Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28041
2025-12-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.35627
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
asiel. beroep gegrond. asielaanvraag van eiser ingewilligd maar eiser vindt dat onjuiste geboortedatum is aangehouden. overgelegde tazkera, tegenstrijdige verklaringen en twijfel over minderjarigheid. leeftijdsregistratie. vermoeden over minderjarigheid niet overtuigende wijze weggenomen door verweerder
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7271 Rechtbank Den Haag 02-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:3992 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:5364 Raad van State 24-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.023 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35627
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G. Jans),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de door verweerder bij zijn asielvergunning geregistreerde geboortedatum.
1.1.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend en is daarbij uitgegaan van [geboortedatum 1] 2000 als geboortedatum van eiser.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder als geboortedatum van eiser [geboortedatum 1] 2000 aangehouden. Echter stelt eiser te zijn geboren op [geboortedatum 2] 2007. Eiser stelt dan ook minderjarig te zijn en dat de door verweerder geregistreerde geboortedatum niet juist is.
2.1.
Eiser heeft op 3 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 19 januari 2024 heeft er een aanmeldgehoor plaatsgevonden, waarbij een schouw heeft plaatsgevonden. Hierbij heeft verweerder eiser als evident minderjarig beschouwd. Uit de schouw van de AVIM bleek twijfel te zijn over de geboortedatum van eiser en daarmee de minderjarigheid van eiser. Hierop is aangekondigd dat er een onderzoek zal plaatsvinden naar de leeftijd van eiser en is eiser een medisch leeftijdsonderzoek aangeboden. Naar aanleiding van de Eurodac-hit is voor eiser vervolgens op 22 januari 2024 een Dublin-onderzoek opgestart in Duitsland. Op 2 februari 2024 hebben de Duitse autoriteiten verweerder laten weten dat eiser in Duitsland geregistreerd staat met de geboortedatum van [geboortedatum 1] 2000. Verweerder heeft vervolgens ter kennisgeving van 29 maart 2024 de leeftijd/geboortedatum van eiser gewijzigd van [geboortedatum 2] 2007 naar [geboortedatum 1] 2000. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen deze kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens. Dit bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat het volgens verweerder niet mogelijk is om tegen deze kennisgeving bezwaar in te dienen. Eiser heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 zijn beroep ingetrokken omdat hij als gevolg van deze uitspraak geen procesbelang meer heeft.
2.2.
Bij het bestreden besluit van 31 juli 2025 is de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Verweerder is daarbij uitgegaan van [geboortedatum 1] 2000 als geboortedatum van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit vanwege de onjuist aangehouden geboortedatum. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij een originele tazkera heeft overgelegd en wijst er op dat hij het onderzoek van de tazkera pas bij het bestreden besluit heeft ontvangen, terwijl de uitslag al sinds april bekend was bij verweerder. Eiser acht dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel. Als verweerder namelijk de uitslag van het onderzoek al eerder had overgelegd dan had eiser hier eerder op kunnen reageren, zodat verweerder daarbij rekening had kunnen houden bij het nemen van het besluit. Een beroepsprocedure had dan misschien kunnen worden voorkomen. Verder vindt eiser dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de leeftijd die hij heeft opgegeven in Duitsland. Eiser heeft zich in Duitsland als meerderjarige opgegeven omdat hij door wilde reizen naar zijn nicht in Nederland en hij niet in Duitsland wilde blijven. Bovendien heeft eiser tijdens al zijn gehoren consequent verklaard over zijn leeftijd, is er meteen bezwaar gemaakt en daarna beroep ingediend tegen de leeftijdswijziging, heeft Nidos eiser gedurende de hele procedure bijgestaan en komen de verklaringen van eiser over zijn schoolgang overeen met zijn minderjarige geboortedatum. Eiser verwijst met betrekking tot het documentenonderzoek van de tazkera naar een uitspraak van deze rechtbank van 2 april 2025 en de leeftijdsschouw van verweerder waarin is geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is.
Wat vindt verweerder in beroep?
Tazkera
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ook als de uitkomst van het onderzoek naar de taskera eerder aan eiser bekend was gemaakt, dit niets afdoet aan die uitkomst. Ook heeft eiser de mogelijkheid gehad om te reageren op het onderzoek in het beroep en dat heeft hij nagelaten. De overgelegde tazkera is het enige document wat eiser heeft overgelegd om zijn minderjarigheid te onderbouwen en deze is bestempeld als ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt’. Hier is sprake van een ondeugdelijk document en dat eiser volhoudt dat het echt is wordt in zijn nadeel meegewogen. Eiser verwijst ten onrechte naar de uitspraak van 2 april 2025 nu eiser in die procedure al bij het aanmeldgehoor had verklaard dat hij de meerderjarige leeftijd had opgegeven in Italië. In de onderhavige procedure heeft eiser verschillende verklaringen gegeven over de leeftijd die hij in Duitsland heeft opgegeven.
