Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2024:24035

2024-12-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.50542
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2024-12-31
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.50542
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

art 6

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.999 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL24.50542


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).



Procesverloop


Bij besluit van 25 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Eisers gemachtigde heeft deelgenomen met behulp van een videoverbinding. Als tolk in de Somali-taal is verschenen A. Yahye. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Overwegingen

1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat uit de maatregel niet blijkt dat bij de belangenafweging rekening is gehouden met de medische klachten van eiser. