Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:14518

2026-05-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.19939
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-29
Publicatiedatum
2026-06-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.19939
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland; interstatelijk vertrouwensbeginsel; verbod op indirect refoulement; artikel 17 van de Dublinverordening; ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.630 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.19939


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),


en


de minister van Asiel en Migratie.


Samenvatting


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 17 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.






Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het besluit


3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.



Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?


4. Eiser betoogt dat de minister voor Duitsland niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van systeemfouten in de Duitse opvang- en asielprocedure. Hij wijst daarbij op ‘het meest recente AIDA-rapport’ en voert aan dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zich daar nog niet over heeft uitgelaten.


4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat voor Duitsland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De minister wijst daarbij terecht op meerdere daartoe strekkende uitspraken van de Afdeling. Met alleen een algemene verwijzing naar ‘het meest recente AIDA-rapport’ en zonder daarbij te wijzen op relevante passages waaruit dat zou blijken, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een wezenlijke verslechtering van de situatie in Duitsland voor wat betreft de opvangomstandigheden en/of asielprocedure ten opzichte van situatie zoals die werd geschetst in eerdere AIDA-rapporten en gelet waarop de Afdeling heeft geoordeeld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser zich bij eventuele problemen kan wenden tot de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.



Is een overdracht in strijd met het verbod op indirect refoulement?

5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij bij overdracht aan Duitsland geen reëel risico loopt op indirect refoulement. Hij wijst erop dat in het beleid van de minister Ahmadiyya’s uit Pakistan als risicoprofiel zijn aangemerkt. In Duitsland is eisers asielaanvraag afgewezen en was eiser uitgeprocedeerd.




5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraken van het Hof van Justitie en de Afdeling volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld (zie onder 4.1.) is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. De vrees voor dit risico kan eiser in Duitsland aankaarten. Duitsland heeft namelijk door het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser daar in behandeling wordt genomen. Dat Ahmadiyya’s uit Pakistan als risicoprofiel zijn aangemerkt, leidt niet tot een ander oordeel.



Had de minister artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen?

6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken, omdat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Hij voert aan dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op (indirect) refoulement.




6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot onevenredige hardheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de aangevoerde omstandigheden geen betrekking hebben op de beoordeling of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De beroepsgrond van eiser ziet opnieuw op de vraag of voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister de omstandigheden die hij in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de besluitvorming heeft betrokken niet nogmaals hoeft te betrekken in het kader van een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Zoals onder 4.1 overwogen, mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze beroepsgrond kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de minister de aanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.


ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107, 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661 en 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.


HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.


ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.


Zie ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, r.o. 7.