Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:14141

2026-02-19 Civiel recht; Arbeidsrecht 12010147 RP VERZ 25-51034 en 12007507 EJ VERZ 25-83603
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-19
Publicatiedatum
2026-05-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12010147 RP VERZ 25-51034 en 12007507 EJ VERZ 25-83603
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | AR-Updates.nl 2026-0897 | VAAN-AR-Updates.nl 2026-0897

Inhoudsindicatie

Het verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet wordt afgewezen. Verzoek werkgever om werknemer te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen. Vaststaat dat werkgever een zero tolerance beleid heeft, inhoudende dat bij diefstal tot ontslag op staande voet wordt overgegaan, ook als het gaat om diefstal van producten met een relatief beperkte waarde en dat dit bekend was bij werknemer. Werknemer heeft als teamleider een voorbeeldfunctie en was medeverantwoordelijk voor het voorkomen van winkeldiefstal. Aan die voorbeeldfunctie heeft hij in ernstige mate afbreuk gedaan. Ook is van belang dat sprake lijkt van een doelbewuste actie waarin werknemer zich kennelijk niet bewust van de camera, artikelen van werkgever verstopt onder zijn kleding. Deze gedragingen rechtvaardigen een dringende reden voor een ontslag op staande voet.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.307 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Gouda


SM / c
Zaaknummers: 12010147 RP VERZ 25-51034 en 12007507 EJ VERZ 25-83603
Datum: 19 februari 2026




Beschikking van de kantonrechter:





in de zaak met zaaknummer 12010147 RP VERZ 25-51034






[(ex)werknemer]
,
wonende te [woonplaats],
verzoeker en verweerder in het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. S. Fattah,



tegen




de besloten vennootschap Hoogvliet B.V.,
statutair gevestigd te Alphen aan den Rijn,
verweerster en verzoekster in het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. O.J. Praamstra,



en




in de zaak met zaaknummer 12007507 EJ VERZ 25-83603





de besloten vennootschap Hoogvliet B.V.,
statutair gevestigd te Alphen aan den Rijn,
verzoekster,
gemachtigde: mr. O.J. Praamstra,



tegen





[(ex)werknemer]
,
wonende te [woonplaats],
verweerder,
gemachtigde: mr. S. Fattah.



Partijen worden ‘[(ex)werknemer]’ en ‘Hoogvliet’ genoemd.




De zaak in het kort




Hoogvliet heeft [(ex)werknemer] op staande voet ontslagen wegens diefstal. [(ex)werknemer] is het daarmee niet eens en wil terug naar zijn werkplek. Hoogvliet vraagt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het ontslag op staande voet niet in stand blijft. In de tweede zaak verzoekt zij een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter vindt dat ontslag op staande voet in stand kan blijven en wijst de gevraagde schadevergoeding toe.




1.Het procesverloop



in de zaak met zaaknummer 12010147 RP VERZ 25-51034




1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- een verzoekschrift van [(ex)werknemer] met de producties 1 tot en met 6;
- een verweerschrift en een voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek van Hoogvliet met de producties 1 tot en met 7;
- aanvullende productie 3 van de zijde van Hoogvliet.



in de zaak met zaaknummer 12007507 EJ VERZ 25-83603





1.2.

De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- een verzoekschrift van Hoogvliet met de producties 1 tot en met 5.




1.3.
Op 22 januari 2026 zijn beide zaken gelijktijdig mondeling behandeld. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Namens Hoogvliet zijn spreekaantekeningen overgelegd, die aan het griffiedossier zijn toegevoegd.



1.4.
Vervolgens is uitspraak in beide zaken bepaald.





2De feiten


2.1.
Hoogvliet exploiteert een keten van supermarkten. Een van de filialen is gevestigd aan de [adres] in [plaats], filiaal [filiaal] waar [(ex)werknemer] werkzaam is.



2.2.

[(ex)werknemer], geboren op [geboortedatum] 1968, is op 23 juli 1990 in dienst getreden bij Hoogvliet. Hij vervult de functie van [functienaam], met een salaris van € 4.181,22 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Vereniging Grootwinkelbedrijven in Levensmiddelen (VGL) van toepassing.