Tegenstrijdigheid verklaringen over opgegeven geboortedatum in Duitsland
5. Verweerder stelt dat niet gevolgd wordt dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij niet wist welke geboortedatum hij had opgegeven. Eiser heeft namelijk aangevoerd dat hij bewust een meerderjarige leeftijd heeft opgegeven in Duitsland omdat hij niet in de Duitse minderjarige opvang terecht wilde komen. Van eiser mag daarom worden verwacht dat hij eenduidig verklaard over welke datum hij heeft opgegeven. Het feit dat eiser consequent heeft verklaard over zijn schooljaren verandert het oordeel van verweerder niet.
Twijfel minderjarigheid
6. Verweerder stelt dat de twijfel over de minderjarigheid van eiser bestond bij het AVIM en dat daarmee ook twijfel ontstond voor verweerder en dat naar aanleiding daarvan een leeftijdsonderzoek is gestart. Aan dit onderzoek is verweerder niet toegekomen omdat verweerder op 2 februari 2024 een bericht heeft ontvangen van Duitsland dat eiser geregistreerd staat met de geboortedatum van [geboortedatum 1] 2000. Het leeftijdsonderzoek is om deze reden niet meer nodig geacht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De hoogste bestuursrechter heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 overwogen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling van vreemdelingen. Dit betekent dat verweerder niet langer in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat van de Europese Unie. In de uitspraak van 24 december 2024 heeft de hoogste bestuursrechter in dit kader nader overwogen dat dit niet betekent dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. Verweerder zal de leeftijd van een vreemdeling namelijk moeten beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Daarbij zal verweerder steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Ook zal hij alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Verweerder moet uitgaan van het vermoeden dat een vreemdeling minderjarig is, als die vreemdeling dat stelt en verweerder daaraan twijfelt. Het is dan aan verweerder om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als hij na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal hij dat moeten motiveren.
8. Eiser heeft bij aankomst in Nederland gesteld minderjarig te zijn en geboren te zijn op [geboortedatum 2] 2007. Omdat eiser zijn minderjarigheid niet heeft kunnen aantonen met bewijsmiddelen, heeft er een leeftijdsschouw plaatsgevonden. Deze leeftijdsschouw vindt plaats op basis van het uiterlijk, het gedrag en de verklaringen van eiser. De AVIM heeft geoordeeld dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. Verweerder heeft aan de hand van de schouw van de AVIM gesteld dat er nader onderzoek zal plaatsvinden naar de leeftijd van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende zorgvuldig heeft vastgesteld dat er sprake is van twijfel over de minderjarigheid van eiser, zodat verweerder nader onderzoek mocht doen.
9. Uit het onderzoek van verweerder naar de leeftijd waarmee eiser geregistreerd staat in Duitsland is gebleken dat eiser in Duitsland als meerderjarig staat geregistreerd. Niet in geschil is dat deze registratie enkel gebaseerd is op de verklaring van eiser. Eiser heeft over de registratie van zijn geboortedatum in Duitsland in zijn aanmeldgehoor verklaard dat hij met een Pashtun tolk heeft gesproken en dat hij niet meer weet welke geboortedatum hij heeft opgegeven. Hij wilde doorreizen naar Nederland omdat hij wist dat zijn nicht in Nederland woonde. Verweerder mocht vinden dat eiser niet duidelijk heeft verklaard over zijn geboorteregistratie in Duitsland nu hij niet kan verklaren welke naam en geboortedatum hij heeft opgegeven. Echter volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de registratie van zijn geboortedatum in Duitsland. De rechtbank overweegt dat eiser een plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij in Duitsland heeft verklaard meerderjarig te zijn. Zijn nicht woont in Nederland en zoals eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard woont hij nu ook bij zijn nicht in Nederland. De rechtbank oordeelt dat het aannemelijk is dat eiser om deze reden in Duitsland heeft verklaard meerderjarig te zijn. Overigens is de rechtbank van oordeel dat met het feit dat eiser niet meer weet welke geboortedatum hij in Duitsland heeft opgegeven, niet al tot de conclusie kan worden gekomen dat hij dan in Nederland een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven. Als eiser zijn eigen geboortedatum heeft opgegeven in Duitsland dan zou het immers meer voor de hand liggen dat hij juist nog wel wist welke geboortedatum hij had opgegeven.
