerd en dat [naam 1] verkeerd op de stoel achter zijn bureau is gaan zitten, waardoor hij met zijn voorhoofd het bureaublad heeft geraakt en gewond is geraakt. Hierover overweegt de kantonrechter het volgende.
2.10
[partij B] heeft haar stelling onderbouwd met een schriftelijke verklaring van [naam 2] d.d. 8 oktober 2025. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
Ik werk als oproepkracht bij Autobedrijf [partij B] . (…)
Op dinsdag 30 september 2025 gebeurde er iets ernstigs. Mijn leidinggevende, [partij A] , had een aanvaring met [naam 1] .
Zoals gebruikelijk werd rond 11.30 uur de administratie doorgenomen. Dit gebeurt twee keer per week door [naam 1] en [partij A] . Soms gebeurt dit in het verkoopkantoor, maar als het daar druk is, verplaatsen ze zich naar het kantoor van [naam 1] op de 1e verdieping. Ook die dag gingen ze daarheen.
Op een gegeven moment hoorde ik boven mij gestommel. Ik hoorde [naam 1] roepen: “Doe normaal man, kap ermee!” Ik rende de trap op en op dat moment liep [partij A] het kantoortje uit. [naam 1] zat bebloed in zijn stoel. Zijn neus en hoofd bloedden hevig en er zaten overal bloedspetters. Ik heb snel handdoeken gepakt en aan hem gegeven. [naam 1] vroeg mij daarna of ik [partij A] kon tegen houden. Ik probeerde dit, maar [partij A] wilde de autosleutels niet afgegeven. Hij pakte rustig zijn spullen (…) en vertrok. Daarna ben ik weer naar boven gegaan, heb wat foto’s gemaakt en Eerste Hulp gebeld. Samen zijn we naar het ziekenhuis in Leiderdorp gereden. Daar konden ze alleen tijdelijk verbinden en verwezen ze ons door naar de huisarts. Daar zijn de wonden van [naam 1] behandeld met Zwaluwstaartjes en lijm.
(…)
[partij B] onderbouwt haar stelling verder met de kennelijk door [naam 2] gemaakte foto’s, waarop [partij B] , gezeten op een bureaustoel, is te zien met een bebloed hoofd en bloedspetters op de grond en voorts met foto’s waarop het gezicht van [partij B] is afgebeeld met twee blauwe ogen en een behandelde wond boven zijn linker wenkbrauw. [partij B] onderbouwt haar stelling verder met een schriftelijke verklaring van [naam 4] d.d. 27 november 2025. Daarin is onder meer het volgende geschreven:
Hierbij verklaar ik (…) dat, ik [partij A] naar boven zag lopen om samen met [naam 1] administratie door te nemen.
Even later hoorde ik geschreeuw boven en zag ik mijn collega [naam 2] naar boven rennen. [partij A] zag ik vervolgens met een flinke looppas naar beneden komen. Hij liep lang mij en zei “ik heb hem op zijn bek geslagen”. [partij A] pakte de tenaamstellingscodes en de sleutels van de Volkswagen ID.4 en de rest van zijn spullen (…). Vervolgens liep hij naar de Volkswagen ID4 en reed weg.
[partij B] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verder in het geding gebracht een e-mailbericht d.d. 9 januari 2026 van [naam 5] . Daarin is onder meer het volgende geschreven:
Ik had voor [partij A] een schade gerepareerd aan de auto van zijn moeder
mark moest deze bij mij nog komen betalen (…)
toen belde mark mij op 30 september 2025 en zij dat hij met [naam 1] een gespek had gehad en dat hij daar zo boos was geworden op [naam 1] dat hij de controle was verloren en [naam 1] een paar klappen had gegeven en dat alles onder het bloed zat
(…)
hij is een van de dagen daarop nog komen betalen , ook toen heft hij in het bijzijn van mijn collega nog een keer verteld dat hij de controle was verloren en dat hij [naam 1] had geslagen.
