Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2024:24037
2024-05-02
Civiel recht
9856835 EL 22-32
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dexia
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2008:BC2837 Hoge Raad 28-03-2008
- ECLI:NL:HR:2010:BM3868 Hoge Raad 09-07-2010
- ECLI:NL:HR:2015:3018 Hoge Raad 09-10-2015
- ECLI:NL:HR:2017:936 Hoge Raad 19-05-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2023:1221 Rechtbank Amsterdam 09-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.911 tekens)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
Rolnr.: 9856835 EL 22-32
Datum: 2 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
inzake
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 26 april 2022;
de conclusie van antwoord;
de conclusie van repliek, tevens houdende een akte (voorwaardelijke) wijziging van eis;
- de conclusie van dupliek;
- de rolmededeling van 5 oktober 2023;
- de akte van [gedaagde];
- de antwoordakte van Dexia;
- de rolmededeling van 7 maart 2024;
- de akte van [gedaagde].
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[nummer]
29-5-1998
Feestplan II
120 mnd
fl. 101.299,55
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
28-5-2008
€ 1.362,31
nvt
2.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 21.750,94 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagde] € 4.977,72 aan dividenden ontvangen.
2.4.
[gedaagde] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst gehuwd met [naam]. [naam] heeft [gedaagde] geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomst.
2.5.
Bij brief van 18 mei 2006 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [naam] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst als bedoeld in artikel 1:89 BW.
2.6.
Bij brief van 24 februari 2022 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. Partijen zijn niet tot afronding van het dossier gekomen.
3De vorderingen en het verweer
3.1.
Dexia vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst, na betaling van een in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4De beoordeling
Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW
4.1.
Er is sprake van huurkoop. Dit betekent dat [gedaagde] voor het aangaan van elke overeenkomst de schriftelijke toestemming van [naam] behoefde (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3868). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [naam] de bevoegdheid een beroep te doen op de vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 1:88 en 1:89 BW.Beroep Dexia op verjaring vernietiging ex artikel 1:88/89 BW
4.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (JOR 2015/337 m.nt. mr. T.M.C. Arons, ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie, ingesteld op 13 maart 2003, aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.
4.3.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.
4.4.
Vastgesteld wordt dat de overeenkomst méér dan drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering zijn afgesloten. Dat betekent dat bovengenoemd arrest van de Hoge Raad niet van toepassing is indien [naam] op 13 maart 2000 bekend was met deze overeenkomst. Dexia heeft naar aanleiding daarvan aangevoerd dat de bevoegdheid tot die vernietiging is verjaard. Dit wordt door [gedaagde] betwist.
4.5.
In het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2023 ECLI:NL:RBAMS:2023:1221 is het toetsingskader voor zaken als de onderhavige, weergegeven. Beoordeling van deze zaak aan de hand van dat toetsingskader leidt tot het volgende.
4.6.
Voor de beoordeling van het beroep op verjaring door Dexia is van belang op welk tijdstip [naam] daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst. Het verjaringsberoep van Dexia kan alleen slagen wanneer Dexia daarvoor voldoende stelt en onderbouwt. Om Dexia daartoe in staat te stellen moet [gedaagde] voldoende gegevens verstrekken over de (financiële) gezinssituatie en andere feiten, die relevant kunnen zijn voor het vaststellen van het tijdstip van daadwerkelijke bekendheid van [naam] met de overeenkomst. Doet [gedaagde] dat niet dan heeft [gedaagde] het verweer tegen het verjaringsberoep onvoldoende onderbouwd.
4.7.
Eerst zal worden beoordeeld of [gedaagde] zijn verweer tegen het verjaringsberoep van Dexia voldoende heeft onderbouwd.
4.8.
Door [gedaagde] zijn schriftelijke verklaringen van hemzelf en van [naam] overgelegd, waarin staat vermeld dat deze zijn opgesteld op basis van antwoorden die elk van hen buiten aanwezigheid van de ander heeft gegeven in een telefoongesprek met hun gemachtigde.
4.8.1.