10. Wat betreft de tazkera die door eiser is overgelegd om zijn minderjarigheid te onderbouwen, wordt door verweerder verwezen naar het rapport van Bureau documenten waarin de overgelegde tazkera is onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat de tazkera van eiser hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt, zodat eiser hiermee niet zijn minderjarigheid kan aantonen, maar hieruit blijkt evenmin iets over de mogelijke meerderjarigheid van eiser. Gelet op het feit dat dit document niet kan bijdragen aan het onderbouwen van eisers minderjarigheid evenals dat verweerder met de tazkera de minderjarigheid van eiser niet kan ontzenuwen, had een eerdere reactie van eiser op de uitkomst van het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank geen verschil gemaakt.
11. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser bij de AVIM en tijdens al zijn gehoren altijd consistent en gedetailleerd heeft verklaard over zijn geboortedatum. Ook komen de verklaringen over zijn schoolgang overeen met zijn minderjarige geboortedatum. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder bij het aanmeldgehoor eiser heeft bestempeld als evident minderjarig en dat bij verweerder de twijfel pas ontstond nadat bij AVIM twijfel bestond over de opgegeven leeftijd van eiser.
12. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder het vermoeden van minderjarigheid niet op overtuigende wijze heeft weggenomen en ten onrechte is uitgegaan van de geboortedatum [geboortedatum 1] 2000.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de leeftijd van eiser ongeloofwaardig is geacht. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Als verweerder zich in dat nieuwe besluit nog steeds op het standpunt stelt dat hij de opgegeven leeftijd van eiser niet volgt, is het aan verweerder een nader onderzoek aangaande zijn leeftijd aan het besluit ten grondslag te leggen
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,-.
Beslissing
De rechtbank;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de aangehouden geboortedatum van eiser;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot het bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw.
later ingetrokken vanwege de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2025:7271.
ECLI:NL:RVS:2024:3992.
ECLI:NL:RVS:2024:5364.
Werkinstructie 2025/1 over leeftijdsbepaling.
Verslag gehoor aanmeldfase 19 januari 2024, pagina 14.
Verslag gehoor aanmeldfase 19 januari 2024, pagina 13.
Verslag gehoor aanmeldfase 19 januari 2024, pagina 10.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35627
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G. Jans),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de door verweerder bij zijn asielvergunning geregistreerde geboortedatum.
1.1.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend en is daarbij uitgegaan van [geboortedatum 1] 2000 als geboortedatum van eiser.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder als geboortedatum van eiser [geboortedatum 1] 2000 aangehouden. Echter stelt eiser te zijn geboren op [geboortedatum 2] 2007. Eiser stelt dan ook minderjarig te zijn en dat de door verweerder geregistreerde geboortedatum niet juist is.
2.1.
Eiser heeft op 3 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 19 januari 2024 heeft er een aanmeldgehoor plaatsgevonden, waarbij een schouw heeft plaatsgevonden. Hierbij heeft verweerder eiser als evident minderjarig beschouwd. Uit de schouw van de AVIM bleek twijfel te zijn over de geboortedatum van eiser en daarmee de minderjarigheid van eiser. Hierop is aangekondigd dat er een onderzoek zal plaatsvinden naar de leeftijd van eiser en is eiser een medisch leeftijdsonderzoek aangeboden. Naar aanleiding van de Eurodac-hit is voor eiser vervolgens op 22 januari 2024 een Dublin-onderzoek opgestart in Duitsland. Op 2 februari 2024 hebben de Duitse autoriteiten verweerder laten weten dat eiser in Duitsland geregistreerd staat met de geboortedatum van [geboortedatum 1] 2000. Verweerder heeft vervolgens ter kennisgeving van 29 maart 2024 de leeftijd/geboortedatum van eiser gewijzigd van [geboortedatum 2] 2007 naar [geboortedatum 1] 2000. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen deze kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens. Dit bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat het volgens verweerder niet mogelijk is om tegen deze kennisgeving bezwaar in te dienen. Eiser heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 zijn beroep ingetrokken omdat hij als gevolg van deze uitspraak geen procesbelang meer heeft.
2.2.