In het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2025 heeft [naam 1] aan de politie het volgende verklaard:
Op dinsdag 30-09-2025 omstreeks 11.30 uur bevond ik mij samen met [partij A] in mijn kantoor. Naast de zakelijke bespreking, die ongeveer 10 minuten duurde, sprak ik [partij A] aan op persoonlijke zaken die invloed hebben op zijn functioneren zoals zijn afwezigheid.
Ik hoorde dat [partij A] tegen mij zei dat hij het er niet mee eens was waarover ik hem aansprak. Ik zag dat [partij A] ging draaien op zijn stoel. Ik zag aan zijn gezicht dat hij boos werd. Ik zei tegen [partij A] dat hij rustig moest doen omdat we gewoon in gesprek zijn. Ik zag dat [partij A] opeens opstond, zich naar mijn toedraaide en opeens voelde ik harde klappen in mijn gezicht. Ik voelde dat ik geraakt werd vlak boven mijn linkeroog en op mijn neus. Ik voelde dat ik 4 of 5 keer werd geslagen, vermoedelijk met de vuist. Ik voelde hevige pijn in mijn gezicht. Ik riep: “Doe normaal, kap hiermee.”
[partij A] hield opeens op met slaan en verliet het kantoor. (…) Ik zag dat mijn bril door het slaan stuk was gegaan en op de vloer lag, tevens zag ik dat er overal bloed op de vloer lag. Mijn collega [naam 2] , zijnde medewerker Verkoop, kwam mijn kantoor binnen op het moment dat [partij A] mijn kantoor uitliep. (…)
Op grond van deze verklaringen is de stelling van [partij B] voldoende aannemelijk en wordt de stelling van [partij A] verworpen. De woorden “Doe normaal man, kap ermee!”, zoals vermeld in de verklaring van [naam 2] en het proces-verbaal van de politie, duiden er op dat niet [partij B] , maar [partij A] is gaan slaan. Indien de gang van zaken zo zou zijn geweest als [partij A] heeft beschreven, had het bovendien voor de hand had gelegen dat hij [naam 1] , nadat hij met zijn hoofd op het bureaublad terecht was gekomen en daardoor gewond was geraakt, te hulp zou zijn geschoten, op de wijze zoals [naam 2] in zijn verklaring heeft beschreven. Dat heeft hij niet gedaan. Hij is dadelijk na het incident weggelopen van het werk. Voor zover [partij A] zich, zoals hij stelt, alleen verweerd zou hebben, is verder niet te verklaren dat [naam 1] duidelijk als enige met verwondingen en een kapotte bril uit het handgemeen tevoorschijn is gekomen.
2.11
Doordat [partij A] [naam 1] heeft mishandeld, heeft hij ernstig verwijtbaar gehandeld. [partij B] heeft [partij A] om die reden terecht en onverwijld op staande voet ontslagen. Op de transitievergoeding kan [partij A] in de gegeven omstandigheden geen aanspraak maken. Het niet toekennen van die vergoeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Te oordelen is aldus dat alle verzoeken van [partij A] zijn af te wijzen. De tot het bedrag ad € 2.747,05 bruto door [partij B] verzochte gefixeerde schadevergoeding is toe te wijzen. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen zoals hierna wordt vermeld. Bij de door [partij B] verzochte verklaring voor recht heeft zij, gelet op hetgeen zojuist is overwogen, onvoldoende belang, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
2.12
[partij A] is de partij die bij deze beschikking in het ongelijk wordt gesteld. Hij wordt om die reden veroordeeld in de kosten van de procedures. Voor zover er nakosten zijn te maken, levert deze beschikking daarvoor de titel op.
3Beslissing
De kantonrechter:
Op de verzoeken van [partij A] :
wijst de verzoeken af;
veroordeelt [partij A] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van [partij B] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 865,= voor salaris gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Op het verzoek van [partij B] :
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] te betalen een bedrag ad € 2.747,05 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [partij A] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van [partij B] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 577,= voor salaris gemachtigde;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. M. Nijenhuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2026.