In de verklaring van [gedaagde] staat vermeld:
“(…) a. (…) In mei 1998 bij het afsluiten van de overeenkomst was ik 39 jaar oud. Gehuwd met mijn vrouw [naam]. Samen met haar heb ik een zoon. Hij was toen 17 jaar oud. Ik was zelfstandig ondernemer en zat in de kassenbouw. Mijn vrouw had geen beroep.
b. (…) Daar was niemand bij aanwezig. In de televisiebode had ik al verschillende malen een advertentie gezien over een lucratieve manier van sparen. Ik had een zwaar beroep en wilde eventueel mogelijk maken om eerder te kunnen stoppen met werken. Ik heb het afsluiten met niemand verder besproken. Zij wist in het algemeen dat ik spaarde voor later en meer hoefde zij niet te weten.
c. (…) Ik betaalde de inleg van onze privérekening. Dat wil zeggen een e/o rekening bij de Rabobank. Ik maakte maandelijks geld over van de bedrijfsrekening naar onze privérekening.
d. (…) Dat is een hele goede vraag, een datum of tijdstip durf ik na al die tijd echt niet precies te zeggen, maar de aanleiding weet ik wel. Ik hoorde allemaal vrij negatieve berichten in de media, maar ik dacht nog dat dat niet ging over mijn overeenkomst. Ik heb toen contact gezocht met mijn boekhouder en toen heb ik daarnaar gevraagd. Hij heeft daar toen naar gekeken en vertelde dat ik ook zo’n woekerpolis heb. Ik heb na dat gesprek ook mijn vrouw ingelicht, dat was gewoon thuis. Ze was er niet blij mee. Ze dacht dat ik aan het sparen was voor later. Van beleggen en geleend geld wist zij niets. Dat hele leasen was toen nog niet zo bekend, bij mij eigenlijk ook niet. Ik wist niet dat ik een schuld kon overhouden of dat ik aan het lenen was. Ik wilde toen snel van die hele bende af, maar dat kon helemaal niet.
e. (…) Wij hadden een privérekening en een zakelijke rekening bij de Rabobank. Mijn vrouw had haar eigen bankpas, maar daar werd nog niet veel mee gedaan. Zij kon geld halen bij de bank en betaalde voor de rest alleen contant. Alle vaste lasten gingen veelal automatisch van onze privérekening.
f. (…) Mijn inkomsten kwam binnen op de zakelijke rekening en zoals ik al zei maakte ik maandelijks een bedrag over naar de privérekening. Mijn vrouw had verder geen inkomsten.
g. (…) Ik verzamelde zelf altijd de bonnetjes en bracht dat één keer in de drie maanden naar het accountantskantoor. Als er zakelijke rekeningen waren, dan bracht zij de bankoverschrijvingen weleens naar de bank. Thuis regelde ik de financiën voornamelijk.
h. (…) De boodschappen en anders huishoudelijke uitgaven werden met contant geld betaald door ons beiden. Mijn vrouw heeft weleens in opdracht van mij zakelijke rekeningen betaald. Dat deed zij met een bankoverschrijving. Ik had geen geheimen voor haar.
i. (…) De post op mijn naam maakte mijn vrouw niet open, de bankafschriften ook niet. Dat mocht wel, want ik heb geen geheimen voor haar, maar dat was haar ‘pakkie an’ helemaal niet. Ik maakte ook niet haar post open. De bankafschriften borg ik op in een map van de bank.
j. (…) Dat doet mijn accountant. Ik zit al sinds jaar en dag bij hetzelfde kantoor in [plaats]. Mijn vrouw keek de aangiftes niet in. De gezamenlijke aangifte moet zij nu wel ondertekenen, of dat toen ook moest durf ik niet met zekerheid te zeggen. Heel af en toe moest ze ergens voor tekenen en dat deed ze gewoon op verzoek van mij of de accountant.
k. (…) Nee ik heb in die jaren wel een loods aangeschaft, maar daarbij is de overeenkomst met Dexia niet ter sprake gekomen.
l. (…) Die had ik wel, maar die zijn inmiddels al uitbetaald. Dat liep via de Aegon. Dat wist mijn vrouw wel, maar dat is zo omdat daarvoor een tussenpersoon bij ons thuis is geweest.
m. (…) Vakanties of dingen in huis, daar hadden wij wel overleg over. Als er een andere auto moest komen, dan kocht ik die zelf. De overeenkomst met Dexia zag ik als een spaarproduct en heb ik ook niet overlegd. (…)”.
