Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:14322
2026-04-29
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/695537 / FA RK 25-9121
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- Inachtneminghersteluitspraak ECLI:NL:RBDHA:2026:14322 → ECLI:NL:RBDHA:2026:7866
Inhoudsindicatie
Verbetering van de beschikking op grond van artikel 32 Rv
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.630 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9121
Zaaknummer: C/09/695537
Datum verbetering: 29 april 2026
Verbetering van een beschikking
Bijlage bij de beschikking van 4 maart 2026
,
gegeven op 29 april 2026
in de zaak waarin op 4 maart 2026 een beschikking is gegeven en uitgesproken, op het verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.R.J.A. Olie-Hallmans te Meppel.
waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.
waarin als informant wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het F9-formulier, met bijlage, van 23 maart 2026 van de vader en het F9-formulier, met bijlage, van 15 april 2026 van de moeder.
Verzoek en verweer
In de brief van 23 maart 2026 verzoekt de vader om op grond van artikel 32 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de beschikking van 4 maart 2026 aan te vullen. Volgens de vader heeft de rechtbank verzuimd te beslissen op zijn verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder is in de gelegenheid gesteld te reageren op voormeld verzoek. Zij stelt – kortgezegd – dat het niet uitvoerbaar verklaren van de beslissing in de beschikking van 4 maart 2026 niet op een verzuim berust, maar dat dit volgt uit de aard van de beslissing.
Beoordeling
Op grond van artikel 32 Rv vult de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte.
De vader heeft de rechtbank bij verzoekschrift verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank heeft verzuimd om op dit verzoek te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat zij de beschikking van 4 maart 2026 ten onrechte niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. De rechtbank acht het van belang dat de voorlopige zorgregeling, zoals is vastgelegd in de beschikking van 4 maart 2026, onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd. Dat de rechtbank heeft bepaald dat de voorwaarden, die aan de uitvoering van de voorlopige zorgregeling zijn verbonden, worden beoordeeld door de gecertificeerde instelling, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
De rechtbank zal de beschikking van 4 maart 2026 dan ook op grond van artikel 32 Rv verbeteren, zoals hierna weergegeven.
Beslissing
De rechtbank:
verbetert voormelde beschikking van 4 maart 2026 in die zin dat het dictum komt te luiden:
De rechtbank:
*
bepaalt een voorlopige zorgregeling, in die zin dat [de minderjarige] de ene week op woensdag uit
school (of 10:00 uur als er geen school is) tot 17:00 uur en de andere week van vrijdag uit
school (of 16:00 uur als er geen school is) tot zondag 17:00 uur bij de vader verblijft, onder
die voorwaarde dat de vader een stabiele woonsituatie heeft met een adequate
overnachtingsmogelijkheid voor [de minderjarige], één en ander ter beoordeling van de
gecertificeerde instelling;
*
bepaalt dat het ophalen of terugbrengen van [de minderjarige] bij de moeder vooralsnog gebeurt door
of in aanwezigheid van oma vaderszijde of een andere in overleg tussen partijen en de
gecertificeerde instelling te bepalen derde, met uitzondering van het ophalen op school, wat
de vader zelfstandig kan doen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan tot 1 augustus 2026
pro forma.
handhaaft de beschikking van 4 maart 2026 voor het overige.
De beschikking van 4 maart 2026 is hersteld door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 29 april 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9121
Zaaknummer: C/09/695537
Datum verbetering: 29 april 2026
Verbetering van een beschikking
Bijlage bij de beschikking van 4 maart 2026
,
gegeven op 29 april 2026
in de zaak waarin op 4 maart 2026 een beschikking is gegeven en uitgesproken, op het verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.R.J.A. Olie-Hallmans te Meppel.
waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.
waarin als informant wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het F9-formulier, met bijlage, van 23 maart 2026 van de vader en het F9-formulier, met bijlage, van 15 april 2026 van de moeder.
Verzoek en verweer
In de brief van 23 maart 2026 verzoekt de vader om op grond van artikel 32 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de beschikking van 4 maart 2026 aan te vullen. Volgens de vader heeft de rechtbank verzuimd te beslissen op zijn verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder is in de gelegenheid gesteld te reageren op voormeld verzoek. Zij stelt – kortgezegd – dat het niet uitvoerbaar verklaren van de beslissing in de beschikking van 4 maart 2026 niet op een verzuim berust, maar dat dit volgt uit de aard van de beslissing.
Beoordeling
Op grond van artikel 32 Rv vult de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte.
De vader heeft de rechtbank bij verzoekschrift verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank heeft verzuimd om op dit verzoek te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat zij de beschikking van 4 maart 2026 ten onrechte niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. De rechtbank acht het van belang dat de voorlopige zorgregeling, zoals is vastgelegd in de beschikking van 4 maart 2026, onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd. Dat de rechtbank heeft bepaald dat de voorwaarden, die aan de uitvoering van de voorlopige zorgregeling zijn verbonden, worden beoordeeld door de gecertificeerde instelling, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
De rechtbank zal de beschikking van 4 maart 2026 dan ook op grond van artikel 32 Rv verbeteren, zoals hierna weergegeven.
Beslissing
De rechtbank:
verbetert voormelde beschikking van 4 maart 2026 in die zin dat het dictum komt te luiden:
De rechtbank:
*
bepaalt een voorlopige zorgregeling, in die zin dat [de minderjarige] de ene week op woensdag uit
school (of 10:00 uur als er geen school is) tot 17:00 uur en de andere week van vrijdag uit
school (of 16:00 uur als er geen school is) tot zondag 17:00 uur bij de vader verblijft, onder
die voorwaarde dat de vader een stabiele woonsituatie heeft met een adequate
overnachtingsmogelijkheid voor [de minderjarige], één en ander ter beoordeling van de
gecertificeerde instelling;
*
bepaalt dat het ophalen of terugbrengen van [de minderjarige] bij de moeder vooralsnog gebeurt door
of in aanwezigheid van oma vaderszijde of een andere in overleg tussen partijen en de
gecertificeerde instelling te bepalen derde, met uitzondering van het ophalen op school, wat
de vader zelfstandig kan doen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan tot 1 augustus 2026
pro forma.
handhaaft de beschikking van 4 maart 2026 voor het overige.
De beschikking van 4 maart 2026 is hersteld door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 29 april 2026.