Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28139
2025-05-15
Bestuursrecht
SGR 24/9008
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2026:4598 → ECLI:NL:RBDHA:2025:28139 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven - hoogte uitkering in geschil - beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:961 Raad van State 04-05-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.182 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9008
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S.A. Berwari),
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. H.K.M. Timmermans).
Inleiding
1. In het besluit van 28 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) van € 2.500,- toegekend aan eiser. Eiser heeft bezwaar ingediend omdat hij het niet eens is met de hoogte van de uitkering. Met het bestreden besluit van 4 november 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en heeft verweerder de uitkering van € 2.500,- gehandhaafd.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahed als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een uitkering aangevraagd bij het Schadefonds omdat hij slachtoffer is geworden van een mishandeling in Den Haag op 22 juni 2022 waarbij hij zijn middenhandsbeentje en zijn middelvinger heeft gebroken. Eiser is hieraan geopereerd. Verweerder heeft bij besluit van 28 augustus 2024 een uitkering toegekend van € 2.500,- (letselcategorie 2). Eiser is het niet eens met de hoogte van de uitkering. Eiser heeft nog steeds last van pijnklachten en slaapproblemen. Zijn vinger staat nog steeds krom en zijn hand is stijf waardoor hij blijvend functieverlies heeft aan zijn hand.
2.1.
Verweerder ziet geen aanleiding om een hogere uitkering toe te kennen. Eiser heeft namelijk niet met objectieve stukken onderbouwd dat hij blijvend functieverlies heeft aan zijn hand. Daarnaast is eiser niet arbeidsongeschikt geworden door de mishandeling en de operatie die hij heeft ondergaan was niet ter afwending van direct levensgevaar. Het letsel valt hiermee niet in letselcategorie 3. In beroep staat de vraag centraal of het letsel het gevolg is van de mishandeling.
Wat vindt verweerder in beroep?
3. Verweerder heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit een ambtelijke misslag bevat. Uit de medische informatie die eiser bij zijn aanvraag heeft toegestuurd blijkt dat eiser al vóór het misdrijf zijn hand heeft gebroken. Het letsel van eiser is dus niet het gevolg van de mishandeling. Omdat er een verbod geldt om door het instellen van beroep in een nadeligere positie te komen, zal verweerder de al toegekende uitkering echter niet terugvorderen. Ook gelet hierop komt eiser niet in aanmerking voor een hogere uitkering.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is van oordeel dat zijn letsel in een hogere letselcategorie valt omdat hij blijvende beperkingen heeft. Ter onderbouwing heeft hij foto’s, een huisartsenjournaal en een stuk van een fysiotherapeut overgelegd. Ook blijkt hieruit dat de mishandeling op of omstreeks 19 mei 2022 heeft plaatsgevonden. Dat hij op het aanvraagformulier een onjuiste datum heeft ingevuld kan hem niet worden tegengeworpen, omdat eiser slecht is met data. Verweerder had onderzoek moeten doen. Eiser is door het bestreden besluit onredelijk hard in zijn belangen getroffen, door een gebrekkige belangenafweging, onjuiste feitelijk uitgangspunten en het onvoldoende meewegen van zijn persoonlijke omstandigheden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het fonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
5.1.
Uit verweerders beleid volgt dat om in aanmerking te komen voor een uitkering uit het Schadefonds, het geweldsmisdrijf waardoor het letsel is opgelopen aannemelijk moet worden gemaakt. Het uitgangspunt is dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor het onderbouwen van de aanvraag met voldoende objectieve aanwijzingen. Uit die onderbouwing moet een duidelijk en logisch beeld volgen van wat er is gebeurd en wat de aanleiding ervoor was.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt dat het letsel het gevolg is geweest van de mishandeling, doordat hij niet consistent verklaart over de datum van de mishandeling.
5.3.