4.8.2.
In de verklaring van [naam] staat vermeld:
“(…) a. (…) Ik ben afgelopen juni 66 geworden. Dus in mei 1998 was ik 40. Gehuwd sinds 1978 en samen hebben wij één zoon. Hij is van 1981 en woonde in 1998 nog gewoon thuis. Sinds het huwelijk heb ik nog 3 jaar gewerkt als verkoopster, maar vanaf de geboorte van onze zoon niet meer.
b. (…) Ik was daar niet bij betrokken of aanwezig. Ik weet niet hoe hij dat heeft afgesloten. Ik wist dat er werd gespaard voor later en hoe of wat allemaal dat heb ik niet gehoord. Ik begreep dat het sparen net als alle andere zaken via Aegon liep. Dat mijn man een lening had waarmee werd belegd heb ik nooit geweten. Daar ben ik wars van en daarom was ik ook best wel boos toen ik het hoorde.
c. (…) Dat moet van de gezamenlijke rekening zijn betaald. Hij betaalde alle privézaken via die rekening. Ik weet alleen dat er veel betaald werd via Aegon want daar hadden wij veel verzekeringen en ook het sparen lopen. Alles voor later en pensioen ging via die rekening.
d. (…) Mijn man vertelde mij thuis dat een spaarregeling iets ander bleek te zijn dan sparen. Ik hoorde dat het een woekerpolis zou zijn en dat hoorde je toen wel meer. Wanneer dat speelde weet ik niet precies, maar wij waren niet de enige. Ik begreep dat je daarna misschien ook nog een bedrag moest betalen en was bang dat dat ook voor ons zou zijn. Wij zijn echt van zelf sparen en niet van lenen, dus ik was behoorlijk geschrokken en best wel boos op mijn man.
e. (…) Wij hadden één en/of rekening bij de Rabo. Van die rekening hadden wij allebei een pasje. Ik ging dan voor mijn uitgaven geld pinnen.
f. (…) De inkomsten kwamen binnen op de zakelijke rekening en mijn man maakte geld over naar de privérekening. Dus naast de privérekening hadden wij dus ook nog een zakelijke rekening bij de Rabo. Ik had zelf geen inkomen.
g. (…) Mijn man deed de dingetjes bij elkaar pakken en dat ging dan naar doe boekhouder. Ik deed wel dingen op de typemachine. De facturen van het werk typte ik, zodoende hielp ik hem met het bedrijf. Ik had daarvoor ook toegang tot de zakelijke rekening,
h. (…) Volgens mij stonden de meeste betalingen op automatische incasso. Voor de privébetalingen nam ik geld op en betaalde dan met contant geld in de winkels.
i. (…) De bankafschriften opende mijn man, maar dat was geen geheim en kon die gewoon inzien als ik zou willen. Ik denk dat ik in die tijd vast ook weleens op de afschriften heb gekeken, maar ik kan niet herinneren dat ik betalingen aan Dexia heb gezien. Ik wist dat er veel betaald werd aan Aegon. Daar hadden wij alle verzekeringen afgesloten en spaarde mijn man ook. Maar dat mijn man een lening had en dat afbetaalde aan Dexia heb ik nooit geweten. Ik word nog boos nu ik weet dat wij dat hebben gehad.
j. (…) Mijn man deed de aangiftes samen met de boekhouder. Ik moest die denk ik weleens ondertekenen. Ik had geen inkomen, maar ik moest op verzoek volgens mij wel een krabbel zetten. Dat deed ik gewoon.
k. (…) Nee, niet dat ik weet.
l. (…) Mijn man heeft wel lijfrentes gehad, of hoe dat dan ook heet. Hij heeft gewoon geld weggezet voor later.
m. (…) Als er meubels gekocht moesten worden dan hadden wij daar wel overleg over. De grotere dingen zeg maar. Kopen van kleding hoefde ik niet te overleggen bijvoorbeeld. (…)”.
