Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:28026

2025-12-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB24/8170 AWB25/5350 AWB25/5352
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-12-03
Publicatiedatum
2026-07-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB24/8170 AWB25/5350 AWB25/5352
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De minister heeft aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het terugkeerbesluit in stand kan blijven, omdat het bestreden besluit niet de formele gebreken bevat die eisers stellen en ook omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Brazilië.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.102 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummers: AWB 24/8170, AWB 25/5350 en AWB 25/5352


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen



[eiseres 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres 1,



[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser, en


[eiseres 2]
, V-nummer: [V-nummer] , eiseres 2
hierna gezamenlijk aan te duiden als eisers,
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).




Inleiding

1. Met de bestreden besluiten van 4 mei 2024 en 5 mei 2024 is aan eisers een terugkeerbesluit uitgevaardigd nadat is geconstateerd dat zij illegaal in Nederland verblijven.

2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

3. De rechtbank heeft de beroepen op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1, de gemachtigde van eisers, J.M. van der Boom als tolk en de gemachtigde van verweerder.



Beoordeling door de rechtbank

4. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eisers hebben voldoende aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoen. De rechtbank verleent eisers daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.

5. De rechtbank beoordeelt verder of de minister aan eisers een terugkeerbesluit mocht uitvaardigen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.



De bestreden besluiten


6. De minister heeft geconstateerd dat eisers vanaf 12 augustus 2022 in Nederland verblijven en dat zij geen melding hebben gedaan van hun illegale verblijf na het verlopen van hun vrije termijn. Ook hebben eisers onvoldoende middelen van bestaan en mogen zij geen arbeid verrichten. De minister heeft om deze redenen op 4 mei 2024 aan eiseres 1 (moeder) en op 5 mei 2024 aan eiser en eiseres 2 (de minderjarige kinderen) een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eisers moeten binnen een termijn van vier weken Nederland verlaten en terugkeren naar Brazilië.



Verhouding tot verblijfsprocedure


7. Eisers voeren op de zitting aan dat de bestreden besluiten vernietigd moeten worden, omdat zij een aanvraag hebben gedaan voor een verblijfsdocument voor verblijf bij een burger van de Europese Unie (EU), te weten de nieuwe partner van moeder.

8. Anders dan eisers aanvoeren is de rechtbank van oordeel dat deze verblijfsprocedure geen impact heeft op de huidige beroepsprocedure over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Het feit dat eisers een aanvraag hebben gedaan voor verblijf bij een burger van de EU maakt niet dat de bestreden besluit alleen daarom al onrechtmatig zijn. Dit omdat de minister nog niet op deze aanvragen heeft besloten en daarmee niet vaststaat of eisers een verblijfsstatus in Nederland zullen krijgen. De minister zal de verblijfsaanvragen moeten beoordelen in een aparte procedure.



Formele beroepsgronden


9. Eisers voeren aan dat de bestreden besluit niet rechtsgeldig zijn ondertekend. Ook is de aanhouding van de minister onrechtmatig en zijn de na die aanhouding opgelegde bestreden besluiten daarom ook onrechtmatig. Verder voeren eisers aan dat in de gehoren geen gebruik is gemaakt van beëdigde tolken en vertalers. Hierdoor heeft de minister onzorgvuldig gehandeld, omdat er minder zekerheid is dat wat eisers hebben verklaard juist is.



Elektronische ondertekening


10. Op de zitting hebben eisers aangevoerd dat bij het digitaal ondertekenen van besluiten geverifieerd moet worden of de juiste persoon ook daadwerkelijk het besluit heeft ondertekend.

11. Tussen partijen is niet in geschil of de betreffende agent die de bestreden besluiten heeft ondertekend bevoegd was om dit te doen. De rechtbank stelt vast dat de betreffende agent de bestreden besluiten heeft ondertekend. Op de zitting heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat bij het digitaal ondertekenen van besluiten alleen de individuele agent wiens naam is vermeld onderaan het besluit in staat is om de besluiten met zijn naam te ondertekenen. Dit omdat de agent die het besluit ondertekent dit alleen kan doen als hij met zijn persoonlijke gegevens is ingelogd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bestreden besluiten rechtsgeldig zijn ondertekend. De beroepsgrond slaagt niet.



Onrechtmatige aanhouding


12. Eisers voeren aan dat de vreemdelingenpolitie hen ten onrechte heeft aangehouden en dat de bestreden besluiten als gevolg van deze aanhouding ook onrechtmatig zijn. Ook voeren eisers aan dat de minister hen ten onrechte tegenwerpt dat zij geen melding hebben gedaan van hun illegale verblijf in Nederland bij de vreemdelingenpolitie. Eisers hebben de facto wel voldaan aan hun meldplicht, omdat zij twee keer zijn gecontroleerd door de vreemdelingenpolitie en daaraan hebben meegewerkt.

