Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28142
2025-05-15
Bestuursrecht
SGR 24/9042
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Oplegging onderzoek naar rijvaardigheid door CBR - beroep ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2018:3203 Raad van State 03-10-2018
- ECLI:NL:RVS:2023:1943 Raad van State 17-05-2023
- ECLI:NL:RVS:2021:1961 Raad van State 01-09-2021
- ECLI:NL:RVS:2019:1543 Raad van State 15-05-2019
- ECLI:NL:RVS:2015:2826 Raad van State 09-09-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.964 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9042
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M.L. Santokhi),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).
Inleiding
1. Bij besluit van 8 mei 2024 heeft verweerder eiseres verplicht mee te werken een onderzoek naar haar rijvaardigheid en rijgeschiktheid. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.1.
Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vergezeld van haar echtgenoot en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiseres is met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 4 april 2024 heeft verweerder een mededeling ontvangen van de politie waarin wordt vermeld dat eiseres was betrokken bij een incident op 29 februari 2024 waarbij zij een voetganger heeft aangereden op een voetgangersoversteekplaats en dat zij daarbij heeft aangegeven dat zij de voetganger niet had gezien en niet precies wist wat er was gebeurd. Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerder geconcludeerd dat er een vermoeden is van onvoldoende rijvaardigheid. Verweerder heeft eiseres daarom verplicht om haar medewerking te verlenen aan een onderzoek naar haar rijvaardigheid en rijgeschiktheid.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres betwist de juistheid van de informatie zoals weergegeven in de mededeling. Zij heeft geen voetganger aangereden. Zij weet zeker dat de voetgangersoversteekplaats vrij was. Eiseres hoorde een tik op het raam van haar auto en zag toen dat de voetganger op de grond lag. Zij was tegen de zijkant van haar auto gevallen. De plek waar de voetganger lag was donker, ook was zij gekleed in een donkere jas waardoor zij slecht zichtbaar was. Er wordt ten onrechte enkel uitgegaan van de verklaring van de voetganger en niet van de verklaring van eiseres. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid nu slechts drie vragen zijn gesteld door de agent ter plaatse. Dat eiseres over voldoende rijvaardigheid beschikt blijkt ook uit de omstandigheid dat zij 59 jaar schadevrij heeft gereden. Daarnaast is eiseres bij mondeling vonnis van 18 februari 2025 vrijgesproken door de politierechter van de aan haar opgelegde strafbeschikking. Deze strafbeschikking ziet op het (vermeende) strafbare feit van het niet voor laten gaan van een voetganger op een voetgangersoversteekplaats op 29 februari 2024 en ziet dus op hetzelfde feit dat heeft geleid tot het bestreden besluit. Eiseres ervaart door het incident veel spanning en heeft last van migraine en slapeloze nachten. Ook was de politie slecht bereikbaar en is er van alles misgegaan bij de schadeclaim die is ingediend door de voetganger.
3.1.