Zittingsplaats Gouda
Zaaknummer: 11991782 EJ VERZ 25-83541 en 11991943 EJ VERZ 25-8342
Beschikking van de kantonrechter d.d. 26 februari 2026 in de zaak van:
[partij A]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij, tevens verwerende partij,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. E.C. Douma,
tegen
de besloten vennootschap [partij B] B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,
verwerende partij, tevens verzoekende partij,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. M.P.A Hollander.
1Het verloop van de procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van de navolgende stukken, uit welke stukken tevens het verloop van de procedure blijkt:
- het verzoekschrift van [partij A] , ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 1 december 2025;
- het verzoekschrift van [partij B] , ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 2 december 2025;
- het verweerschrift van [partij A] ;
- het verweerschrift van [partij B] ;
- de spreekaantekeningen van mr. Douma;
- de spreekaantekeningen van mr. Hollander;
- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak op 30 januari 2026.
2De beoordeling
2.1
[partij A] verzoekt in deze procedure, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
de vernietiging van het hem gegeven ontslag opstaande voet, met veroordeling van [partij B] om hem het loon door te betalen zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd, alles te vermeerderen met de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente;
Subsidiair:
[partij B] te veroordelen tot betaling van de in het verzoekschrift genoemde vergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
kosten rechtens.
2.2
[partij A] legt het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag. Hij is geboren op [geboortedatum] 1970 en is op 1 september 2012 als algemeen medewerker in dienst getreden bij [partij B] voor laatstelijk 28 uur per week. Feitelijk functioneerde hij bij haar als bedrijfsleider/verkoopleider. [partij A] verdiende laatstelijk bij haar een salaris ad € 2.543,57 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Directeur van [partij B] is [naam 1] . [partij A] werkte veel meer voor [partij B] dan de overeengekomen uren. Hij had een gemiddelde werkweek van 50 à 60 uur. Naast het salaris ad € 2.543,57 bruto ontving [partij A] maandelijks van [partij B] een bedrag ad € 1.300,= netto (contant). In december 2022 verdiende [partij A] bij [partij B] een bedrag ad € 1.689,57 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een bedrag ad € 1.000,= per maand contant. In januari 2023 heeft [partij A] om een loonverhoging gevraagd. [partij B] ging daar aanvankelijk niet mee akkoord. Eind maart 2023 heeft zij ingestemd met een loonsverhoging van 30%. [partij B] betaalde echter ongeveer € 160,= per maand minder dan was toegezegd. Dat leidde tot spanningen. Hierover is gesproken, maar dat leidde niet tot een oplossing. Eind 2024/begin 2025 zijn de werkplaats-chef en hoofdverkoper bij [partij B] vertrokken. Zij zijn niet vervangen. Het gevolg was dat [partij A] samen met een collega vrijwel alle verantwoordelijkheden samen moest dragen. [partij A] moest zo veel overwerken, dat hij overbelast raakte. Er liepen toentertijd discussies over onder meer de vakantiedagen 2024, de hoogte van het salaris en het achterstallig vakantiegeld. [partij A] had berekend dat [partij B] hem nog een bedrag van in het totaal € 25.000,= moest betalen, onder meer vanwege het vele overwerk. Hierover heeft [partij A] op 26 september 2025 gesproken met [naam 1] . Op 30 september 2025 hebben zij hierover opnieuw gesproken in het kantoor van [partij B] . Tijdens dat gesprek zei [naam 1] dat [partij A] geen geld van hem zou krijgen. Daar raakte [partij A] emotioneel van. Vervolgens is er sprake geweest van fysiek contact, waarbij [naam 1] het initiatief nam. [partij A] heeft zich verweerd. Hij heeft [naam 1] niet in het gezicht geslagen. [partij A] herinnert zich dat [naam 1] achteruit stappend niet of niet volledig in zijn stoel ging zitten en met zijn hoofd het bureau heeft geraakt, hetgeen tot zijn verwonding leidde. [naam 1] gebruikt bloedverdunners, waardoor een wond sneller en langer blijft bloeden dan normaal. [partij A] zag dat [naam 1] een bloedwond had. [partij A] is daarvan geschrokken en heeft het kantoor verlaten. Bij dit incident waren geen getuigen aanwezig. Wel is [partij A] , toen hij naar beneden liep, een collega tegengekomen. Beneden heeft [partij A] zijn spullen gepakt, is naar huis gegaan en heeft zich ziek gemeld. Bij brief d.d. 1 oktober 2025 heeft [partij B] hem op staande voet ontslagen. [partij B] heeft aangifte gedaan van mishandeling. [partij A] heeft steeds naar behoren bij [partij B] gefunctioneerd. [partij A] wil primair de vernietiging van het hem gegeven ontslag. Hij berust niet in zijn ontslag. Subsidiair maakt [partij A] aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en de billijke vergoeding. De gefixeerde schadevergoeding bedraagt € 8.241,16 bruto, te vermeerderen met een bedrag ad € 16.900,= netto. De transitievergoeding bedraagt € 11.765,35 bruto, te vermeerderen met een bedrag ad € 24.992,76 netto. De billijke vergoeding is toe te wijzen tot een door de kantonrechter te begroten bedrag. De door [partij B] verzochte gefixeerde schadevergoeding is af te wijzen.