13. De rechtbank overweegt dat in de bestreden besluiten is opgenomen dat eisers in aanraking zijn gekomen met de vreemdelingenpolitie, omdat een melding is gedaan van een verdachte situatie. Deze melding vormde de aanleiding voor de vreemdelingenpolitie om de eisers te controleren. Eisers hebben op de zitting toegelicht dat de vreemdelingenpolitie hun huis heeft doorzocht zonder voorafgaande toestemming. De minister stelt zich op het standpunt dat de rechtmatigheid van de aanhouding door de vreemdelingenpolitie buiten de grenzen van de huidige beroepsprocedure valt.


13.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers tot op heden geen verblijfsstatus hebben in Nederland en dat de vreemdelingenpolitie heeft geconstateerd dat zij illegaal verblijven op het grondgebied van Nederland. Verder staat de rechtmatigheid van de aanhouding niet in de weg aan het opleggen van de bestreden besluiten. Dit alleen al niet omdat eisers onvoldoende aanwijzingen naar voren hebben gebracht waaruit blijkt dat de aanhouding door de vreemdelingenpolitie onrechtmatig zou zijn geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister om deze reden niet hoefde af te zien van het opleggen van de bestreden besluiten op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).



13.2.
Voor zover eisers aanvoeren dat zij de facto melding hebben gedaan van hun illegale verblijf door mee te werken aan politiecontroles, is de rechtbank van oordeel dat hieruit niet valt af te leiden dat eisers daadwerkelijk een melding hebben gedaan van hun illegale verblijf. Dit doet bovendien niet af aan het feit dat zij illegaal verblijven in Nederland.



Beëdigde tolk en vertaler

14. De rechtbank overweegt dat uit artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) volgt dat de minister alleen gebruikmaakt van beëdigde tolken of vertalers. De minister kan op grond van artikel 28, derde lid, van de Wbtv gebruikmaken van een niet beëdigde tolk of vertaler als vanwege de vereiste spoed een ingeschreven tolk in het register niet tijdig beschikbaar is of als het register voor de doeltaal geen ingeschrevenen bevat. Als de minister geen gebruikmaakt van een beëdigde tolk of vertaler dan moet dit met redenen omkleed schriftelijk worden vastgelegd. Dit volgt uit artikel 28, vierde lid, van de Wbtv. Verder blijkt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat de minister uiterlijk in het beluit schriftelijk moet vastleggen wat de reden is voor het niet gebruikmaken van een beëdigde tolk of vertaler en dat dit een van de redenen moet zijn die is neergelegd in artikel 28, derde lid, van de Wbtv.




14.1.
Verder overweegt de rechtbank dat moeder twee keer is gehoord op 4 mei 2024 en dat de minderjarige kinderen ook allebei zijn gehoord op 5 mei 2024. In het tweede gehoor van moeder en de gehoren van de minderjarige kinderen is wel gebruikgemaakt van een beëdigde tolk of vertaler en is verklaard dat eisers de tolk goed konden verstaan. Alleen in het eerste gehoor van moeder is geen gebruikgemaakt van een beëdigde tolk of vertaler. In het proces-verbaal van dit gehoor is toegelicht dat geen tolken beschikbaar waren op het moment van het gehoor en dat daarom gebruikgemaakt is van een niet beëdigde tolk of vertaler. De minister heeft dit op de zitting ook benadrukt.



14.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft voldaan aan de verplichting neergelegd in artikel 28, vierde lid, van de Wbtv, omdat in het proces-verbaal van het eerste gehoor van moeder is gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk of vertaler. Verder is ook niet gebleken of aangevoerd op welke manier eisers in hun belangen zijn geschaad doordat in het eerste gehoor van moeder geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk of vertaler. De beroepsgrond slaagt niet.



Onderzoek naar verblijfsrecht in andere lidstaten


15. Eisers voeren aan dat de minister nader had moeten onderzoeken of zij verblijfsrecht hadden in een andere lidstaat van de EU. Eisers stellen dat er in Portugal een lopende verblijfsprocedure is en dat voor zover er al aanleiding bestond om aan hen een terugkeerbesluit op te leggen dat het land van terugkeer in dat geval Portugal had moeten zijn.

16. De rechtbank stelt vast dat eisers op de zitting hebben bevestigd dat de verblijfsprocedure in Portugal niet langer loopt. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat het aan eisers is om het bestaan van een lopende verblijfsprocedure in een andere lidstaat naar voren te brengen en te onderbouwen. Dit hebben eisers niet gedaan terwijl de minister hen daarover wel heeft bevraagd. In het eerste gehoor van moeder op 4 mei 2024 heeft de minister aan moeder gevraagd of zij verblijfsrecht had in Nederland of in een andere lidstaat van de EU. Ook is aan eisers voorgelegd dat de minister voornemens is om een terugkeerbesluit uit te vaardigen, dat zij moeten terugkeren naar Brazilië en dat aan hen is gevraagd welke bezwaren daartegen bestonden. De beroepsgrond slaagt niet.