De rechtbank constateert dat uit de overgelegde aangifte volgt dat de mishandeling zou hebben plaatsgevonden op 22 juni 2022. Uit de overgelegde medische stukken volgt dat bij eiser op 19 mei 2022 een fractuur aan zijn middenhandsbeentje is geconstateerd en dat eiser hiervoor op 25 mei 2022 is behandeld door middel van een plaatfixatie. In beroep heeft eiser een medisch journaal overgelegd waaruit volgt dat eiser zijn hand heeft gebroken naar aanleiding van een mishandeling op 19 mei 2022 en dat hij hiervoor medisch is behandeld.
5.4.
De bewijslast om aannemelijk te maken dat het letsel het gevolg is geweest van de mishandeling ligt bij eiser. Eiser heeft bij de aanvraag een proces-verbaal van aangifte overgelegd met als datum van de mishandeling 22 juni 2022. Verweerder heeft hier in redelijkheid veel waarde aan kunnen hechten nu dit een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal betreft. Omdat uit de overgelegde medische stukken een andere pleegdatum blijkt en hij daarmee geen duidelijk en logisch beeld heeft kunnen geven van wanneer de mishandeling heeft plaatsgevonden, heeft verweerder in beroep in redelijkheid kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is veroorzaakt door de mishandeling. Ook ter zitting heeft eiser geen duidelijkheid gegeven over deze datum.
Dat eiser moeite heeft met data en hij daarom verschillende data heeft gehanteerd komt voor zijn eigen rekening en risico, nu hij dit niet eerder in de procedure kenbaar heeft gemaakt en hij bij de aanvraag hulp heeft gehad van Stichting Humanitas.
5.5.
Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is ontstaan als gevolg van het geweldsmisdrijf waar de aanvraag op ziet en dat eiser daarom op basis van deze aanvraag in zijn geheel niet in aanmerking komt voor een uitkering uit het Schadefonds. In het verlengde daarvan, overweegt de rechtbank dat eiser niet in aanmerking komt voor een hogere uitkering. Het beroep is ongegrond.
5.6.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de al toegekende uitkering van € 2.500,- niet door verweerder zal worden teruggevorderd, omdat er een verbod geldt om door het instellen van beroep in een nadeligere positie te komen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder geen hogere uitkering aan eiser hoeft toe te kennen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie pagina 6 van de Beleidsbundel.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961.
Het verbod op reformatio in peius.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9008
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S.A. Berwari),
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. H.K.M. Timmermans).
Inleiding
1. In het besluit van 28 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) van € 2.500,- toegekend aan eiser. Eiser heeft bezwaar ingediend omdat hij het niet eens is met de hoogte van de uitkering. Met het bestreden besluit van 4 november 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en heeft verweerder de uitkering van € 2.500,- gehandhaafd.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahed als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een uitkering aangevraagd bij het Schadefonds omdat hij slachtoffer is geworden van een mishandeling in Den Haag op 22 juni 2022 waarbij hij zijn middenhandsbeentje en zijn middelvinger heeft gebroken. Eiser is hieraan geopereerd. Verweerder heeft bij besluit van 28 augustus 2024 een uitkering toegekend van € 2.500,- (letselcategorie 2). Eiser is het niet eens met de hoogte van de uitkering. Eiser heeft nog steeds last van pijnklachten en slaapproblemen. Zijn vinger staat nog steeds krom en zijn hand is stijf waardoor hij blijvend functieverlies heeft aan zijn hand.
2.1.
Verweerder ziet geen aanleiding om een hogere uitkering toe te kennen. Eiser heeft namelijk niet met objectieve stukken onderbouwd dat hij blijvend functieverlies heeft aan zijn hand. Daarnaast is eiser niet arbeidsongeschikt geworden door de mishandeling en de operatie die hij heeft ondergaan was niet ter afwending van direct levensgevaar. Het letsel valt hiermee niet in letselcategorie 3. In beroep staat de vraag centraal of het letsel het gevolg is van de mishandeling.
Wat vindt verweerder in beroep?