4.9.
Naar aanleiding van hetgeen [gedaagde] en [naam] hebben verklaard concludeert Dexia dat de inhoud van de verklaringen van [gedaagde] en [naam] onvoldoende concreet is en niet is gebaseerd op de separate eigen herinnering van [naam] ten opzichte van [gedaagde]. Volgens Dexia wijzen de verklaringen geen concreet moment aan waarop [naam] bekend werd met de overeenkomst. Vervolgens wijst Dexia op een conclusie van dupliek van 17 augustus 2015 uit een eerdere procedure tussen partijen en het door [gedaagde] ingevulde vragenformulier voor zijn gemachtigde van 20 juni 2007. Uit deze stukken, die al jaren geleden zijn opgesteld, volgt dat [naam] kort na het afsluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de overeenkomst. Aan het vragenformulier dient grote waarde toe te komen, omdat [gedaagde] ten tijde van het beantwoorden van die vragen nog geen belang had bij de door hem gegeven antwoorden en het formulier aan zijn gemachtigde was gericht. Ook wordt in de conclusie van dupliek een concreet moment genoemd, waarop [naam] op de hoogte zou zijn geraakt van de overeenkomst, terwijl dit in de thans overgelegde verklaringen niet meer terugkomt. Tot slot wordt in de verklaringen niet ingegaan op de eerder gedane verklaringen (vragenformulier en de conclusie van dupliek) over de bekendheid van [naam] met de overeenkomst, aldus Dexia.
4.10.
Bij rolmededeling van 7 maart 2024 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld op het voorgaande te reageren.
4.11.
Bij akte van 4 april 2024 volstaat [gedaagde] met verwijzing naar de door hem overgelegde verklaringen, die inhouden dat [naam] bekend werd met de overeenkomst naar aanleiding van negatieve berichten in de media. Dit wijst op een moment rond maart 2002. De beperkte verklaring in het vragenformulier doet volgens [gedaagde] daaraan niet af. [naam] wist na afsluiting van de overeenkomst enkel dat er een spaarregeling was afgesloten en niet dat het ging om beleggingen en geleend geld.
4.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] zijn verweer tegen het verjaringsberoep van Dexia onvoldoende onderbouwd. Aan zijn gemachtigde en in de eerdere procedure heeft [gedaagde] medegedeeld dat [naam] kort na het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was van de overeenkomst. Niet aannemelijk is dat bedoeld moment gelegen is na 13 maart 2000. Dat is ook niet gesteld of gebleken. In deze procedure is enkel vermeld dat zij naar aanleiding van berichten uit de media op de hoogte is geraakt van de overeenkomst en dat zij daarvoor enkel op de hoogte was van een spaarregeling, zodat zij nog niet wist van de aandelen en het geleende geld. Dit rijmt niet met de eerdere uitlatingen, zodat dit de thans overgelegde verklaringen minder betrouwbaar maakt, mede omdat een nadere toelichting op de vermelding in het vragenformulier ontbreekt en wetenschap over de aandelen en de lening niet relevant zijn. Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] met de door hem overgelegde verklaringen het verjaringsberoep onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat niet aan bewijslevering wordt toegekomen.
4.13.
Het beroep van Dexia op verjaring van de bevoegdheid tot vernietigen slaagt, zodat de overeenkomst in stand blijft en niet komt vast te staan dat Dexia een bedrag verschuldigd is aan [gedaagde]. De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen.
4.14.