Belangen van het kind


17. Eisers voeren aan dat in de bestreden besluiten staat dat de keuze voor Brazilië als land van terugkeer is gebaseerd op wat de minderjarige kinderen hebben verklaard. Volgens eisers zijn deze gehoren niet in het dossier terug te vinden en zijn de bestreden besluiten daarmee gebaseerd op een onjuiste vaststelling van de feiten. Ook is volgens eisers niet kenbaar gemotiveerd hoe de belangen van de minderjarige kinderen zijn betrokken bij de besluitvorming. Eisers verwijzen daarbij naar de uitspraak El Ghatet tegen Zwitserland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Uit die uitspraak blijkt volgens eisers dat het belang van het kind altijd kenbaar moet worden meegewogen.

18. De rechtbank stelt vast dat de minister de minderjarige kinderen heeft gehoord en dat de processen-verbaal daarvan zijn opgenomen in het dossier. Uit de processen-verbaal van de gehoren blijkt dat de minderjarige kinderen zijn gehoord op 5 mei 2024. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.

19. De rechtbank is met eisers eens dat de minister in de bestreden besluiten summier heeft gemotiveerd hoe de belangen van de kinderen zijn betrokken en meegewogen in de besluitvorming. Uit de bestreden besluiten blijkt dat aan de minderjarige kinderen wel is gevraagd wat hun bezwaren zijn tegen het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van een terugkeerbesluit. De minister heeft op de zitting toegelicht dat het in het belang van de minderjarige kinderen is om bij hun moeder te blijven en dat geen belangen naar voren zijn gebracht die opwegen tegen het illegale verblijf van eisers in Nederland. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de belangen van de minderjarige kinderen voldoende heeft betrokken bij de besluitvorming en dat daarmee niet in strijd is gehandeld met de uitspraak El Ghatet tegen Zwitserland van het EHRM.

20. De stelling van eisers op de zitting dat de belangen van de minderjarige kinderen alleen kunnen worden gewogen door de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis maakt dit oordeel niet anders. Dit omdat het aan de minister is om in vreemdelingenzaken de belangen van minderjarige kinderen af te wegen. Verder hebben eisers geen aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat de minister voor die belangenafweging bovenstaande organisaties moet inschakelen. De beroepsgrond slaagt niet.



Doorverwijzen naar de asielprocedure


21. Eisers voeren aan dat de minister moeders verklaringen ten onrechte niet heeft opgevat als een verzoek om verlening van een asielvergunning. Moeder heeft tijdens het gehoor van 4 mei 2024 verklaard dat zij bij terugkeer naar Brazilië vreest voor haar gewelddadige ex-partner en vader van haar kinderen. De minister had eisers op basis van deze verklaringen moeten doorverwijzen naar de procedure voor het verlenen van een asielvergunning. Dit te meer, omdat moeder slachtoffer is van huiselijk geweld en de minister ook verblijfsvergunningen toekent aan slachtoffers van huiselijk geweld. Het opleggen van de bestreden besluiten is daarom onrechtmatig totdat is beslist op dit asielverzoek.

22. De rechtbank overweegt dat moeder heeft verklaard dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld van haar ex-partner. Daarentegen heeft moeder ook uitdrukkelijk verklaard tijdens haar gehoor dat zij niet vreest voor een behandeling van de autoriteiten in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bij terugkeer naar Brazilië. Verder hebben eisers sinds hun aankomst in Nederland op 12 augustus 2022 geen aanvraag ingediend voor een asielvergunning en hebben dit tot op heden ook niet gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de verklaringen van moeder niet hoefde op te vatten als een aanvraag om een asielvergunning en heeft daarmee niet onzorgvuldig gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.



Voldoende middelen van bestaan


23. Eisers voeren aan dat de minister hen ten onrechte tegenwerpt dat zij onvoldoende middelen van bestaan hebben, omdat moeder 2500 tot 3000 euro per maand verdient als schoonmaakster.

24. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers geen voldoende middelen van bestaan hebben. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eisers geen arbeid mogen verrichten in Nederland, omdat zij geen verblijfsvergunning hebben. Dat moeder 2500 tot 3000 euro per maand verdiende (hetgeen overigens ten tijde van de zitting niet meer het geval was) maakt dit oordeel niet anders, omdat deze stelling in beroep verder niet is onderbouwd.




Conclusie en gevolgen


25. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk hebben. Zij krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1395 en van 17 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0625.


Uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110.