2.3
[partij B] verzoekt om de afwijzing van de verzoeken van [partij A] en om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat het ontslag terecht is gegeven en om aan [partij B] toe te wijzen de gefixeerde schadevergoeding, met veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure. Daartoe voert [partij B] het volgende aan. [partij A] is op [geboortedatum] 1970 geboren en is op 1 september 2012 als algemeen medewerker bij [partij B] in dienst getreden voor laatstelijk 28 uur per week tegen een salaris ad laatstelijk € 2.543,57 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantieslag. [partij A] had bij [partij B] een leidinggevende functie. Op 30 september 2025 heeft [naam 1] [partij A] bij [partij B] op kantoor aangesproken op zijn functioneren. [partij A] was het niet eens met hetgeen [naam 1] hem zei en werd onrustig en boos. [partij B] heeft hem gemaand om rustig te blijven, maar [partij A] stond op van zijn stoel en heeft [naam 1] vier- of vijfmaal in het gezicht gelagen. [partij B] heeft zich trachten te verweren, maar hij zat klem achter zijn bureau. Nadat [partij A] was gestopt met slaan, is hij het kantoor van [partij B] uitgelopen. [naam 1] heeft hem nageroepen dat hij was ontslagen. [naam 2] , een medewerker van [partij B] , die beneden aan het werk was en [naam 1] hoorde roepen, kwam af op het tumult en zag hoe [partij A] met bloed aan zijn vuist het kantoor verliet. In het kantoor trof hij [naam 1] bebloed aan. [naam 2] heeft hem geholpen, heeft foto’s gemaakt van zijn verwondingen en heeft hem naar het ziekenhuis gebracht. Ook [naam 3] heeft [partij A] na het incident zien weglopen. Hij hoorde hem in het voorbij gaan zeggen: Ik heb hem op zijn bek geslagen. [naam 5] heeft schriftelijk verklaard dat hij [partij A] op 30 september 2025 tegen hem heeft horen zeggen dat hij zo boos was geworden op [naam 1] dat hij de controle was verloren en hem een paar klappen had gegeven en dat alles onder het bloed zat. Op 1 oktober 2025 heeft [partij B] het ontslag aan [partij A] bevestigd per WhatsApp en op 2 oktober 2025 per brief. Op 2 oktober 2025 heeft [partij A] de bedrijfseigendommen bij [partij B] ingeleverd. Het incident heeft veel losgemaakt bij de medewerkers van [partij B] . Tot op de dag van vandaag ondervindt [naam 1] nog de naweeën van de klappen die hij heeft gehad. Hij heeft last van hoofdpijn, vanwege een hersenschudding, is erg moe en heeft een lelijk litteken op zijn hoofd. Als gevolg van de mishandeling heeft hij niet kunnen werken en hij is angstig. [partij B] heeft op stel en sprong een nieuwe medewerker moeten aantrekken en moeten inwerken, hetgeen veel tijd en geld heeft gekost. Aangezien de bril van [naam 1] door [partij A] onherstelbaar is beschadigd, heeft hij voor een bedrag ad € 1.002,50 een nieuwe bril moeten kopen. Te oordelen is dat [partij B] [partij A] terecht op staande voet heeft ontslagen. Aangezien [partij A] [partij B] een dringende reden heeft gegeven voor zijn ontslag, kan [partij B] jegens hem aanspraak maken op de gefixeerde schadevergoeding (op basis van een opzegtermijn van 1 maand) ad € 2.747,05 bruto inclusief vakantietoeslag. Voor de toewijzing van de door [partij A] (subsidiair) gevorderde vergoedingen is in de gegeven omstandigheden geen plaats.