3. Verweerder heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit een ambtelijke misslag bevat. Uit de medische informatie die eiser bij zijn aanvraag heeft toegestuurd blijkt dat eiser al vóór het misdrijf zijn hand heeft gebroken. Het letsel van eiser is dus niet het gevolg van de mishandeling. Omdat er een verbod geldt om door het instellen van beroep in een nadeligere positie te komen, zal verweerder de al toegekende uitkering echter niet terugvorderen. Ook gelet hierop komt eiser niet in aanmerking voor een hogere uitkering.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is van oordeel dat zijn letsel in een hogere letselcategorie valt omdat hij blijvende beperkingen heeft. Ter onderbouwing heeft hij foto’s, een huisartsenjournaal en een stuk van een fysiotherapeut overgelegd. Ook blijkt hieruit dat de mishandeling op of omstreeks 19 mei 2022 heeft plaatsgevonden. Dat hij op het aanvraagformulier een onjuiste datum heeft ingevuld kan hem niet worden tegengeworpen, omdat eiser slecht is met data. Verweerder had onderzoek moeten doen. Eiser is door het bestreden besluit onredelijk hard in zijn belangen getroffen, door een gebrekkige belangenafweging, onjuiste feitelijk uitgangspunten en het onvoldoende meewegen van zijn persoonlijke omstandigheden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het fonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
5.1.
Uit verweerders beleid volgt dat om in aanmerking te komen voor een uitkering uit het Schadefonds, het geweldsmisdrijf waardoor het letsel is opgelopen aannemelijk moet worden gemaakt. Het uitgangspunt is dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor het onderbouwen van de aanvraag met voldoende objectieve aanwijzingen. Uit die onderbouwing moet een duidelijk en logisch beeld volgen van wat er is gebeurd en wat de aanleiding ervoor was.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt dat het letsel het gevolg is geweest van de mishandeling, doordat hij niet consistent verklaart over de datum van de mishandeling.
5.3.
De rechtbank constateert dat uit de overgelegde aangifte volgt dat de mishandeling zou hebben plaatsgevonden op 22 juni 2022. Uit de overgelegde medische stukken volgt dat bij eiser op 19 mei 2022 een fractuur aan zijn middenhandsbeentje is geconstateerd en dat eiser hiervoor op 25 mei 2022 is behandeld door middel van een plaatfixatie. In beroep heeft eiser een medisch journaal overgelegd waaruit volgt dat eiser zijn hand heeft gebroken naar aanleiding van een mishandeling op 19 mei 2022 en dat hij hiervoor medisch is behandeld.
5.4.
De bewijslast om aannemelijk te maken dat het letsel het gevolg is geweest van de mishandeling ligt bij eiser. Eiser heeft bij de aanvraag een proces-verbaal van aangifte overgelegd met als datum van de mishandeling 22 juni 2022. Verweerder heeft hier in redelijkheid veel waarde aan kunnen hechten nu dit een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal betreft. Omdat uit de overgelegde medische stukken een andere pleegdatum blijkt en hij daarmee geen duidelijk en logisch beeld heeft kunnen geven van wanneer de mishandeling heeft plaatsgevonden, heeft verweerder in beroep in redelijkheid kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is veroorzaakt door de mishandeling. Ook ter zitting heeft eiser geen duidelijkheid gegeven over deze datum.
Dat eiser moeite heeft met data en hij daarom verschillende data heeft gehanteerd komt voor zijn eigen rekening en risico, nu hij dit niet eerder in de procedure kenbaar heeft gemaakt en hij bij de aanvraag hulp heeft gehad van Stichting Humanitas.
5.5.
Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is ontstaan als gevolg van het geweldsmisdrijf waar de aanvraag op ziet en dat eiser daarom op basis van deze aanvraag in zijn geheel niet in aanmerking komt voor een uitkering uit het Schadefonds. In het verlengde daarvan, overweegt de rechtbank dat eiser niet in aanmerking komt voor een hogere uitkering. Het beroep is ongegrond.
5.6.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de al toegekende uitkering van € 2.500,- niet door verweerder zal worden teruggevorderd, omdat er een verbod geldt om door het instellen van beroep in een nadeligere positie te komen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder geen hogere uitkering aan eiser hoeft toe te kennen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie pagina 6 van de Beleidsbundel.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961.
Het verbod op reformatio in peius.