2.3.
Op de arbeidsovereenkomst is het huishoudelijk reglement filialen van Hoogvliet van toepassing. Hierin is onder andere het volgende bepaald:



“
17. Diefstal door personeel


Hoogvliet voert een actief fraudepreventiebeleid. Bij geconstateerde en bewezen fraude volgt ontslag en doen wij altijd aangifte bij de politie. Daarnaast vindt een registratie plaats in ons incidentenregister én in het Waarschuwingsregister van de stichting Fraude Aanpak Detailhandel. Mocht je in de verleiding komen jezelf iets toe te eigenen wat niet van jou is, weet dan dat daar dus ontslag op staande voet op volgt. Een banaan, vlees, een blikje limonade of een pak koeken, het maakt geen verschil. Diefstal is diefstal! Indien je ziet dat één van je collega’s iets steelt, spreek je hem of haar daarop aan en meld dit aan je leidinggevende.”





2.4.
In zijn functie is [(ex)werknemer] onder andere verantwoordelijk voor het voorkomen van derving. Onder derving wordt verstaan: omzet die bij het verlaten van de winkel niet de kassa is gepasseerd, en die dus niet kan bijdragen aan het bedrijfsresultaat van de onderneming. Hieronder valt ook diefstal, zowel door klanten als door personeel.



2.5.
Op 10 oktober 2025 hebben twee medewerkers van Hoogvliet, onder wie de supermarktmanager, [(ex)werknemer] gevraagd mee te werken aan een uitgangscontrole. [(ex)werknemer] stond op het punt naar huis te gaan en was net in zijn auto gestapt. Hem is gevraagd om uit te stappen. Hij heeft zijn zakken leeggehaald. Vervolgens is hem gevraagd om zijn bloes omhoog te doen. Onder zijn bloes droeg hij een plastic tas van Hoogvliet. Daarin zaten goederen die uit de winkel kwamen ter waarde van ongeveer € 16,-. De supermarktmanager heeft [(ex)werknemer] gevraagd of hij een kassabon had. Die had hij niet. Daarna is hem gevraagd zijn alarmpas en zijn sleutel in te leveren.



2.6.
Diezelfde dag heeft Hoogvliet hem per e-mail en per gewone post een brief gestuurd met de volgende inhoud:



“Hierbij bevestigen wij u schriftelijk dat wij u heden ontslag op staande voet hebben aangezegd wegens een dringende reden conform artikel 7:678 BW.





Wij zullen u op korte termijn een meer uitgebreide brief doen toekomen. (…)”





2.7.
Per aangetekende brief van 13 oktober 2025 is aan [(ex)werknemer] het ontslag op staande voet nader toegelicht en onder meer het volgende bericht:



“In onze brief van 10 oktober jl. waarmee het mondeling aan u meegedeelde ontslag op staande is bevestigd, is u een meer uitgebreide brief in het vooruitzicht gesteld. Ter uitvoering van die toezegging ontvangt u deze brief.





Op 10 oktober jl. is het volgende geconstateerd.





Na afloop van uw werkzaamheden hebt u ons filiaal (waar u werkzaam bent) verlaten. U bent bij het instappen van uw auto op de parkeerplaats aangesproken en gevraagd om mee te werken aan een uitgangscontrole. U bent gevraagd of u uit wilde stappen om te laten zien of u iets bij zich hebt. U hebt gehoor gegeven aan dit verzoek en u bent uit de auto gestapt en hebt uw zakken leeggemaakt. U toonde in eerste instantie alleen een zakje medicijnen. Er waren echter zichtbaar goederen onder uw bedrijfskleding verborgen. Op aanwijzing van de heren [naam 1] en [naam 2] (van Hoogvliet) heeft u dat laten zien. Er bleek een dubbele plastic tas van Hoogvliet onder de bedrijfskleding verborgen te zijn die aan uw broekriem was bevestigd, althans u nam die plastic tas op een zeer ongebruikelijke manier met zich mee, met de kennelijke bedoeling die plastic tas (met inhoud) aan het zicht te onttrekken. In die plastic tas zaten goederen die blijkens de verpakking van Hoogvliet afkomstig waren, waarvan de gezamenlijke waarde circa € 16,- bedraagt.





Vervolgens is u gevraagd of u kon aantonen dat u deze goederen heeft afgerekend; u kon dit niet aantonen. U heeft toegegeven en bekend dat u de goederen niet heeft afgerekend.





De vastgestelde feiten en omstandigheden, meer in het bijzonder uw ongeoorloofde handelwijze, zijn zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang een dringende reden voor ontslag op staande voet. Door uw handelwijze bent u ons vertrouwen onwaardig geworden, waardoor iedere basis onder de arbeidsovereenkomst is weggevallen.





Wij hebben u vrijdag 10 oktober 2025 meegedeeld de arbeidsovereenkomst tussen u en Hoogvliet met onmiddellijke ingang op te zeggen. Wij achten deze bovenomschreven handelwijze dermate verwijtbaar dat dit voor ons een dringende reden voor ontslag op staande voet als bedoeld in artikel 7:678 BW oplevert. Wij hebben u dan ook met onmiddellijke ingang op staande voet ontslagen.





