Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:14729
2026-05-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.16360 en NL26.16361
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 3 EVRM, artikel 4 Handvest, Jawo arrest
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2019:218
- ECLI:NL:RVS:2023:4732 Raad van State 20-12-2023
- ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.419 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.16360 en NL26.16361
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. T. Neijzen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2007 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat verweerder in zijn individuele geval niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Letland. Eiser meent dat hij een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 EU-Handvest in Letland loopt. Eiser onderbouwt zijn stelling met zijn persoonlijke ervaringen in Letland. Eiser werd als minderjarige voor twee maanden in detentie geplaatst, wegens illegale grensoverschrijding. Daarnaast heeft eiser geen opvang gekregen en werd hij na afwijzing van zijn asielaanvraag op straat gezet en kwam hij als gevolg van het handelen van de Letse autoriteiten in omstandigheden van extreme materiële armoede. Eiser verwijst in dit kader naar het Jawo-arrest. Tot slot stelt eiser dat verweerder hem ten onrechte als niet bijzonder kwetsbaar beschouwt, gezien dat eiser minderjarig was tijdens de gebeurtenissen in Letland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat er bij Letland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Letland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 20 december 2023. Dit ligt anders als er sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt op grond van het Jawo-arrest. In dit geval heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Ten aanzien van de verklaringen over de detentie kan worden vastgesteld dat deze niet nader zijn onderbouwd. De verklaringen hierover zijn op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat overdracht aan Letland zal leiden tot behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser is niet eerder als Dublinclaimant overgedragen aan Letland en kan dus niet uit eigen ervaring vertellen over de kwaliteit van de asielprocedure en de toegang tot de opvang voor Dublinclaimanten in Letland. Daarnaast heeft eiser geen documenten of ander bewijs overlegd, waaruit dit zou moeten blijken. Verder is van belang dat eiser, gezien het claimakkoord, gereguleerd wordt overgedragen. Ook hebben de autoriteiten van Letland middels het claimakkoord gegarandeerd dat zij het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser na overdracht aan Letland gebreken constateert in de opvang of in de asielprocedure, dan kan eiser hierover klagen bij de autoriteiten van Letland. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan of dat dit op voorhand onmogelijk is.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte eiser als niet bijzonder kwetsbaar beschouwt. Eiser heeft geen documenten overgelegd, waaruit blijkt dat hij vanwege individuele omstandigheden bijzonder kwetsbaar is, dan wel behoort tot een potentieel bijzondere kwetsbare groep. Dat eiser ten tijde van de gestelde gebeurtenissen in Letland minderjarig was, is niet voldoende. Eiser is nu immers meerderjarig. Eiser heeft zodoende niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen adequate opvang of zorg kan krijgen in Letland.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4732.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.16360 en NL26.16361
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. T. Neijzen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2007 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat verweerder in zijn individuele geval niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Letland. Eiser meent dat hij een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 EU-Handvest in Letland loopt. Eiser onderbouwt zijn stelling met zijn persoonlijke ervaringen in Letland. Eiser werd als minderjarige voor twee maanden in detentie geplaatst, wegens illegale grensoverschrijding. Daarnaast heeft eiser geen opvang gekregen en werd hij na afwijzing van zijn asielaanvraag op straat gezet en kwam hij als gevolg van het handelen van de Letse autoriteiten in omstandigheden van extreme materiële armoede. Eiser verwijst in dit kader naar het Jawo-arrest. Tot slot stelt eiser dat verweerder hem ten onrechte als niet bijzonder kwetsbaar beschouwt, gezien dat eiser minderjarig was tijdens de gebeurtenissen in Letland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat er bij Letland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Letland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 20 december 2023. Dit ligt anders als er sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt op grond van het Jawo-arrest. In dit geval heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Ten aanzien van de verklaringen over de detentie kan worden vastgesteld dat deze niet nader zijn onderbouwd. De verklaringen hierover zijn op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat overdracht aan Letland zal leiden tot behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser is niet eerder als Dublinclaimant overgedragen aan Letland en kan dus niet uit eigen ervaring vertellen over de kwaliteit van de asielprocedure en de toegang tot de opvang voor Dublinclaimanten in Letland. Daarnaast heeft eiser geen documenten of ander bewijs overlegd, waaruit dit zou moeten blijken. Verder is van belang dat eiser, gezien het claimakkoord, gereguleerd wordt overgedragen. Ook hebben de autoriteiten van Letland middels het claimakkoord gegarandeerd dat zij het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser na overdracht aan Letland gebreken constateert in de opvang of in de asielprocedure, dan kan eiser hierover klagen bij de autoriteiten van Letland. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan of dat dit op voorhand onmogelijk is.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte eiser als niet bijzonder kwetsbaar beschouwt. Eiser heeft geen documenten overgelegd, waaruit blijkt dat hij vanwege individuele omstandigheden bijzonder kwetsbaar is, dan wel behoort tot een potentieel bijzondere kwetsbare groep. Dat eiser ten tijde van de gestelde gebeurtenissen in Letland minderjarig was, is niet voldoende. Eiser is nu immers meerderjarig. Eiser heeft zodoende niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen adequate opvang of zorg kan krijgen in Letland.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4732.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.