Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:3690
2025-03-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.6697
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2025:1382 → ECLI:NL:RBDHA:2025:3690
Inhoudsindicatie
bewaring, beroep, zicht op uitzetting, ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:510 Rechtbank Den Haag 16-01-2024
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15063 Rechtbank Den Haag 12-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9036 Rechtbank Den Haag 19-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6049 Rechtbank Den Haag 09-04-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (4.187 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6697
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
1. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat in 2023 al een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (lp) is ingediend bij de Indiase autoriteiten en dat eiser op 6 juli 2023 aan hen is gepresenteerd. Deze aanvraag is sindsdien niet gestopt, maar heeft niet geleid tot de afgifte van een lp. Op 12 oktober 2023 is de bewaring opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens eiser valt niet in te zien waarom dat zicht er nu dan wel zou zijn.
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank staat het eerdere opheffen van een maatregel wegens het ontbreken van zicht op uitzetting niet in de weg aan het opnieuw opleggen van een maatregel. De eerdere maatregel, presentatie en opheffing dateren van ruimschoots meer dan een jaar geleden, en zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India ontbreekt in beginsel niet. Het enkele feit dat de minister eerder een lp-aanvraag heeft ingediend bij de Indiase autoriteiten en daar geen reactie op is gekomen, maakt niet dat zicht op uitzetting ontbreekt. Niet is gebleken dat de Indiase autoriteiten de (eerdere of huidige) lp-aanvraag hebben afgewezen of dat zij de aanvragen niet (langer) in behandeling hebben. Daar komt bij dat eiser op 5 maart 2025 opnieuw zal worden gepresenteerd, wat ook tot voortuitgang kan leiden. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser, zoals de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht stelt, geen activiteiten onderneemt om aan identiteitsdocumenten te komen en zo zijn terugkeer naar India te bespoedigen. Van eiser mag dit wel worden verwacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 16 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:510.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6697
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
1. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat in 2023 al een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (lp) is ingediend bij de Indiase autoriteiten en dat eiser op 6 juli 2023 aan hen is gepresenteerd. Deze aanvraag is sindsdien niet gestopt, maar heeft niet geleid tot de afgifte van een lp. Op 12 oktober 2023 is de bewaring opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens eiser valt niet in te zien waarom dat zicht er nu dan wel zou zijn.
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank staat het eerdere opheffen van een maatregel wegens het ontbreken van zicht op uitzetting niet in de weg aan het opnieuw opleggen van een maatregel. De eerdere maatregel, presentatie en opheffing dateren van ruimschoots meer dan een jaar geleden, en zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India ontbreekt in beginsel niet. Het enkele feit dat de minister eerder een lp-aanvraag heeft ingediend bij de Indiase autoriteiten en daar geen reactie op is gekomen, maakt niet dat zicht op uitzetting ontbreekt. Niet is gebleken dat de Indiase autoriteiten de (eerdere of huidige) lp-aanvraag hebben afgewezen of dat zij de aanvragen niet (langer) in behandeling hebben. Daar komt bij dat eiser op 5 maart 2025 opnieuw zal worden gepresenteerd, wat ook tot voortuitgang kan leiden. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser, zoals de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht stelt, geen activiteiten onderneemt om aan identiteitsdocumenten te komen en zo zijn terugkeer naar India te bespoedigen. Van eiser mag dit wel worden verwacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 16 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:510.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.