2.4
[partij B] verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen vanwege verwijtbaar handelen, althans vanwege een verstoorde arbeidsrelatie, althans omdat sprake is van een combinatie van omstandigheden, met veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure. [partij B] legt daaraan ten grondslag hetgeen hiervoor (in rechtsoverweging 2.3) is vermeld.
2.5
[partij A] heeft verzocht om het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [partij B] af te wijzen, kosten rechtens. Hij legt daaraan ten grondslag hetgeen hiervoor (in rechtsoverweging 2.2) is vermeld. Voor zover het verzoek van [partij B] wordt toegewezen, maakt [partij A] aanspraak op de betaling van de (extra) transitievergoedingen en een in goede justitie te bepalen billijke vergoeding.
2.6
De kantonrechter overweegt het volgende.
2.7
Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte producties staat het volgende vast. [partij A] is geboren op [geboortedatum] 1970 en is op 1 september 2012 als algemeen medewerker in dienst getreden bij [partij B] voor laatstelijk 28 uur per week. Feitelijk functioneerde hij bij haar als bedrijfsleider/verkoopleider. [partij A] verdiende laatstelijk bij haar een salaris ad € 2.543,57 bruto per maand exclusief vakantietoeslag, vermeerderd met een contant betaald bedrag ad € 1.300,= netto per maand. Directeur van [partij B] is [naam 1] . Op 30 september 2025 heeft [naam 1] [partij A] bij [partij B] op kantoor aangesproken op zijn functioneren. Dit leidde tot een handgemeen. [partij B] heeft [partij A] in verband hiermee op 30 september 2025, althans op 1 oktober 2025 ontslagen. [partij A] heeft de bedrijfseigendommen van [partij B] op 2 oktober 2025 ingeleverd. [partij B] heeft het ontslag van [partij A] bij brief d.d. 2 oktober 2025 ontslagen. In deze brief is onder meer geschreven:
Op dinsdag 30 september 2025 had u een gesprek met uw werkgever de heer [naam 1] . Tijdens dat gesprek heeft u de heer [partij B] op enig moment fysiek aangevallen en in het gezicht geslagen. De heer [partij B] heeft hier letsel aan overgehouden.
Dit gedrag is onder geen enkel beding acceptabel en/of te rechtvaardigen en maakt het onmogelijk om de arbeidsovereenkomst nog langer voort te zetten.
Uw handelwijze vormt voor ons een dringende reden (…) op grond waarvan wij de arbeidsovereenkomst met u met onmiddellijke ingang hebben beëindigd.
Op 9 oktober 2025 heeft [naam 1] aangifte gedaan tegen [partij A] vanwege mishandeling, gepleegd op 30 september 2025.
2.8
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is iedere partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te nemen. Hij moet hierbij de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook indien de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst desondanks gerechtvaardigd was.
2.9
[partij B] stelt dat [partij A] [naam 1] op 30 september 2025 tijdens het werk vier à vijf keer in het gezicht heeft geslagen, als gevolg waarvan [naam 1] blauwe ogen en een bloedwond heeft opgelopen, terwijl hierdoor ook zijn bril onherstelbaar beschadigd is geraakt. [partij A] betwist niet dat er op die datum tussen hem en [naam 1] fysiek contact is geweest, maar hij stelt dat [naam 1] het fysiek contact heeft geïnitieerd, dat hij zich alleen heeft verweerd en dat [naam 1] verkeerd op de stoel achter zijn bureau is gaan zitten, waardoor hij met zijn voorhoofd het bureaublad heeft geraakt en gewond is geraakt. Hierover overweegt de kantonrechter het volgende.