[gedaagde] zal worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van Dexia gevallen. De proceskosten van Dexia worden begroot op:
- dagvaarding € 127,42
- griffierecht € 128,00
- salaris gemachtigde € 677,50 (2,5 x tarief € 271,00)
- nakosten € 135,00
Totaal € 1.067,92.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer [nummer] aan al haar verplichtingen met betrekking tot deze overeenkomst heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.067,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2024 in tegenwoordigheid van de griffier
typ: BF
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
Rolnr.: 9856835 EL 22-32
Datum: 2 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
inzake
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 26 april 2022;
de conclusie van antwoord;
de conclusie van repliek, tevens houdende een akte (voorwaardelijke) wijziging van eis;
- de conclusie van dupliek;
- de rolmededeling van 5 oktober 2023;
- de akte van [gedaagde];
- de antwoordakte van Dexia;
- de rolmededeling van 7 maart 2024;
- de akte van [gedaagde].
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[nummer]
29-5-1998
Feestplan II
120 mnd
fl. 101.299,55
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
28-5-2008
€ 1.362,31
nvt
2.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 21.750,94 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagde] € 4.977,72 aan dividenden ontvangen.
2.4.
[gedaagde] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst gehuwd met [naam]. [naam] heeft [gedaagde] geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomst.
2.5.
Bij brief van 18 mei 2006 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [naam] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst als bedoeld in artikel 1:89 BW.
2.6.
Bij brief van 24 februari 2022 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. Partijen zijn niet tot afronding van het dossier gekomen.
3De vorderingen en het verweer
3.1.
Dexia vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst, na betaling van een in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4De beoordeling
Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW
4.1.
Er is sprake van huurkoop. Dit betekent dat [gedaagde] voor het aangaan van elke overeenkomst de schriftelijke toestemming van [naam] behoefde (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3868). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [naam] de bevoegdheid een beroep te doen op de vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 1:88 en 1:89 BW.Beroep Dexia op verjaring vernietiging ex artikel 1:88/89 BW
4.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (JOR 2015/337 m.nt. mr. T.M.C. Arons, ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie, ingesteld op 13 maart 2003, aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.
4.3.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.
4.4.
Vastgesteld wordt dat de overeenkomst méér dan drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering zijn afgesloten. Dat betekent dat bovengenoemd arrest van de Hoge Raad niet van toepassing is indien [naam] op 13 maart 2000 bekend was met deze overeenkomst. Dexia heeft naar aanleiding daarvan aangevoerd dat de bevoegdheid tot die vernietiging is verjaard. Dit wordt door [gedaagde] betwist.
4.5.
In het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2023 ECLI:NL:RBAMS:2023:1221 is het toetsingskader voor zaken als de onderhavige, weergegeven. Beoordeling van deze zaak aan de hand van dat toetsingskader leidt tot het volgende.
4.6.
Voor de beoordeling van het beroep op verjaring door Dexia is van belang op welk tijdstip [naam] daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst. Het verjaringsberoep van Dexia kan alleen slagen wanneer Dexia daarvoor voldoende stelt en onderbouwt. Om Dexia daartoe in staat te stellen moet [gedaagde] voldoende gegevens verstrekken over de (financiële) gezinssituatie en andere feiten, die relevant kunnen zijn voor het vaststellen van het tijdstip van daadwerkelijke bekendheid van [naam] met de overeenkomst. Doet [gedaagde] dat niet dan heeft [gedaagde] het verweer tegen het verjaringsberoep onvoldoende onderbouwd.
4.7.
Eerst zal worden beoordeeld of [gedaagde] zijn verweer tegen het verjaringsberoep van Dexia voldoende heeft onderbouwd.
4.8.
Door [gedaagde] zijn schriftelijke verklaringen van hemzelf en van [naam] overgelegd, waarin staat vermeld dat deze zijn opgesteld op basis van antwoorden die elk van hen buiten aanwezigheid van de ander heeft gegeven in een telefoongesprek met hun gemachtigde.
4.8.1.