Wij hebben ook uw persoonlijke omstandigheden, waaronder uw leeftijd en de gevolgen van het ontslag, meegewogen. Hoewel de gevolgen van het ontslag voor u aanzienlijk zullen zijn, zijn de huidige (gunstige) arbeidsmarkt en de wijze waarop u voor het overige uw functie hebt vervuld, geen redenen om aan te nemen dat u op de arbeidsmarkt geen redelijke kans op ander werk meer zult hebben. In aanmerking genomen dat u van de regels van Hoogvliet op de hoogte was, en de gevolgen van overtreding kende, heeft Hoogvliet in uw persoonlijke omstandigheden geen reden gezien om af te zien van ontslag op staande voet.





Het klemt te meer dat u in uw functie als [functienaam] als kaderlid van het filiaal mede verantwoordelijk bent voor de signalering van winkeldiefstal en het aanhouden van klanten die winkeldiefstal. En nu maakt u zichzelf schuldig aan dergelijke feiten. (…)”





2.8.
Hoogvliet heeft camerabeelden overgelegd waarop te zien is dat [(ex)werknemer] boodschappen in een plastic tas stopt en de tas vervolgens onder zijn kleding vastmaakt.



2.9.

[(ex)werknemer] heeft op 4 november 2025 schriftelijk bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet.





3Het verzoek en verweer



in de zaak met zaaknummer 12010147 RP VERZ 25-51034




3.1.

[(ex)werknemer] verzoekt aan de kantonrechter om het ontslag op staande voet te vernietigen en Hoogvliet te veroordelen tot doorbetaling van zijn loon. Aan zijn verzoek legt [(ex)werknemer] ten grondslag dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat dit ontslag niet onverwijld is gegeven. [(ex)werknemer] voert hiertoe aan dat hij geen opzet had tot het wegnemen van goederen en wegens medische omstandigheden in een kwetsbare toestand verkeerde. De door [(ex)werknemer] gebruikte medicatie kan als bijgevolg vergeetachtigheid en cognitieve vertraging hebben. Hoogvliet was op de hoogte van de medische situatie van [(ex)werknemer]. Er heeft geen zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden en er is geen hoor- en wederhoor toegepast. Voorts zijn ook de persoonlijke omstandigheden van [(ex)werknemer], waaronder een dienstverband van ruim 35 jaar, zijn psychische klachten en het gebruik van zware medicatie volledig genegeerd. Het voorgaande leidt ertoe dat er geen sprake is van dringende redenen om over te gaan tot een ontslag op staande voet, zodat het gegeven ontslag dient te worden vernietigd. Daarnaast verzoekt [(ex)werknemer] dat hij weer wordt toegelaten tot de werkvloer en dat Hoogvliet wordt veroordeeld tot hervatting van de loonbetaling met terugwerkende kracht per 13 oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging en de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van Hoogvliet in de proceskosten.



3.2.
Bij wijze van voorlopige voorziening verzoekt [(ex)werknemer] om Hoogvliet, voor de duur van het geding, te veroordelen tot betaling aan [(ex)werknemer] een voorschot op zijn salaris, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 13 oktober 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Aan zijn verzoek legt [(ex)werknemer] ten grondslag dat hij door het ontslag geen inkomen heeft terwijl hij daarvan afhankelijk is voor de kosten van levensonderhoud.



3.3.

Hoogvliet voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling van [(ex)werknemer] in de proceskosten, waaronder de nakosten.
Voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt, verzoekt Hoogvliet om de arbeidsovereenkomst met [(ex)werknemer] te ontbinden met toepassing van artikel 7:671b lid 9, onderdeel b, BW, zonder toekenning van een vergoeding.




in de zaak met zaaknummer 12007507 EJ VERZ 25-83603





3.4.
Hoogvliet verzoekt om op grond van artikel 7:677 lid 2 BW [(ex)werknemer] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 7.630,00 gelijk aan het loon berekend over de periode van 10 oktober 2025 tot en met 30 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2025 en de proceskosten, waaronder de nakosten. Hoogvliet legt aan haar verzoek ten grondslag dat [(ex)werknemer] haar een dringende redenen heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst met directe ingang te beëindigen.



3.5.

[(ex)werknemer] voert verweer en stelt dat de verzochte vergoeding moet worden afgewezen.





