Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:12780
Inhoudsindicatie
De vrouw en de man zijn in Iran met elkaar gehuwd. Tussen hen is – samengevat – in geschil of de verplichting tot terugbetaling van de studiebeurs van de man een gemeenschappelijke schuld betreft, of de vrouw de in de huwelijksakte opgenomen bruidsgave op kan eisen van de man en of de vrouw een bijdrage moet leveren aan de kosten van de huishouding. De rechtbank is van oordeel dat op het huwelijksgoederenregime van partijen Iraans recht van toepassing is en dat ook de vordering tot betaling van de bruidsgave naar Iraans recht moet worden beoordeeld. De verplichting tot terugbetaling van de studiebeurs van de man is geen gemeenschappelijke schuld, omdat het Iraanse huwelijksvermogensrecht uitgaat van de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en deze verplichting ook niet uit andere hoofde als een gemeenschappelijke schuld is aan te merken. De vordering tot betaling van de bruidsgave wordt toegewezen tot een beloop van 110 Bahar-e-Azadi gouden munten dan wel een bedrag van € 76.116,-. De vraag of de vrouw een bijdrage moet leveren aan de kosten van de huishouding, moet aan de familierechter worden voorgelegd.
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3968 Gerechtshof Den Haag 02-10-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2025:7958 Rechtbank Amsterdam 22-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1020 Gerechtshof Den Haag 04-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2015:1999 Gerechtshof Den Haag 14-07-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.459 tekens)
Team handel
zaak- / rolnummer: 687185 / HA ZA 25-547
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri,
tegen
[de man] te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. C.E. Koopmans.
Partijen worden hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd.
1Waar gaat deze zaak over?
1.1.
De vrouw en de man zijn in Iran met elkaar gehuwd. Tussen hen is – samengevat – in geschil of de verplichting tot terugbetaling van de studiebeurs van de man een gemeenschappelijke schuld betreft, of de vrouw de in de huwelijksakte opgenomen bruidsgave op kan eisen van de man en of de vrouw een bijdrage moet leveren aan de kosten van de huishouding.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat op het huwelijksgoederenregime van partijen Iraans recht van toepassing is en dat ook de vordering tot betaling van de bruidsgave naar Iraans recht moet worden beoordeeld. De verplichting tot terugbetaling van de studiebeurs van de man is geen gemeenschappelijke schuld, omdat het Iraanse huwelijksvermogensrecht uitgaat van de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en deze verplichting ook niet uit andere hoofde als een gemeenschappelijke schuld is aan te merken. De vordering tot betaling van de bruidsgave wordt toegewezen tot een beloop van 110 Bahar-e-Azadi gouden munten dan wel een bedrag van € 76.116,-. De vraag of de vrouw een bijdrage moet leveren aan de kosten van de huishouding, moet aan de familierechter worden voorgelegd.
2De procedure
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 16 juni 2025 met producties 1 tot en met 5;
de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 25;
de conclusie van antwoord in reconventie;
de akte overlegging producties van de man met producties 26 tot en met 29.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 november 2025. De vrouw was aanwezig, bijgestaan door haar advocaat en een tolk. De man was aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk.
2.3.
Na de afronding van de mondelinge behandeling is de zaak naar de rol van 17 december 2025 verwezen voor het nemen van een akte. Bij bericht van 26 november 2025 heeft de man de rechtbank geïnformeerd dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt.
2.4.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
3De feiten
3.1.
Partijen zijn op [datum] 2009 te [plaats] (Iran) met elkaar gehuwd. Zij hebben bij de huwelijkssluiting een notariële huwelijksakte getekend.
3.2.
Op pagina 5 van de huwelijksakte is – samengevat – bepaald dat de man aan de vrouw een bruidsgave verschuldigd is van 313 Bahar-e-Azadi gouden munten, die de vrouw op ieder moment van de man kan opeisen.
3.3.
Op pagina 8 van de huwelijksakte is – samengevat – bepaald dat de man bij echtscheiding de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen aan de vrouw dient over te dragen, mits de vrouw niet degene is die de echtscheiding aanvraagt.
3.4.
Partijen wonen sinds 2014 in Nederland.
3.5.
De man heeft in de periode van 2014 tot 2018 aan een Nederlandse universiteit een promotietraject volbracht. Hij heeft hiervoor een studiebeurs gekregen voor een totaalbedrag van € 115.091,- (hierna: ‘de studiebeurs’) van het Iraanse Ministerie van Wetenschap, Onderzoek en Technologie (hierna: ‘het ministerie’).