In de verklaring van [gedaagde] staat vermeld:
“(…) a. (…) In mei 1998 bij het afsluiten van de overeenkomst was ik 39 jaar oud. Gehuwd met mijn vrouw [naam]. Samen met haar heb ik een zoon. Hij was toen 17 jaar oud. Ik was zelfstandig ondernemer en zat in de kassenbouw. Mijn vrouw had geen beroep.
b. (…) Daar was niemand bij aanwezig. In de televisiebode had ik al verschillende malen een advertentie gezien over een lucratieve manier van sparen. Ik had een zwaar beroep en wilde eventueel mogelijk maken om eerder te kunnen stoppen met werken. Ik heb het afsluiten met niemand verder besproken. Zij wist in het algemeen dat ik spaarde voor later en meer hoefde zij niet te weten.
c. (…) Ik betaalde de inleg van onze privérekening. Dat wil zeggen een e/o rekening bij de Rabobank. Ik maakte maandelijks geld over van de bedrijfsrekening naar onze privérekening.
d. (…) Dat is een hele goede vraag, een datum of tijdstip durf ik na al die tijd echt niet precies te zeggen, maar de aanleiding weet ik wel. Ik hoorde allemaal vrij negatieve berichten in de media, maar ik dacht nog dat dat niet ging over mijn overeenkomst. Ik heb toen contact gezocht met mijn boekhouder en toen heb ik daarnaar gevraagd. Hij heeft daar toen naar gekeken en vertelde dat ik ook zo’n woekerpolis heb. Ik heb na dat gesprek ook mijn vrouw ingelicht, dat was gewoon thuis. Ze was er niet blij mee. Ze dacht dat ik aan het sparen was voor later. Van beleggen en geleend geld wist zij niets. Dat hele leasen was toen nog niet zo bekend, bij mij eigenlijk ook niet. Ik wist niet dat ik een schuld kon overhouden of dat ik aan het lenen was. Ik wilde toen snel van die hele bende af, maar dat kon helemaal niet.
e. (…) Wij hadden een privérekening en een zakelijke rekening bij de Rabobank. Mijn vrouw had haar eigen bankpas, maar daar werd nog niet veel mee gedaan. Zij kon geld halen bij de bank en betaalde voor de rest alleen contant. Alle vaste lasten gingen veelal automatisch van onze privérekening.
f. (…) Mijn inkomsten kwam binnen op de zakelijke rekening en zoals ik al zei maakte ik maandelijks een bedrag over naar de privérekening. Mijn vrouw had verder geen inkomsten.
g. (…) Ik verzamelde zelf altijd de bonnetjes en bracht dat één keer in de drie maanden naar het accountantskantoor. Als er zakelijke rekeningen waren, dan bracht zij de bankoverschrijvingen weleens naar de bank. Thuis regelde ik de financiën voornamelijk.
h. (…) De boodschappen en anders huishoudelijke uitgaven werden met contant geld betaald door ons beiden. Mijn vrouw heeft weleens in opdracht van mij zakelijke rekeningen betaald. Dat deed zij met een bankoverschrijving. Ik had geen geheimen voor haar.
i. (…) De post op mijn naam maakte mijn vrouw niet open, de bankafschriften ook niet. Dat mocht wel, want ik heb geen geheimen voor haar, maar dat was haar ‘pakkie an’ helemaal niet. Ik maakte ook niet haar post open. De bankafschriften borg ik op in een map van de bank.
j. (…) Dat doet mijn accountant. Ik zit al sinds jaar en dag bij hetzelfde kantoor in [plaats]. Mijn vrouw keek de aangiftes niet in. De gezamenlijke aangifte moet zij nu wel ondertekenen, of dat toen ook moest durf ik niet met zekerheid te zeggen. Heel af en toe moest ze ergens voor tekenen en dat deed ze gewoon op verzoek van mij of de accountant.
k. (…) Nee ik heb in die jaren wel een loods aangeschaft, maar daarbij is de overeenkomst met Dexia niet ter sprake gekomen.
l. (…) Die had ik wel, maar die zijn inmiddels al uitbetaald. Dat liep via de Aegon. Dat wist mijn vrouw wel, maar dat is zo omdat daarvoor een tussenpersoon bij ons thuis is geweest.
m. (…) Vakanties of dingen in huis, daar hadden wij wel overleg over. Als er een andere auto moest komen, dan kocht ik die zelf. De overeenkomst met Dexia zag ik als een spaarproduct en heb ik ook niet overlegd. (…)”.