4De beoordeling



in de zaak met zaaknummer 12010147 RP VERZ 25-51034





Ontslag op staande voet




4.1.
Ter beoordeling ligt de vraag voor of het op 10 oktober 2025 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Volgens artikel 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag.



4.2.
Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.



Onverwijldheid





4.3.

[(ex)werknemer] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Dit wordt verworpen. De kantonrechter licht dit als volgt toe.



4.4.
Op 10 oktober 2025 is [(ex)werknemer] door de supermarktmanager gevraagd om mee te werken aan een uitgangscontrole. Toen bleek dat hij producten vanuit de winkel bij zich had. [(ex)werknemer] erkende dat hij die niet had afgerekend. Volgens Hoogvliet heeft de rayonmanager daarop gezegd: ‘je weet wat dat betekent’ en heeft [(ex)werknemer] dat bevestigd. Daarna heeft hij zijn alarmpas en sleutel ingeleverd. [(ex)werknemer] stelt in zijn verzoekschrift dat toen niet tegen hem is gezegd dat hij ontslag op staande voet kreeg en dat dit voor hem ook niet duidelijk was maar de kantonrechter acht dat niet aannemelijk. Ook als niet expliciet is gezegd dat hij werd ontslagen moet hem uit de gang van zaken duidelijk zijn geworden dat hij ontslag op staande voet kreeg en waarom. Maar voor het geval dat niet duidelijk was is het diezelfde avond per e-mail schriftelijk aan hem bevestigd. Vervolgens is bij brief van 13 oktober 2025 uitvoerig schriftelijk aan [(ex)werknemer] uiteengezet wat de ontslagreden is. Zelfs al zou [(ex)werknemer] uit de eerdere mededelingen niet voldoende hebben begrepen waarom hij was ontslagen dan was dat in ieder geval door de brief van 13 oktober 2025 duidelijk. Daarmee is voldaan aan het vereiste dat een ontslag onverwijld moet worden gegeven en onverwijld moet worden meegedeeld.



Hoor en wederhoor





4.5.


[(ex)werknemer] heeft verder aangevoerd dat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. De supermarktmanager heeft hem bij de uitgangscontrole geen gelegenheid heeft gegeven om uitleg te geven en daarna heeft ook geen gesprek meer plaatsgevonden, stelt hij.
De kantonrechter oordeelt hierover dat uit de door Hoogvliet overgelegde verklaring van de rayonmanager volgt dat [(ex)werknemer] op de bevindingen heeft gereageerd en dat hij op de vraag of hij wist waartoe de bevindingen zouden leiden bevestigend heeft geantwoord. Daaruit leidt de kantonrechter af dat er wel hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Echter, ook als dat niet het geval is geweest, brengt dat niet met zich dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zou zijn. Het toepassen van hoor en wederhoor is daarvoor geen vereiste.




Dringende reden





4.6.
Vaststaat dat [(ex)werknemer] een plastic tas met boodschappen van Hoogvliet onder zijn kleding mee naar buiten heeft genomen en dat hij die boodschappen met een waarde van ongeveer € 16,- niet bij de kassa heeft afgerekend. Volgens [(ex)werknemer] kan dit hem niet worden aangerekend. Hij stelt zware medicijnen te gebruiken die als bijwerking vergeetachtigheid hebben en ertoe hebben geleid dat hij is vergeten af te rekenen. De kantonrechter gaat aan deze uitleg voorbij. Op de door Hoogvliet overgelegde camerabeelden is te zien dat [(ex)werknemer] op verschillende momenten boodschappen in het magazijn verbergt en vervolgens een boodschappentas vult met die boodschappen. Daarna is te zien dat hij zijn broekriem losmaakt, de tas deels in zijn broek doet en met zijn broekriem vastmaakt. Daarna doet hij zijn bloes erover heen. Deze gedragingen geven blijk van een doelbewuste en geplande actie die geen gevolg is van vergeetachtigheid. [(ex)werknemer] maakt op de beelden ook geen verwarde indruk. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de gedragingen wel verwijtbaar zijn.



4.7.

