Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:28136

2025-04-03 Bestuursrecht SGR 24/7696
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-04-03
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/7696
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing urgentieverklaring - belang van het kind - beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.811 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 24/7696


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2025 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A.R. Bissessur),


en




het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. F.W.A. van Driel).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring.



1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. el Mathari als tolk en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?




2. Eiser heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor zichzelf, zijn echtgenote en zijn drie kinderen. Eiser woont samen met zijn drie kinderen en zijn ex-partner. Eisers’ ex-partner heeft gedreigd om hem en de kinderen uit de woning te zetten. De woonsituatie is gespannen. Na de aanvraag zijn nog twee minderjarige kinderen, geboren uit eisers huidige huwelijk, vanuit [land] naar Nederland gekomen.


2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden. Een scheiding of dakloos worden en daarmee samenhangende psychische problemen zoals stress, zijn namelijk geen urgent woonprobleem. Bovendien kan het woonprobleem op een andere manier worden opgelost. Eiser huurt de huidige woning samen met zijn ex-partner en hij kon in de echtscheidingsprocedure de woning opeisen. Het is zijn persoonlijke keuze om dat niet te doen. Dit geldt temeer nu hij zelf medische problemen heeft en de woning om die reden eerder heeft gekregen via een voorrangsverklaring. Verder heeft eiser niet eerst zelf geprobeerd heeft zijn woonprobleem op te lossen. Er is geen aanleiding op grond van de hardheidsclausule een urgentieverklaring te verlenen.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Een echtscheiding is een urgent huisvestingsprobleem. Verweerder legt de Huisvestingswet 2014 onjuist uit op dit punt. Verder heeft eiser gereageerd op woningen in de hele regio [regio]. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere situatie van eiser. Zo verkeert hij in slechte gezondheid en zijn niet-stabiele woonsituatie heeft daarop een negatieve invloed, en ook op de kinderen. Eiser heeft voldoende medische informatie aangeleverd en verweerder moest ook zelf medische gegevens opvragen. Ten onrechte verwijt verweerder eiser dat hij er zelf voor heeft gekozen om de echtelijke woning niet op te eisen. Verder heeft verweerder niet goed gemotiveerd hoe hij rekening heeft gehouden met de belangen van de vijf kinderen. Verweerder moest de hardheidsclausule toepassen, omdat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die niet binnen de reguliere regels passen. Verweerder heeft daarmee onvoldoende rekening gehouden met de menselijke maat.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank overweegt dat verweerder bij het verlenen van urgentieverklaringen gehouden is aan het opgestelde beoordelingssysteem. Indien zich één van de algemene weigeringsgronden voordoet, wordt een urgentieverklaring door verweerder in beginsel geweigerd. Een inhoudelijke toets om te kijken of de woonsituatie van eiseres door sociale of medische omstandigheden als levensbedreigend of ontwrichtend moet worden aangemerkt blijft in dat geval achterwege. Dit restrictieve beleid van verweerder is door de Afdeling niet onredelijk geacht, vanwege het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het kleine aantal toewijsbare huurwoningen dat beschikbaar komt.


4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers aanvraag heeft mogen afwijzen, omdat er sprake is van meerdere weigeringsgronden. Verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden lang twee keer per week heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod in de gehele regio [regio]. Bovendien heeft eiser met name gereageerd op eengezinswoningen in [plaats]. Op de zitting heeft verweerder, onweersproken, uitgelegd dat dit volgt uit het interne systeem van de gemeente. Eiser heeft op de zitting erkend dat hij met de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij wel drie maanden voorafgaand aan de aanvraag twee keer per week op het beschikbare woningaanbod heeft gereageerd. Nu één weigeringsgrond voldoende is voor een afwijzing, heeft verweerder alleen al gelet hierop tot een afwijzing kunnen komen.



4.2.
Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat verweerder ook de andere weigeringsgronden heeft mogen inroepen. Een echtscheiding en dreiging om dakloos te worden zijn geen urgente huisvestingsproblemen. De verwijzing van eiser naar artikel 12 van de Huisvestingswet 2014, leidt niet tot een ander oordeel, omdat daaruit alleen volgt dat gemeentes in een huisvestingsverordening bepaalde categorieën kunnen aanwijzen die voorrang krijgen. Verweerder heeft dit gedaan in de Huisvestingsverordening en nader uitgewerkt in de Beleidsregel. Ook mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij zijn woonprobleem op een andere manier kan oplossen, bijvoorbeeld door de woning op te eisen voor hem en zijn gezin. De huidige woning is immers met een urgentieverklaring aan eiser toegekend en het betreft een woning voor een gezin. Bovendien staat eiser met zijn ex-partner op het huurcontract van de huidige woning en de huur wordt van de gezamenlijke rekening betaald. Dat eiser hier niet voor heeft gekozen vanwege de slechte gezondheid van zijn ex-partner en omdat zij als vrouw nergens terecht zou kunnen doet hier niet aan af.


4.3.
Verweerder heeft in zoverre de urgentieverklaring dan ook mogen weigeren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het besluit op deze punten onzorgvuldig heeft voorbereid of onvoldoende heeft gemotiveerd.


4.4.
De hardheidsclausule wordt alleen toegepast in gevallen waarin het niet toekennen van urgentie leidt tot een schrijnende situatie. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat er in het geval van eiser geen sprake is van een dermate schrijnende situatie. Hoewel voorstelbaar is dat de huidige woonsituatie voor spanning zorgt, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser zich onvoldoende onderscheidt van anderen die zich in soortgelijke omstandigheden bevinden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat er geen sprake is van een urgent woonprobleem en dat eiser zijn woonprobleem op een andere manier kan oplossen.



4.5.

Er bestaat ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de belangen van de kinderen onvoldoende heeft meegewogen. Verweerder hoefde de belangen van de twee minderjarige kinderen die later vanuit [land] naar Nederland zijn gekomen niet mee te wegen. Toen eiser zijn aanvraag deed, waren zij namelijk geen onderdeel van het duurzaam gemeenschappelijke huishouden van eiser. Zij stonden ook niet op het adres van eiser ingeschreven en eiser heeft hen niet vermeld op de aanvraag voor de urgentieverklaring.
De belangen van de twee meerderjarige kinderen heeft verweerder buiten beschouwing kunnen laten, omdat zij niet minderjarig waren. Tot slot heeft verweerder voldoende en deugdelijk gemotiveerd rekening gehouden met de belangen van het minderjarige kind waar de aanvraag op ziet. Hoewel voorstelbaar is dat de huidige woonsituatie voor spanning zorgt, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woonsituatie in vergelijking met andere woningzoekenden met kinderen niet zo schrijnend is dat urgentie moet worden verleend. Daarbij heeft verweerder kunnen meewegen dat het kind niet dakloos is geraakt.







Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen urgentieverklaring krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2024.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (Huisvestingsverordening) en Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 (Beleidsregel).


Artikel 7:3 van de Huisvestingsverordening.


Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361.


Uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:857.


Artikel 4:5 onder m, van de Huisvestingsverordening in samenhang met artikel 2.1.13, onder c, van de Beleidsregel.


Artikel 4:5, onder b, van de Huisvestingsverordening in samenhang met artikel 2.1.2, onder h, van de Beleidsregel.


Artikel 4:5, onder c, van de Huisvestingsverordening.


Artikel 4:2, eerste lid, onder a, van de Huisvestingsverordening.