3.6.
De studiebeurs is verleend onder de voorwaarde dat de man na afronding van het promotietraject terugkeert naar Iran om gedurende een periode van 8 jaar onderwijs te verzorgen (hierna: ‘de onderwijsverplichting’). De ouders van de man hebben zich borg gesteld voor de terugbetaling van de studiebeurs.
3.7.
In 2020 hebben partijen de Nederlandse nationaliteit verkregen.
3.8.
De man is niet teruggekeerd naar Iran om aan de onderwijsverplichting te voldoen.
3.9.
Het ministerie heeft de ouders van de man aangesproken tot terugbetaling van de studiebeurs uit hoofde van de borgstelling.
3.10.
Bij email van 21 mei 2025 heeft de vrouw de bruidsgave opgeëist van de man.
4Het geschil
In conventie
4.1.
De vrouw vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de man veroordeelt tot betaling van 313 volledige Bahar-e-Azadi gouden munten of het equivalent daarvan gelijk aan € 250.587,80, te betalen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis;
de man veroordeelt in de proceskosten.
In reconventie
4.2.
De man vordert dat de rechtbank bij vonnis:
a. gelast dat, voor de periode vanaf 1 augustus 2025 en zolang het wettelijk huwelijk dan wel het geregistreerd partnerschap tussen partijen voortduurt, de vrouw verplicht is om naar evenredigheid bij te dragen aan de lopende gedeelde huishoudelijke lasten in overeenstemming met artikel 1:84 BW:
o dat de vrouw een vaste maandelijkse bijdrage van € 545,- betaalt, zijnde haar 35%-aandeel in de totale lasten, gebaseerd op de inkomensverhouding;
o dat eiseres wordt verboden om eenzijdig bedragen zoals hypotheek belastingteruggave, BSO-toeslag of kinderbijslag op te nemen of toe te eigenen, aangezien deze reeds zijn meegenomen in de berekening van haar bijdrageverplichting;
de vrouw veroordeelt tot betaling van € 2.004,- aan de man, zijnde haar onbetaalde bijdrage in de gezamenlijke huishoudkosten over de periode van 1 maart 2025 tot 1 augustus 2025, te voldoen binnen 14 dagen na vonnisdatum, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening tot aan de dag van volledige betaling;
te bepalen dat de man, indien de vrouw de betalingsverplichtingen uit de voorgaande vorderingen niet nakomt, tot tenuitvoerlegging mag overgaan, waarvan de kosten, waaronder deurwaarderskosten, voor rekening van de vrouw komen;
te bepalen dat de betaling van de schuld voortvloeiend uit de Iraanse beurs vanuit het gemeenschappelijk vermogen van partijen niet zal leiden tot een vergoedingsverplichting van gedaagde aan de gemeenschap, en dat deze schuld in redelijkheid en billijkheid dient te worden aangemerkt als een gemeenschappelijke last van de gemeenschap;
de vrouw veroordeelt in de proceskosten.
In conventie en in reconventie
4.3.
Partijen voeren verweer tegen elkaars vorderingen en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de ander.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
In conventie en in reconventie
5.1.
Nu de vorderingen in conventie en in reconventie beiden betrekking hebben op het tussen partijen bestaande huwelijk, ziet de rechtbank aanleiding deze vorderingen gezamenlijk te bespreken. De rechtbank zal achtereenvolgens de schuld vanwege de studiebeurs, de bruidsgave, de kosten van de huishouding en de proceskosten bespreken.
De schuld vanwege de studiebeurs
5.2.
De man beoogt met zijn vordering zoals weergegeven in 4.4 onder d een verklaring voor recht te krijgen dat de schuld uit hoofde van de studiebeurs een gemeenschappelijke schuld betreft. De man heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat partijen in de periode van 2014 tot 2018 hebben geleefd van deze studiebeurs. Partijen hebben na afronding van het promotietraject gezamenlijk besloten om in Nederland te blijven wonen totdat zij beiden de Nederlandse nationaliteit verkregen, zodat zij na de vervulling van de onderwijsverplichting van de man in Iran weer terug zouden kunnen keren naar Nederland. De vrouw heeft zich na verkrijging van de Nederlandse nationaliteit echter verzet tegen een tijdelijke terugkeer naar Iran. De ouders van de man hebben met het ministerie een betalingsregeling getroffen op grond waarvan zij het bedrag van de studiebeurs van € 115.091,- aflossen. De hieruit ontstane vordering van de ouders moet volgens de man als een gemeenschappelijke schuld worden aangemerkt.