4.8.2.
In de verklaring van [naam] staat vermeld:
“(…) a. (…) Ik ben afgelopen juni 66 geworden. Dus in mei 1998 was ik 40. Gehuwd sinds 1978 en samen hebben wij één zoon. Hij is van 1981 en woonde in 1998 nog gewoon thuis. Sinds het huwelijk heb ik nog 3 jaar gewerkt als verkoopster, maar vanaf de geboorte van onze zoon niet meer.
b. (…) Ik was daar niet bij betrokken of aanwezig. Ik weet niet hoe hij dat heeft afgesloten. Ik wist dat er werd gespaard voor later en hoe of wat allemaal dat heb ik niet gehoord. Ik begreep dat het sparen net als alle andere zaken via Aegon liep. Dat mijn man een lening had waarmee werd belegd heb ik nooit geweten. Daar ben ik wars van en daarom was ik ook best wel boos toen ik het hoorde.
c. (…) Dat moet van de gezamenlijke rekening zijn betaald. Hij betaalde alle privézaken via die rekening. Ik weet alleen dat er veel betaald werd via Aegon want daar hadden wij veel verzekeringen en ook het sparen lopen. Alles voor later en pensioen ging via die rekening.
d. (…) Mijn man vertelde mij thuis dat een spaarregeling iets ander bleek te zijn dan sparen. Ik hoorde dat het een woekerpolis zou zijn en dat hoorde je toen wel meer. Wanneer dat speelde weet ik niet precies, maar wij waren niet de enige. Ik begreep dat je daarna misschien ook nog een bedrag moest betalen en was bang dat dat ook voor ons zou zijn. Wij zijn echt van zelf sparen en niet van lenen, dus ik was behoorlijk geschrokken en best wel boos op mijn man.
e. (…) Wij hadden één en/of rekening bij de Rabo. Van die rekening hadden wij allebei een pasje. Ik ging dan voor mijn uitgaven geld pinnen.
f. (…) De inkomsten kwamen binnen op de zakelijke rekening en mijn man maakte geld over naar de privérekening. Dus naast de privérekening hadden wij dus ook nog een zakelijke rekening bij de Rabo. Ik had zelf geen inkomen.
g. (…) Mijn man deed de dingetjes bij elkaar pakken en dat ging dan naar doe boekhouder. Ik deed wel dingen op de typemachine. De facturen van het werk typte ik, zodoende hielp ik hem met het bedrijf. Ik had daarvoor ook toegang tot de zakelijke rekening,
h. (…) Volgens mij stonden de meeste betalingen op automatische incasso. Voor de privébetalingen nam ik geld op en betaalde dan met contant geld in de winkels.
i. (…) De bankafschriften opende mijn man, maar dat was geen geheim en kon die gewoon inzien als ik zou willen. Ik denk dat ik in die tijd vast ook weleens op de afschriften heb gekeken, maar ik kan niet herinneren dat ik betalingen aan Dexia heb gezien. Ik wist dat er veel betaald werd aan Aegon. Daar hadden wij alle verzekeringen afgesloten en spaarde mijn man ook. Maar dat mijn man een lening had en dat afbetaalde aan Dexia heb ik nooit geweten. Ik word nog boos nu ik weet dat wij dat hebben gehad.
j. (…) Mijn man deed de aangiftes samen met de boekhouder. Ik moest die denk ik weleens ondertekenen. Ik had geen inkomen, maar ik moest op verzoek volgens mij wel een krabbel zetten. Dat deed ik gewoon.
k. (…) Nee, niet dat ik weet.
l. (…) Mijn man heeft wel lijfrentes gehad, of hoe dat dan ook heet. Hij heeft gewoon geld weggezet voor later.
m. (…) Als er meubels gekocht moesten worden dan hadden wij daar wel overleg over. De grotere dingen zeg maar. Kopen van kleding hoefde ik niet te overleggen bijvoorbeeld. (…)”.