2.10
[partij B] heeft haar stelling onderbouwd met een schriftelijke verklaring van [naam 2] d.d. 8 oktober 2025. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
Ik werk als oproepkracht bij Autobedrijf [partij B] . (…)
Op dinsdag 30 september 2025 gebeurde er iets ernstigs. Mijn leidinggevende, [partij A] , had een aanvaring met [naam 1] .
Zoals gebruikelijk werd rond 11.30 uur de administratie doorgenomen. Dit gebeurt twee keer per week door [naam 1] en [partij A] . Soms gebeurt dit in het verkoopkantoor, maar als het daar druk is, verplaatsen ze zich naar het kantoor van [naam 1] op de 1e verdieping. Ook die dag gingen ze daarheen.
Op een gegeven moment hoorde ik boven mij gestommel. Ik hoorde [naam 1] roepen: “Doe normaal man, kap ermee!” Ik rende de trap op en op dat moment liep [partij A] het kantoortje uit. [naam 1] zat bebloed in zijn stoel. Zijn neus en hoofd bloedden hevig en er zaten overal bloedspetters. Ik heb snel handdoeken gepakt en aan hem gegeven. [naam 1] vroeg mij daarna of ik [partij A] kon tegen houden. Ik probeerde dit, maar [partij A] wilde de autosleutels niet afgegeven. Hij pakte rustig zijn spullen (…) en vertrok. Daarna ben ik weer naar boven gegaan, heb wat foto’s gemaakt en Eerste Hulp gebeld. Samen zijn we naar het ziekenhuis in Leiderdorp gereden. Daar konden ze alleen tijdelijk verbinden en verwezen ze ons door naar de huisarts. Daar zijn de wonden van [naam 1] behandeld met Zwaluwstaartjes en lijm.
(…)
[partij B] onderbouwt haar stelling verder met de kennelijk door [naam 2] gemaakte foto’s, waarop [partij B] , gezeten op een bureaustoel, is te zien met een bebloed hoofd en bloedspetters op de grond en voorts met foto’s waarop het gezicht van [partij B] is afgebeeld met twee blauwe ogen en een behandelde wond boven zijn linker wenkbrauw. [partij B] onderbouwt haar stelling verder met een schriftelijke verklaring van [naam 4] d.d. 27 november 2025. Daarin is onder meer het volgende geschreven:
Hierbij verklaar ik (…) dat, ik [partij A] naar boven zag lopen om samen met [naam 1] administratie door te nemen.
Even later hoorde ik geschreeuw boven en zag ik mijn collega [naam 2] naar boven rennen. [partij A] zag ik vervolgens met een flinke looppas naar beneden komen. Hij liep lang mij en zei “ik heb hem op zijn bek geslagen”. [partij A] pakte de tenaamstellingscodes en de sleutels van de Volkswagen ID.4 en de rest van zijn spullen (…). Vervolgens liep hij naar de Volkswagen ID4 en reed weg.
[partij B] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verder in het geding gebracht een e-mailbericht d.d. 9 januari 2026 van [naam 5] . Daarin is onder meer het volgende geschreven:
Ik had voor [partij A] een schade gerepareerd aan de auto van zijn moeder
mark moest deze bij mij nog komen betalen (…)
toen belde mark mij op 30 september 2025 en zij dat hij met [naam 1] een gespek had gehad en dat hij daar zo boos was geworden op [naam 1] dat hij de controle was verloren en [naam 1] een paar klappen had gegeven en dat alles onder het bloed zat
(…)
hij is een van de dagen daarop nog komen betalen , ook toen heft hij in het bijzijn van mijn collega nog een keer verteld dat hij de controle was verloren en dat hij [naam 1] had geslagen.