5.3.
Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of Nederlands recht of Iraans recht op hun huwelijk van toepassing is. De man stelt dat Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijk op het moment van verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door partijen. De vrouw heeft dit betwist.
5.4.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat in artikel 3 van het Verdrag inzake het toepasselijk recht op huwelijksvermogensregimes (HHV) is bepaald dat het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het interne recht dat de echtgenoten vóór het huwelijk hebben aangewezen. Blijkens artikel 11 HHV moet de aanwijzing van het toepasselijk recht uitdrukkelijk zijn overeengekomen of ondubbelzinnig voortvloeien uit de huwelijkse voorwaarden.
5.5.
De rechtbank stelt vast dat partijen bij het afsluiten van hun huwelijk een huwelijksakte hebben opgemaakt ten overstaan van een Iraanse ambtenaar en dat daarin een bruidsgave is overeengekomen. Verder is in de huwelijksakte bepaald dat de man bij echtscheiding de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen aan de vrouw dient over te dragen, mits de vrouw niet degene is die de echtscheiding aanvraagt. Tot slot is in pagina’s 10 tot en met 14 van de huwelijksakte een limitatieve opsomming opgenomen van de gevallen waarin de vrouw de echtscheiding kan aanvragen. De rechtbank concludeert hieruit dat partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen en dat uit deze huwelijkse voorwaarden ondubbelzinnig voortvloeit dat partijen het Iraanse recht hebben aangewezen als het recht dat van toepassing zal zijn op hun huwelijk. De rechtbank verwijst hiertoe tevens naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:3968).
5.6.
De man wordt niet gevolgd in zijn betoog dat Nederlands recht op het huwelijk van partijen toepasselijk is geworden door verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door partijen. Partijen hebben huwelijkse voorwaarden gesloten en het Iraanse recht blijft daarom op grond van artikel 7 HHV op het huwelijk van toepassing zolang de echtgenoten geen ander toepasselijk recht aanwijzen. Deze regel geldt ook in geval van wijziging van nationaliteit of van de gewone verblijfplaats. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat partijen een ander toepasselijk recht hebben aangewezen.
5.7.
De rechtbank overweegt verder dat het Iraanse huwelijksvermogensrecht uitgaat van de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Dat betekent dat hetgeen de echtgenoten ten tijde van het aangaan van het huwelijk bezaten en hetgeen zij tijdens het huwelijk verwerven, privé-eigendom blijft. In dit kader verwijst de rechtbank naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:7958). Nu het Iraans huwelijksvermogensrecht geen gemeenschap van goederen kent, kan de regresvordering van de ouders van de man niet uit dien hoofde als een gemeenschappelijke schuld worden aangemerkt.
5.8.
De rechtbank is verder van oordeel dat de regresvordering van de ouders van de man ook niet uit andere hoofde als een gemeenschappelijke schuld kan worden aangemerkt. Daarvoor is van belang dat de studiebeurs is verleend aan de man en dat de daaraan verbonden onderwijsverplichting een verantwoordelijkheid was van de man. Nu de man deze onderwijsverplichting niet is nagekomen en zijn ouders vervolgens als borg zijn aangesproken, valt zonder nadere onderbouwing van de man niet in te zien waarom de daaruit ontstane regresvordering een gemeenschappelijke schuld van partijen is. De omstandigheid dat de man deze studiebeurs heeft aangewend voor de huishoudelijke kosten in de periode van 2014 tot 2018, is hiervoor niet voldoende. Dit was immers een vrije keuze van de man, terwijl de vrouw over deze periode niet over een inkomen beschikte en inbreng naar rato van inkomen daarom destijds ook niet mogelijk was. Ook de omstandigheid dat de vrouw na het verkrijgen van de gemeenschappelijke nationaliteit kennelijk niet terug wilde naar Iran, maakt niet dat de rechtbank op grond van de redelijkheid en billijkheid kan afwijken van de in het Iraanse recht vastgelegde regel dat geen sprake is van een huwelijksgemeenschap.
5.9.
De vordering van de man zoals weergegeven in 4.4 onder d zal dan ook worden afgewezen.
De bruidsgave
5.10.
De vrouw heeft aan haar vordering zoals weergegeven in 4.1 onder a ten grondslag gelegd dat in de huwelijksakte is vastgelegd dat de man haar een bruidsgave verschuldigd is van 313 Bahar-e-Azadi gouden munten, die de vrouw op ieder moment van de man kan opeisen.