Eiseres heeft op 4 april 2025 gereageerd op het door verweerder ingediende aanvullende verweerschrift en de overgelegde stukken, zoals een proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2024, een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 16 maart 2024 en een proces-verbaal van verhoor van het slachtoffer van 6 maart 2024. Eiseres is van mening dat met de vrijspraak de grondslag voor het besluit, zijnde de processen-verbaal, is weggenomen. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 3 oktober 2018 waaruit volgt dat een mondeling vonnis de juistheid van de processen-verbaal niet onderuit kan halen omdat daaruit niet blijkt waarom de verdachte is vrijgesproken noch dat inhoud van een proces-verbaal onjuist is. Dat een vonnis met inhoudelijke overwegingen ontbreekt mag echter niet in het nadeel van eiseres wegen. Bovendien moet het mondelinge vonnis in samenhang met de strafbeschikking worden gelezen nu hieruit volgt wat het strafbare feit is waarvoor eiseres wordt vervolgd en daaruit dus ook kan worden afgeleid op welke gronden eiser is vrijgesproken. In de vrijspraak is verdisconteerd dat de processen-verbaal onjuist zijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel. De wetgever vindt het ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk om deelname aan een dergelijk onderzoek in bepaalde gevallen te kunnen afdwingen, los van een eventuele strafrechtelijke procedure. In een bestuursrechtelijke procedure als deze gelden andere bewijsregels dan in een strafrechtelijke procedure. Reeds hierom kan de vrijspraak niet tot een ander oordeel leiden. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat vrijspraak door de politierechter van het ten laste gelegde, het vermoeden van ongeschiktheid in beginsel onverlet laat. Dat kan anders zijn indien het strafrechtelijke vonnis de inhoud van de mededeling en het bijgevoegde mutatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de oplegging van het onderzoek onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop deze bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd. De rechtbank overweegt dat uit het mondelinge vonnis alleen blijkt dat eiseres is vrijgesproken maar niet op welke gronden noch dat de processen-verbaal onjuist zouden zijn. De rechtbank volgt eiseres’ betoog niet dat uit het vonnis in samenhang met de strafbeschikking kan worden afgeleid op welke gronden eiseres is vrijgesproken en dat de processen-verbaal onjuist zijn. Uit de strafbeschikking volgt immers enkel voor welk strafbaar feit eiseres wordt vervolgd en dat zij hier dus van is vrijgesproken. Het vonnis biedt daarom onvoldoende aanknopingspunten om niet meer uit te kunnen gaan van de mededeling.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan de mededeling in redelijkheid het vermoeden mogen ontlenen dat eiseres niet langer beschikte over de rijvaardigheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen. De rechtbank stelt voorop dat uit de mededeling en de processen-verbaal – kort samengevat – volgt dat eiseres heeft verklaard dat zij de voetganger niet had gezien en niet precies weet wat er is gebeurd en dat de voetganger heeft verklaard dat zij door eiseres is aangereden. Nu uit deze stukken volgt dat eiseres na het incident is gehoord en daarbij de gelegenheid heeft gekregen om te verklaren over de toedracht van het incident, is de rechtbank niet met eiseres eens dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter mag verweerder in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs ertoe strekt dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Een enkele betwisting van de waarnemingen van de politie is daarvoor onvoldoende. De enkele verklaring van eiseres dat zij de voetganger niet heeft aangereden is daarom onvoldoende om niet meer van de juistheid van de mededeling en de processen-verbaal uit te kunnen gaan. Bovendien is het vermoeden van verkeerd kijkgedrag van eiseres met name gelegen in de verklaringen van eiseres dat zij de voetganger niet heeft gezien en niet precies weet wat er is gebeurd. Dit is in zoverre niet door eiseres betwist. Eiseres heeft de juistheid van de mededeling en de processen-verbaal verder betwist door ter zitting foto’s over te leggen van het incident die zijn verkregen in de strafrechtelijke procedure. De rechtbank is echter van oordeel dat deze foto’s de juistheid van de mededeling en de processen-verbaal juist bevestigen omdat op de foto’s te zien is dat een vrouw aan de voorkant van de auto met haar hoofd op de stoep ligt. Hieruit kan daarom niet worden afgeleid dat de voetganger tegen de zijkant van eiseres’ auto was gevallen. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat aan de omstandigheid dat het donker was op de plek van het incident en dat de voetganger een donkere jas droeg geen betekenis toekomt nu van automobilisten mag worden verwacht dat zij ook onder deze omstandigheden veilig kijkgedrag vertonen.
4.2.
De stelling van eiseres dat zij 59 jaar schadevrij heeft gereden maakt het voorgaande ook niet anders. Dit doet er niet aan af dat naar aanleiding van de mededeling van de politie over het incident van 29 februari 2024, een gegrond vermoeden heeft dat eiseres niet over de benodigde rijvaardigheid en rijgeschiktheid beschikt.
4.3.
Dat de politie slecht bereikbaar was, dat eiseres veel spanning ervaart door de procedure en dat zij problemen heeft ondervonden met de verzekeringsmaatschappij om schade vergoed te krijgen, leidt niet tot een ander oordeel nu voornoemde omstandigheden buiten de invloedssfeer van verweerder liggen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder eiseres heeft mogen verplichten mee te werken aan een onderzoek naar haar rijgeschiktheid en rijvaardigheid. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, en bijlage 1, onderdeel A. onder I en II van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2018:3203.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1943.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961.