In het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2025 heeft [naam 1] aan de politie het volgende verklaard:
Op dinsdag 30-09-2025 omstreeks 11.30 uur bevond ik mij samen met [partij A] in mijn kantoor. Naast de zakelijke bespreking, die ongeveer 10 minuten duurde, sprak ik [partij A] aan op persoonlijke zaken die invloed hebben op zijn functioneren zoals zijn afwezigheid.
Ik hoorde dat [partij A] tegen mij zei dat hij het er niet mee eens was waarover ik hem aansprak. Ik zag dat [partij A] ging draaien op zijn stoel. Ik zag aan zijn gezicht dat hij boos werd. Ik zei tegen [partij A] dat hij rustig moest doen omdat we gewoon in gesprek zijn. Ik zag dat [partij A] opeens opstond, zich naar mijn toedraaide en opeens voelde ik harde klappen in mijn gezicht. Ik voelde dat ik geraakt werd vlak boven mijn linkeroog en op mijn neus. Ik voelde dat ik 4 of 5 keer werd geslagen, vermoedelijk met de vuist. Ik voelde hevige pijn in mijn gezicht. Ik riep: “Doe normaal, kap hiermee.”
[partij A] hield opeens op met slaan en verliet het kantoor. (…) Ik zag dat mijn bril door het slaan stuk was gegaan en op de vloer lag, tevens zag ik dat er overal bloed op de vloer lag. Mijn collega [naam 2] , zijnde medewerker Verkoop, kwam mijn kantoor binnen op het moment dat [partij A] mijn kantoor uitliep. (…)
Op grond van deze verklaringen is de stelling van [partij B] voldoende aannemelijk en wordt de stelling van [partij A] verworpen. De woorden “Doe normaal man, kap ermee!”, zoals vermeld in de verklaring van [naam 2] en het proces-verbaal van de politie, duiden er op dat niet [partij B] , maar [partij A] is gaan slaan. Indien de gang van zaken zo zou zijn geweest als [partij A] heeft beschreven, had het bovendien voor de hand had gelegen dat hij [naam 1] , nadat hij met zijn hoofd op het bureaublad terecht was gekomen en daardoor gewond was geraakt, te hulp zou zijn geschoten, op de wijze zoals [naam 2] in zijn verklaring heeft beschreven. Dat heeft hij niet gedaan. Hij is dadelijk na het incident weggelopen van het werk. Voor zover [partij A] zich, zoals hij stelt, alleen verweerd zou hebben, is verder niet te verklaren dat [naam 1] duidelijk als enige met verwondingen en een kapotte bril uit het handgemeen tevoorschijn is gekomen.
2.11
Doordat [partij A] [naam 1] heeft mishandeld, heeft hij ernstig verwijtbaar gehandeld. [partij B] heeft [partij A] om die reden terecht en onverwijld op staande voet ontslagen. Op de transitievergoeding kan [partij A] in de gegeven omstandigheden geen aanspraak maken. Het niet toekennen van die vergoeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Te oordelen is aldus dat alle verzoeken van [partij A] zijn af te wijzen. De tot het bedrag ad € 2.747,05 bruto door [partij B] verzochte gefixeerde schadevergoeding is toe te wijzen. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen zoals hierna wordt vermeld. Bij de door [partij B] verzochte verklaring voor recht heeft zij, gelet op hetgeen zojuist is overwogen, onvoldoende belang, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
2.12
[partij A] is de partij die bij deze beschikking in het ongelijk wordt gesteld. Hij wordt om die reden veroordeeld in de kosten van de procedures. Voor zover er nakosten zijn te maken, levert deze beschikking daarvoor de titel op.
3Beslissing
De kantonrechter:
Op de verzoeken van [partij A] :
wijst de verzoeken af;
veroordeelt [partij A] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van [partij B] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 865,= voor salaris gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Op het verzoek van [partij B] :
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] te betalen een bedrag ad € 2.747,05 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [partij A] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van [partij B] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 577,= voor salaris gemachtigde;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. M. Nijenhuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2026.