5.11.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de bruidsgave naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt gekwalificeerd als een rechtsverhouding sui generis, derhalve een rechtsfiguur met een geheel eigen karakter. Hierdoor is deze niet gelijk te stellen aan de rechtsfiguur partneralimentatie dan wel aan een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. De vordering van de vrouw om de man te veroordelen om aan zijn verplichting tot betaling van de bruidsgave te voldoen, moet worden gekwalificeerd als een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte. Zoals hiervoor is overwogen, vloeit uit de huwelijksakte ondubbelzinnig een rechtskeuze voor Iraans recht voort. Dit leidt ertoe dat het Iraans recht van toepassing is ingevolge overeenkomstige toepassing van artikel 3 lid 1 van de Rome I-verordening (welke bepaling gaat over de rechtskeuze van partijen). De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van het Gerechtshof Den haag van 4 juni 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1020).
5.12.
De rechtbank overweegt verder dat, nu Iraans recht op de vordering tot betaling van de bruidsgave van toepassing is, de bepalingen van de boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet van toepassing zijn. Dat betekent dat de rechtbank – anders dan de man voorstaat – niet toekomt aan een beoordeling of de overeengekomen bruidsgave in strijd is met de openbare orde van artikel 3:40 BW of dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 BW aan een onverkorte toewijzing van de bruidsgave in de weg staat. De rechtbank zal beoordelen of toepassing van Iraans recht in het onderhavige geval kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde van artikel 10:6 BW.
5.13.
De man heeft echter niet onderbouwd, en ook overigens valt niet in te zien, in welk opzicht of door welke feiten of omstandigheden (een vordering tot nakoming van) de bruidsgave strijd oplevert met – naar Nederlandse opvattingen – fundamentele beginselen van juridische, sociale en/of morele aard. Het samengevatte betoog van de man dat de bruidsgave in Nederland, in tegenstelling tot in Iran, geen specifieke sociaal-maatschappelijke functie vervult, maar uitsluitend een religieuze, is daarvoor niet voldoende. Evenmin wordt de man gevolgd in zijn betoog dat de mogelijkheid een bruidsgave overeen te komen of betaling daarvan af te dwingen, leidt tot discriminatie op basis van geslacht.
5.14.
De rechtbank overweegt verder dat op grond van artikel 22 van de Iraanse Wet op de Gezinsbescherming een vordering tot betaling van de bruidsgave zonder meer toewijsbaar is tot 110 gouden munten en dat, voor zover een vordering tot betaling van de bruidsgave de 110 gouden munten overstijgt, een verdere beoordeling op basis van de draagkracht van de man vereist is.
5.15.
De rechtbank zal de vordering van de vrouw, voor zover die het drempelbedrag van 110 gouden munten overstijgt, afwijzen. De reden daarvoor is dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij onvoldoende draagkrachtig is om het meerdere te voldoen. De man heeft een certificering van het ministerie van 10 juni 2025 ingebracht, waaruit blijkt dat zijn oorspronkelijke schuld bij het ministerie € 115.091,- bedroeg, dat zijn vader daar inmiddels een bedrag van € 73.628,- op heeft afgelost en dat er nog een schuld van € 41.463,- open staat. Verder heeft de man een brief van de advocaat van zijn vader van 27 juli 2025 ingebracht, waaruit blijkt dat hij voor het volledige bedrag van € 115.091,- door zijn vader wordt aangesproken. De rechtbank betrekt hierbij tevens dat de vrouw geen bijdrage levert aan de kosten van de huishouding en zich in deze procedure op het standpunt heeft gesteld dat zij niet verplicht is daar een bijdrage aan te leveren. De rechtbank is niet gebleken dat de man, gelet op de openstaande schuld en het gegeven dat hij met zijn salaris ook de vrouw en hun kind onderhoudt, nog over vermogen beschikt waarmee hij de bruidsgave van 110 gouden munten kan voldoen, laat staan dat hij een hoger bedrag aan de vrouw kan betalen. De vrouw heeft dienaangaande enkel aannames gedaan, zonder een feitelijke onderbouwing te leveren. Daarbij geldt dat de uitwinning van de gemeenschappelijke woning van partijen moeilijk denkbaar is, aangezien partijen en hun kind dan geen woonruimte meer hebben.
5.16.