Bij het bestreden besluit van 31 juli 2025 is de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Verweerder is daarbij uitgegaan van [geboortedatum 1] 2000 als geboortedatum van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit vanwege de onjuist aangehouden geboortedatum. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij een originele tazkera heeft overgelegd en wijst er op dat hij het onderzoek van de tazkera pas bij het bestreden besluit heeft ontvangen, terwijl de uitslag al sinds april bekend was bij verweerder. Eiser acht dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel. Als verweerder namelijk de uitslag van het onderzoek al eerder had overgelegd dan had eiser hier eerder op kunnen reageren, zodat verweerder daarbij rekening had kunnen houden bij het nemen van het besluit. Een beroepsprocedure had dan misschien kunnen worden voorkomen. Verder vindt eiser dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de leeftijd die hij heeft opgegeven in Duitsland. Eiser heeft zich in Duitsland als meerderjarige opgegeven omdat hij door wilde reizen naar zijn nicht in Nederland en hij niet in Duitsland wilde blijven. Bovendien heeft eiser tijdens al zijn gehoren consequent verklaard over zijn leeftijd, is er meteen bezwaar gemaakt en daarna beroep ingediend tegen de leeftijdswijziging, heeft Nidos eiser gedurende de hele procedure bijgestaan en komen de verklaringen van eiser over zijn schoolgang overeen met zijn minderjarige geboortedatum. Eiser verwijst met betrekking tot het documentenonderzoek van de tazkera naar een uitspraak van deze rechtbank van 2 april 2025 en de leeftijdsschouw van verweerder waarin is geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is.
Wat vindt verweerder in beroep?
Tazkera
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ook als de uitkomst van het onderzoek naar de taskera eerder aan eiser bekend was gemaakt, dit niets afdoet aan die uitkomst. Ook heeft eiser de mogelijkheid gehad om te reageren op het onderzoek in het beroep en dat heeft hij nagelaten. De overgelegde tazkera is het enige document wat eiser heeft overgelegd om zijn minderjarigheid te onderbouwen en deze is bestempeld als ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt’. Hier is sprake van een ondeugdelijk document en dat eiser volhoudt dat het echt is wordt in zijn nadeel meegewogen. Eiser verwijst ten onrechte naar de uitspraak van 2 april 2025 nu eiser in die procedure al bij het aanmeldgehoor had verklaard dat hij de meerderjarige leeftijd had opgegeven in Italië. In de onderhavige procedure heeft eiser verschillende verklaringen gegeven over de leeftijd die hij in Duitsland heeft opgegeven.
Tegenstrijdigheid verklaringen over opgegeven geboortedatum in Duitsland
5. Verweerder stelt dat niet gevolgd wordt dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij niet wist welke geboortedatum hij had opgegeven. Eiser heeft namelijk aangevoerd dat hij bewust een meerderjarige leeftijd heeft opgegeven in Duitsland omdat hij niet in de Duitse minderjarige opvang terecht wilde komen. Van eiser mag daarom worden verwacht dat hij eenduidig verklaard over welke datum hij heeft opgegeven. Het feit dat eiser consequent heeft verklaard over zijn schooljaren verandert het oordeel van verweerder niet.
Twijfel minderjarigheid
6. Verweerder stelt dat de twijfel over de minderjarigheid van eiser bestond bij het AVIM en dat daarmee ook twijfel ontstond voor verweerder en dat naar aanleiding daarvan een leeftijdsonderzoek is gestart. Aan dit onderzoek is verweerder niet toegekomen omdat verweerder op 2 februari 2024 een bericht heeft ontvangen van Duitsland dat eiser geregistreerd staat met de geboortedatum van [geboortedatum 1] 2000. Het leeftijdsonderzoek is om deze reden niet meer nodig geacht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De hoogste bestuursrechter heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 overwogen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling van vreemdelingen. Dit betekent dat verweerder niet langer in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat van de Europese Unie. In de uitspraak van 24 december 2024 heeft de hoogste bestuursrechter in dit kader nader overwogen dat dit niet betekent dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. Verweerder zal de leeftijd van een vreemdeling namelijk moeten beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Daarbij zal verweerder steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Ook zal hij alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Verweerder moet uitgaan van het vermoeden dat een vreemdeling minderjarig is, als die vreemdeling dat stelt en verweerder daaraan twijfelt. Het is dan aan verweerder om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als hij na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal hij dat moeten motiveren.
