Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2024:5251
2024-04-12
Strafrecht
09/842264-18 ontneming
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ontnemingsvonnis
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2012:BX4280 Hoge Raad 06-11-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.559 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/842264-18 (ontnemingsvonnis)
Datum uitspraak: 12 april 2024
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ( [postcode] ) te [woonplaats] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
De vordering is – gelijktijdig met de samenhangende strafzaak – behandeld ter terechtzitting van 1 april 2019 (regie) en 29 maart 2024 (inhoudelijk).
De rechtbank heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling kennisgenomen van het voornemen van de officier van justitie om ter terechtzitting haar niet-ontvankelijkheid te vorderen.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. S. van Dongen op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. R.A.C. Frijns op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 0,10 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3De ontvankelijkheid
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering. Het standpunt van de officier van justitie houdt - kort samengevat - in dat het Openbaar Ministerie nooit de intentie heeft gehad om een ontnemingsvordering aan te brengen. Dat er uiteindelijk wel een vordering is aangebracht heeft alleen een administratief motief gehad in verband met het conservatoir beslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar aanleiding van het standpunt van de officier van justitie geen inhoudelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering.
Het oordeel van de rechtbank
Rechterlijke toetsing van de wijze waarop het Openbaar Ministerie is omgegaan met haar bevoegdheid om tot vervolging over te gaan geschiedt met de nodige terughoudendheid. In beginsel dient de rechter de beleidsvrijheid van het Openbaar Ministerie te respecteren. De rechter dient daarbij met name de zienswijze van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het belang bij een ingezette strafvervolging expliciet mee te wegen (HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280). Naar het oordeel van de rechtbank geldt een dergelijke terughoudendheid in de rechterlijke toetsing ook waar het gaat om de bevoegdheid tot voortzetting van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank ziet, mede gelet op de terughoudendheid die in deze moet worden betracht, geen redenen om tot een anders oordeel te komen dan de officier van justitie. Zij heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met voortzetting van de ontnemingsprocedure geen strafrechtelijk belang is gediend. Het niet langer voortzetten van de ontnemingsprocedure is ook niet onverenigbaar met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank zal de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de (verdere voortzetting van de) ontnemingsprocedure.
7De beslissing
De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.A.M. Veraart, voorzitter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Veltink, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2024.
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/842264-18 (ontnemingsvonnis)
Datum uitspraak: 12 april 2024
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ( [postcode] ) te [woonplaats] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
De vordering is – gelijktijdig met de samenhangende strafzaak – behandeld ter terechtzitting van 1 april 2019 (regie) en 29 maart 2024 (inhoudelijk).
De rechtbank heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling kennisgenomen van het voornemen van de officier van justitie om ter terechtzitting haar niet-ontvankelijkheid te vorderen.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. S. van Dongen op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. R.A.C. Frijns op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 0,10 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3De ontvankelijkheid
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering. Het standpunt van de officier van justitie houdt - kort samengevat - in dat het Openbaar Ministerie nooit de intentie heeft gehad om een ontnemingsvordering aan te brengen. Dat er uiteindelijk wel een vordering is aangebracht heeft alleen een administratief motief gehad in verband met het conservatoir beslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar aanleiding van het standpunt van de officier van justitie geen inhoudelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering.
Het oordeel van de rechtbank
Rechterlijke toetsing van de wijze waarop het Openbaar Ministerie is omgegaan met haar bevoegdheid om tot vervolging over te gaan geschiedt met de nodige terughoudendheid. In beginsel dient de rechter de beleidsvrijheid van het Openbaar Ministerie te respecteren. De rechter dient daarbij met name de zienswijze van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het belang bij een ingezette strafvervolging expliciet mee te wegen (HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280). Naar het oordeel van de rechtbank geldt een dergelijke terughoudendheid in de rechterlijke toetsing ook waar het gaat om de bevoegdheid tot voortzetting van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank ziet, mede gelet op de terughoudendheid die in deze moet worden betracht, geen redenen om tot een anders oordeel te komen dan de officier van justitie. Zij heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met voortzetting van de ontnemingsprocedure geen strafrechtelijk belang is gediend. Het niet langer voortzetten van de ontnemingsprocedure is ook niet onverenigbaar met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank zal de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de (verdere voortzetting van de) ontnemingsprocedure.
7De beslissing
De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.A.M. Veraart, voorzitter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Veltink, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2024.