Bij de vraag of de geconstateerde gedragingen een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren moeten de persoonlijke omstandigheden worden betrokken. Vaststaat dat een ontslag op staande voet gelet op de leeftijd van [(ex)werknemer], de lange duur van het dienstverband en zijn medische situatie een vergaande maatregel is die zeer ingrijpende gevolgen voor [(ex)werknemer] heeft. Vaststaat echter dat Hoogvliet een zero tolerance beleid heeft, inhoudende dat bij diefstal tot ontslag op staande voet wordt overgegaan, ook als het gaat om diefstal van producten met een relatief beperkte waarde (art. 17 huishoudelijk reglement) en dat dit bij [(ex)werknemer] bekend was. [(ex)werknemer] wist dus dat het meenemen van artikelen uit de winkel zonder die af te rekenen ontslag op staande voet zou opleveren. Van Hoogvliet hoefde dan ook niet verwacht te worden dat zij [(ex)werknemer] eerst een officiële waarschuwing zou geven. Daar komt bij dat [(ex)werknemer] als [functienaam] een voorbeeldfunctie had en medeverantwoordelijk was voor het voorkomen van winkeldiefstal. Aan die voorbeeldfunctie heeft hij in ernstige mate afbreuk gedaan. Ook is van belang dat sprake lijkt van een doelbewuste actie waarin [(ex)werknemer], zich kennelijk niet bewust van de camera, artikelen van Hoogvliet verstopt onder zijn kleding.
De persoonlijke omstandigheden van [(ex)werknemer] kunnen dan ook niet afdoen aan de ernst van de feiten. Uit de ontslagbrief van 13 oktober 2025 blijkt ook dat deze bij de beslissing over het ontslag zijn meegewogen.




4.8.
Dat betekent dat sprake is van een dringende reden die ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het verzoek tot vernietiging van het verleende ontslag op staande en het daarop gebaseerde verzoek tot betaling van loon en wedertewerkstelling wordt dan ook afgewezen.



Voorlopige voorziening





4.9.
Omdat in deze beschikking een eindbeslissing wordt gegeven op de verzoeken van [(ex)werknemer], hoeft over de voorlopige voorziening niet meer te worden beslist.



Het voorwaardelijk ingestelde ontbindingsverzoek





4.10.
Hoogvliet heeft het ontbindingsverzoek voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval het ontslag op staande voet vernietigd zou worden. Nu deze voorwaarde niet in vervulling is gegaan, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van het ontbindingsverzoek.



in de zaak met zaaknummer 12007507 EJ VERZ 25-83603





Vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW





4.11.
Op grond van artikel 7:677 lid 2 BW is de partij die door opzet of schuld aan de andere partij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen een vergoeding verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt.



4.12.
Zoals onder 4.6 is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat [(ex)werknemer] door opzet of schuld aan Hoogvliet een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Dit betekent dat aan de voorwaarden van artikel 7:677 lid 2 BW is voldaan en dat Hoogvliet aanspraak kan maken op een gefixeerde schadevergoeding zoals omschreven in artikel 7:677 lid 3 onder a BW. De gevorderde vergoeding over de periode 10 oktober 2025 tot en met 30 november 2025 is dan ook toewijsbaar, evenals de verzochte wettelijke rente hierover. De kantonrechter merkt hierbij op dat tijdens ter zitting is gebleken dat Hoogvliet het verzochte bedrag al heeft verrekend met de eindafrekening van [(ex)werknemer], zodat er feitelijk geen betaling meer hoeft plaats te vinden.



Proceskosten in beide zaken





4.13.

[(ex)werknemer] is in beide zaken in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de zaken gezamenlijk zijn behandeld en het verweerschrift dat Hoogvliet in de zaak met nummer 12010147 RP VERZ 25-51034 grotendeels overeen komt met het in de zaak met nummer 12007507 EJ VERZ 25-83603 ingediende verzoekschrift zal in laatstgenoemde zaak geen afzonderlijke vergoeding voor het gemachtigdensalaris worden toegekend. Ook zal maar één keer nakosten worden toegewezen. [(ex)werknemer] wordt in die zaak dus alleen veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 543,00.



4.11.
In de zaak met het zaaknummer 12010147 RP VERZ 25-51034 worden de proceskosten begroot op:
- salaris gemachtigde € 865,00
- nakosten € 144,00

----------------------
Totaal € 1.009,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)






5De beslissing


De kantonrechter:




in de zaak met zaaknummer 12010147 RP VERZ 25-51034




5.1.
wijst het verzoek af;



5.2.
veroordeelt [(ex)werknemer] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Hoogvliet begroot op € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [(ex)werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet hij ook de kosten van betekening betalen;



5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



in de zaak met zaaknummer 12007507 EJ VERZ 25-83603





5.4.
veroordeelt [(ex)werknemer] tot betaling aan Hoogvliet van een bedrag van € 7.630,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2025 tot aan de dag van volledige betaling;



5.5.
veroordeelt [(ex)werknemer] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Hoogvliet begroot op € 543,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [(ex)werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet hij ook de kosten van betekening betalen;



5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Jongsma en uitgesproken ter openbare zitting van 19 februari 2026.