4.9.
Naar aanleiding van hetgeen [gedaagde] en [naam] hebben verklaard concludeert Dexia dat de inhoud van de verklaringen van [gedaagde] en [naam] onvoldoende concreet is en niet is gebaseerd op de separate eigen herinnering van [naam] ten opzichte van [gedaagde]. Volgens Dexia wijzen de verklaringen geen concreet moment aan waarop [naam] bekend werd met de overeenkomst. Vervolgens wijst Dexia op een conclusie van dupliek van 17 augustus 2015 uit een eerdere procedure tussen partijen en het door [gedaagde] ingevulde vragenformulier voor zijn gemachtigde van 20 juni 2007. Uit deze stukken, die al jaren geleden zijn opgesteld, volgt dat [naam] kort na het afsluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de overeenkomst. Aan het vragenformulier dient grote waarde toe te komen, omdat [gedaagde] ten tijde van het beantwoorden van die vragen nog geen belang had bij de door hem gegeven antwoorden en het formulier aan zijn gemachtigde was gericht. Ook wordt in de conclusie van dupliek een concreet moment genoemd, waarop [naam] op de hoogte zou zijn geraakt van de overeenkomst, terwijl dit in de thans overgelegde verklaringen niet meer terugkomt. Tot slot wordt in de verklaringen niet ingegaan op de eerder gedane verklaringen (vragenformulier en de conclusie van dupliek) over de bekendheid van [naam] met de overeenkomst, aldus Dexia.
4.10.
Bij rolmededeling van 7 maart 2024 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld op het voorgaande te reageren.
4.11.
Bij akte van 4 april 2024 volstaat [gedaagde] met verwijzing naar de door hem overgelegde verklaringen, die inhouden dat [naam] bekend werd met de overeenkomst naar aanleiding van negatieve berichten in de media. Dit wijst op een moment rond maart 2002. De beperkte verklaring in het vragenformulier doet volgens [gedaagde] daaraan niet af. [naam] wist na afsluiting van de overeenkomst enkel dat er een spaarregeling was afgesloten en niet dat het ging om beleggingen en geleend geld.
4.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] zijn verweer tegen het verjaringsberoep van Dexia onvoldoende onderbouwd. Aan zijn gemachtigde en in de eerdere procedure heeft [gedaagde] medegedeeld dat [naam] kort na het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was van de overeenkomst. Niet aannemelijk is dat bedoeld moment gelegen is na 13 maart 2000. Dat is ook niet gesteld of gebleken. In deze procedure is enkel vermeld dat zij naar aanleiding van berichten uit de media op de hoogte is geraakt van de overeenkomst en dat zij daarvoor enkel op de hoogte was van een spaarregeling, zodat zij nog niet wist van de aandelen en het geleende geld. Dit rijmt niet met de eerdere uitlatingen, zodat dit de thans overgelegde verklaringen minder betrouwbaar maakt, mede omdat een nadere toelichting op de vermelding in het vragenformulier ontbreekt en wetenschap over de aandelen en de lening niet relevant zijn. Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] met de door hem overgelegde verklaringen het verjaringsberoep onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat niet aan bewijslevering wordt toegekomen.
4.13.
Het beroep van Dexia op verjaring van de bevoegdheid tot vernietigen slaagt, zodat de overeenkomst in stand blijft en niet komt vast te staan dat Dexia een bedrag verschuldigd is aan [gedaagde]. De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen.
4.14.
[gedaagde] zal worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van Dexia gevallen. De proceskosten van Dexia worden begroot op:
- dagvaarding € 127,42
- griffierecht € 128,00
- salaris gemachtigde € 677,50 (2,5 x tarief € 271,00)
- nakosten € 135,00
Totaal € 1.067,92.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer [nummer] aan al haar verplichtingen met betrekking tot deze overeenkomst heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.067,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2024 in tegenwoordigheid van de griffier
typ: BF