Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:174
2025-01-09
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
23/1301
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
verzoek om een veroordeling in de proceskosten, is er sprake van tegemoetkomen?
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2015:1754 Raad van State 03-06-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.361 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1301
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2025 in de zaak tussen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MCB Medisch Centrum Balans B.V., uit Den Haag , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. M.R. Prins).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het bestreden besluit van 9 januari 2023, waarbij de bezwaren van verzoekster tegen het primaire besluit van 8 juni 2022 (het invorderingsbesluit) ongegrond zijn verklaard. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken, omdat het college bij besluit van 12 november 2024 het invorderingsbesluit heeft ingetrokken.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om een veroordeling in de proceskosten. Het college heeft op 25 november 2024 gereageerd.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het college aan verzoekster tegemoetgekomen?
3. Volgens het college is geen sprake van tegemoetkomen. Het invorderingsbesluit is op 12 november 2024 ingetrokken, omdat de mogelijkheid om tot invordering van de verbeurde dwangsom over te gaan volgens het college is verjaard. Er bestaat volgens verweerder geen relatie tussen de gronden van het beroep en de intrekking van het invorderingsbesluit.
3.1.
Van tegemoetkomen is volgens vaste rechtspraak sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.
3.2.
Vast staat dat verweerder het door verzoekster gewenste besluit heeft genomen door het invorderingsbesluit in te trekken. De rechtbank stelt evenwel vast dat verzoekster in beroep niet heeft aangevoerd dat de rechtsvordering tot betaling van de verbeurde dwangsom was verjaard. Eiser heeft in beroep diverse inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het invorderingsbesluit, die verweerder geen aanleiding hebben gegeven dit besluit in te trekken. De intrekking berust daarmee kennelijk op andere gronden dan verzoekster heeft aangevoerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college niet aan verzoekster is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat er geen aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek om toepassing te geven aan artikel 8:75a van de Awb moet daarom worden afgewezen.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
4. De rechtbank wijst erop dat verzoekster zich op de voet van artikel 8:41, achtste lid, van de Awb tot het college kan wenden met een verzoek het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Ciftci - Ibis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1754, r.o. 4.1.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1301
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2025 in de zaak tussen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MCB Medisch Centrum Balans B.V., uit Den Haag , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. M.R. Prins).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het bestreden besluit van 9 januari 2023, waarbij de bezwaren van verzoekster tegen het primaire besluit van 8 juni 2022 (het invorderingsbesluit) ongegrond zijn verklaard. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken, omdat het college bij besluit van 12 november 2024 het invorderingsbesluit heeft ingetrokken.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om een veroordeling in de proceskosten. Het college heeft op 25 november 2024 gereageerd.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het college aan verzoekster tegemoetgekomen?
3. Volgens het college is geen sprake van tegemoetkomen. Het invorderingsbesluit is op 12 november 2024 ingetrokken, omdat de mogelijkheid om tot invordering van de verbeurde dwangsom over te gaan volgens het college is verjaard. Er bestaat volgens verweerder geen relatie tussen de gronden van het beroep en de intrekking van het invorderingsbesluit.
3.1.
Van tegemoetkomen is volgens vaste rechtspraak sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.
3.2.
Vast staat dat verweerder het door verzoekster gewenste besluit heeft genomen door het invorderingsbesluit in te trekken. De rechtbank stelt evenwel vast dat verzoekster in beroep niet heeft aangevoerd dat de rechtsvordering tot betaling van de verbeurde dwangsom was verjaard. Eiser heeft in beroep diverse inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het invorderingsbesluit, die verweerder geen aanleiding hebben gegeven dit besluit in te trekken. De intrekking berust daarmee kennelijk op andere gronden dan verzoekster heeft aangevoerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college niet aan verzoekster is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat er geen aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek om toepassing te geven aan artikel 8:75a van de Awb moet daarom worden afgewezen.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
4. De rechtbank wijst erop dat verzoekster zich op de voet van artikel 8:41, achtste lid, van de Awb tot het college kan wenden met een verzoek het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Ciftci - Ibis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1754, r.o. 4.1.