8. Eiser heeft bij aankomst in Nederland gesteld minderjarig te zijn en geboren te zijn op [geboortedatum 2] 2007. Omdat eiser zijn minderjarigheid niet heeft kunnen aantonen met bewijsmiddelen, heeft er een leeftijdsschouw plaatsgevonden. Deze leeftijdsschouw vindt plaats op basis van het uiterlijk, het gedrag en de verklaringen van eiser. De AVIM heeft geoordeeld dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. Verweerder heeft aan de hand van de schouw van de AVIM gesteld dat er nader onderzoek zal plaatsvinden naar de leeftijd van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende zorgvuldig heeft vastgesteld dat er sprake is van twijfel over de minderjarigheid van eiser, zodat verweerder nader onderzoek mocht doen.
9. Uit het onderzoek van verweerder naar de leeftijd waarmee eiser geregistreerd staat in Duitsland is gebleken dat eiser in Duitsland als meerderjarig staat geregistreerd. Niet in geschil is dat deze registratie enkel gebaseerd is op de verklaring van eiser. Eiser heeft over de registratie van zijn geboortedatum in Duitsland in zijn aanmeldgehoor verklaard dat hij met een Pashtun tolk heeft gesproken en dat hij niet meer weet welke geboortedatum hij heeft opgegeven. Hij wilde doorreizen naar Nederland omdat hij wist dat zijn nicht in Nederland woonde. Verweerder mocht vinden dat eiser niet duidelijk heeft verklaard over zijn geboorteregistratie in Duitsland nu hij niet kan verklaren welke naam en geboortedatum hij heeft opgegeven. Echter volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de registratie van zijn geboortedatum in Duitsland. De rechtbank overweegt dat eiser een plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij in Duitsland heeft verklaard meerderjarig te zijn. Zijn nicht woont in Nederland en zoals eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard woont hij nu ook bij zijn nicht in Nederland. De rechtbank oordeelt dat het aannemelijk is dat eiser om deze reden in Duitsland heeft verklaard meerderjarig te zijn. Overigens is de rechtbank van oordeel dat met het feit dat eiser niet meer weet welke geboortedatum hij in Duitsland heeft opgegeven, niet al tot de conclusie kan worden gekomen dat hij dan in Nederland een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven. Als eiser zijn eigen geboortedatum heeft opgegeven in Duitsland dan zou het immers meer voor de hand liggen dat hij juist nog wel wist welke geboortedatum hij had opgegeven.
10. Wat betreft de tazkera die door eiser is overgelegd om zijn minderjarigheid te onderbouwen, wordt door verweerder verwezen naar het rapport van Bureau documenten waarin de overgelegde tazkera is onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat de tazkera van eiser hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt, zodat eiser hiermee niet zijn minderjarigheid kan aantonen, maar hieruit blijkt evenmin iets over de mogelijke meerderjarigheid van eiser. Gelet op het feit dat dit document niet kan bijdragen aan het onderbouwen van eisers minderjarigheid evenals dat verweerder met de tazkera de minderjarigheid van eiser niet kan ontzenuwen, had een eerdere reactie van eiser op de uitkomst van het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank geen verschil gemaakt.
11. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser bij de AVIM en tijdens al zijn gehoren altijd consistent en gedetailleerd heeft verklaard over zijn geboortedatum. Ook komen de verklaringen over zijn schoolgang overeen met zijn minderjarige geboortedatum. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder bij het aanmeldgehoor eiser heeft bestempeld als evident minderjarig en dat bij verweerder de twijfel pas ontstond nadat bij AVIM twijfel bestond over de opgegeven leeftijd van eiser.
12. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder het vermoeden van minderjarigheid niet op overtuigende wijze heeft weggenomen en ten onrechte is uitgegaan van de geboortedatum [geboortedatum 1] 2000.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de leeftijd van eiser ongeloofwaardig is geacht. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Als verweerder zich in dat nieuwe besluit nog steeds op het standpunt stelt dat hij de opgegeven leeftijd van eiser niet volgt, is het aan verweerder een nader onderzoek aangaande zijn leeftijd aan het besluit ten grondslag te leggen
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,-.
Beslissing
De rechtbank;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de aangehouden geboortedatum van eiser;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot het bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw.
later ingetrokken vanwege de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2025:7271.
ECLI:NL:RVS:2024:3992.
ECLI:NL:RVS:2024:5364.
Werkinstructie 2025/1 over leeftijdsbepaling.
Verslag gehoor aanmeldfase 19 januari 2024, pagina 14.
Verslag gehoor aanmeldfase 19 januari 2024, pagina 13.
Verslag gehoor aanmeldfase 19 januari 2024, pagina 10.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.