Nu de schuld vanwege de studiebeurs, zoals hiervoor is overwogen, geen gemeenschappelijke schuld betreft, komt deze – anders dan de man subsidiair heeft gesteld – niet voor verrekening met de bruidsgave in aanmerking.
5.17.
De man heeft in de conclusie van antwoord meer subsidiair aangevoerd dat de bruidsgave, voor zover mogelijk, moet worden voldaan uit zijn aandeel in de netto-overwaarde van de woning. De man heeft ter zitting echter verklaard niet meer achter dit verweer te staan.
5.18.
Tot slot heeft de man de rechtbank uiterst subsidiair verzocht om een afbetalingsregeling vast te stellen. De rechtbank is echter van oordeel dat daar geen wettelijke grondslag voor bestaat.
5.19.
De vrouw heeft de overdracht van de Bahar-e-Azadi gouden munten gevorderd, dan wel het equivalent daarvan in euro’s. Onder verwijzing naar het arrest van het hof Den Haag van 12 februari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2015:1999, zal de rechtbank bij het berekenen van de waarde van de 110 Bahar-e-Azadi gouden munten in euro’s uitgaan van de mondiale goudprijs op de datum waarop de vrouw de bruidsgave voor het eerst in rechte heeft gevorderd, te weten 16 juni 2025. Op 16 juni 2025 bedroeg de goudprijs volgens diverse door de rechtbank geraadpleegde websites om en nabij € 94,50 per gram. 110 Bahar-e-Azadi gouden munten wegen 805,46 gram, uitgaande van een netto gewicht in goud van 1 Bahar-e-Azadi gouden munt van 7,32 gram. Een en ander betekent dat de 110 gouden munten die de man aan de vrouw is verschuldigd, per 16 juni 2025 een waarde van afgerond € 76.116,- vertegenwoordigen.
5.20.
De rechtbank zal de vordering van de vrouw tot een beloop van 110 Bahar-e-Azadi gouden munten dan wel een bedrag van € 76.116,- toewijzen.
5.21.
De man heeft een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld, die inhoudt dat de rechtbank, indien de vordering tot betaling van de bruidsgave wordt afgewezen, samengevat voor recht verklaart dat de bruidsgave ook bij een toekomstige echtscheiding of vergelijkbare omstandigheden niet afdwingbaar is. De rechtbank is echter van oordeel dat de vraag of de vordering tot betaling van de bruidsgave, voor zover die bij dit vonnis wordt afgewezen, in de toekomst wel toewijsbaar is, afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van dat moment. De rechtbank zal de voorwaardelijke eis in reconventie van de man daarom afwijzen.
Kosten van de huishouding
5.22.
De man heeft aan zijn vorderingen zoals weergegeven in 4.4, onder a tot en met c, samengevat ten grondslag gelegd dat de vrouw eind 2021 een eigen inkomen heeft verkregen en verplicht is naar rato van haar inkomen bij te dragen aan de kosten van de huishouding.
5.23.
De rechtbank is van oordeel dat de familierechter bevoegd is van deze vorderingen van de man, die gebaseerd zijn op art. 1:84 BW, kennis te nemen. Deze vordering van de man zal derhalve worden verwezen naar deze afdeling. Aldaar moet de vordering bij verzoekschrift aanhangig worden gemaakt. Daarom zal de rechtbank, rekening houdend met het bepaalde in artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bevelen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. Tevens zal de man in de gelegenheid worden gesteld zijn stellingen aan te passen aan de voor de verzoekschriftprocedure toepasselijke procesregels.
5.24.
Vanuit team familie zullen partijen vervolgens in kennis worden gesteld over de voortgang van de procedure.
Proceskosten
5.25.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank:
In conventie
6.1.
veroordeelt de man tot betaling van 110 Bahar-e-Azadi gouden munten dan wel het daaraan gelijk te stellen bedrag van € 76.116,- aan de vrouw te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de man niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de man € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.2.
verklaart de veroordeling onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In reconventie
6.5.
verklaart dat team handel van deze rechtbank onbevoegd is van de vorderingen van de man als bedoeld onder 4.2. a tot en met c kennis te nemen;
6.6.
verwijst de procedure in de stand waarin deze zich bevindt naar de afdeling Familie van deze rechtbank om te worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure;
6.7.
stelt de man zo nodig in de gelegenheid zijn stellingen aan te passen aan de voor de verzoekschriftprocedure toepasselijke procesregels;
6.8.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de tot heden gemaakte eigen kosten draagt;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.