Zie voetnoot 2.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1543.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2826.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9042
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M.L. Santokhi),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).
Inleiding
1. Bij besluit van 8 mei 2024 heeft verweerder eiseres verplicht mee te werken een onderzoek naar haar rijvaardigheid en rijgeschiktheid. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.1.
Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vergezeld van haar echtgenoot en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiseres is met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 4 april 2024 heeft verweerder een mededeling ontvangen van de politie waarin wordt vermeld dat eiseres was betrokken bij een incident op 29 februari 2024 waarbij zij een voetganger heeft aangereden op een voetgangersoversteekplaats en dat zij daarbij heeft aangegeven dat zij de voetganger niet had gezien en niet precies wist wat er was gebeurd. Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerder geconcludeerd dat er een vermoeden is van onvoldoende rijvaardigheid. Verweerder heeft eiseres daarom verplicht om haar medewerking te verlenen aan een onderzoek naar haar rijvaardigheid en rijgeschiktheid.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres betwist de juistheid van de informatie zoals weergegeven in de mededeling. Zij heeft geen voetganger aangereden. Zij weet zeker dat de voetgangersoversteekplaats vrij was. Eiseres hoorde een tik op het raam van haar auto en zag toen dat de voetganger op de grond lag. Zij was tegen de zijkant van haar auto gevallen. De plek waar de voetganger lag was donker, ook was zij gekleed in een donkere jas waardoor zij slecht zichtbaar was. Er wordt ten onrechte enkel uitgegaan van de verklaring van de voetganger en niet van de verklaring van eiseres. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid nu slechts drie vragen zijn gesteld door de agent ter plaatse. Dat eiseres over voldoende rijvaardigheid beschikt blijkt ook uit de omstandigheid dat zij 59 jaar schadevrij heeft gereden. Daarnaast is eiseres bij mondeling vonnis van 18 februari 2025 vrijgesproken door de politierechter van de aan haar opgelegde strafbeschikking. Deze strafbeschikking ziet op het (vermeende) strafbare feit van het niet voor laten gaan van een voetganger op een voetgangersoversteekplaats op 29 februari 2024 en ziet dus op hetzelfde feit dat heeft geleid tot het bestreden besluit. Eiseres ervaart door het incident veel spanning en heeft last van migraine en slapeloze nachten. Ook was de politie slecht bereikbaar en is er van alles misgegaan bij de schadeclaim die is ingediend door de voetganger.
3.1.
Eiseres heeft op 4 april 2025 gereageerd op het door verweerder ingediende aanvullende verweerschrift en de overgelegde stukken, zoals een proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2024, een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 16 maart 2024 en een proces-verbaal van verhoor van het slachtoffer van 6 maart 2024. Eiseres is van mening dat met de vrijspraak de grondslag voor het besluit, zijnde de processen-verbaal, is weggenomen. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 3 oktober 2018 waaruit volgt dat een mondeling vonnis de juistheid van de processen-verbaal niet onderuit kan halen omdat daaruit niet blijkt waarom de verdachte is vrijgesproken noch dat inhoud van een proces-verbaal onjuist is. Dat een vonnis met inhoudelijke overwegingen ontbreekt mag echter niet in het nadeel van eiseres wegen. Bovendien moet het mondelinge vonnis in samenhang met de strafbeschikking worden gelezen nu hieruit volgt wat het strafbare feit is waarvoor eiseres wordt vervolgd en daaruit dus ook kan worden afgeleid op welke gronden eiser is vrijgesproken. In de vrijspraak is verdisconteerd dat de processen-verbaal onjuist zijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel. De wetgever vindt het ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk om deelname aan een dergelijk onderzoek in bepaalde gevallen te kunnen afdwingen, los van een eventuele strafrechtelijke procedure. In een bestuursrechtelijke procedure als deze gelden andere bewijsregels dan in een strafrechtelijke procedure. Reeds hierom kan de vrijspraak niet tot een ander oordeel leiden. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat vrijspraak door de politierechter van het ten laste gelegde, het vermoeden van ongeschiktheid in beginsel onverlet laat. Dat kan anders zijn indien het strafrechtelijke vonnis de inhoud van de mededeling en het bijgevoegde mutatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de oplegging van het onderzoek onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop deze bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd. De rechtbank overweegt dat uit het mondelinge vonnis alleen blijkt dat eiseres is vrijgesproken maar niet op welke gronden noch dat de processen-verbaal onjuist zouden zijn. De rechtbank volgt eiseres’ betoog niet dat uit het vonnis in samenhang met de strafbeschikking kan worden afgeleid op welke gronden eiseres is vrijgesproken en dat de processen-verbaal onjuist zijn. Uit de strafbeschikking volgt immers enkel voor welk strafbaar feit eiseres wordt vervolgd en dat zij hier dus van is vrijgesproken. Het vonnis biedt daarom onvoldoende aanknopingspunten om niet meer uit te kunnen gaan van de mededeling.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan de mededeling in redelijkheid het vermoeden mogen ontlenen dat eiseres niet langer beschikte over de rijvaardigheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen. De rechtbank stelt voorop dat uit de mededeling en de processen-verbaal – kort samengevat – volgt dat eiseres heeft verklaard dat zij de voetganger niet had gezien en niet precies weet wat er is gebeurd en dat de voetganger heeft verklaard dat zij door eiseres is aangereden. Nu uit deze stukken volgt dat eiseres na het incident is gehoord en daarbij de gelegenheid heeft gekregen om te verklaren over de toedracht van het incident, is de rechtbank niet met eiseres eens dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter mag verweerder in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs ertoe strekt dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Een enkele betwisting van de waarnemingen van de politie is daarvoor onvoldoende. De enkele verklaring van eiseres dat zij de voetganger niet heeft aangereden is daarom onvoldoende om niet meer van de juistheid van de mededeling en de processen-verbaal uit te kunnen gaan. Bovendien is het vermoeden van verkeerd kijkgedrag van eiseres met name gelegen in de verklaringen van eiseres dat zij de voetganger niet heeft gezien en niet precies weet wat er is gebeurd. Dit is in zoverre niet door eiseres betwist. Eiseres heeft de juistheid van de mededeling en de processen-verbaal verder betwist door ter zitting foto’s over te leggen van het incident die zijn verkregen in de strafrechtelijke procedure. De rechtbank is echter van oordeel dat deze foto’s de juistheid van de mededeling en de processen-verbaal juist bevestigen omdat op de foto’s te zien is dat een vrouw aan de voorkant van de auto met haar hoofd op de stoep ligt. Hieruit kan daarom niet worden afgeleid dat de voetganger tegen de zijkant van eiseres’ auto was gevallen. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat aan de omstandigheid dat het donker was op de plek van het incident en dat de voetganger een donkere jas droeg geen betekenis toekomt nu van automobilisten mag worden verwacht dat zij ook onder deze omstandigheden veilig kijkgedrag vertonen.
4.2.
De stelling van eiseres dat zij 59 jaar schadevrij heeft gereden maakt het voorgaande ook niet anders. Dit doet er niet aan af dat naar aanleiding van de mededeling van de politie over het incident van 29 februari 2024, een gegrond vermoeden heeft dat eiseres niet over de benodigde rijvaardigheid en rijgeschiktheid beschikt.
4.3.
Dat de politie slecht bereikbaar was, dat eiseres veel spanning ervaart door de procedure en dat zij problemen heeft ondervonden met de verzekeringsmaatschappij om schade vergoed te krijgen, leidt niet tot een ander oordeel nu voornoemde omstandigheden buiten de invloedssfeer van verweerder liggen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder eiseres heeft mogen verplichten mee te werken aan een onderzoek naar haar rijgeschiktheid en rijvaardigheid. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, en bijlage 1, onderdeel A. onder I en II van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2018:3203.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1943.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961.
Zie voetnoot 2.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1543.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2826.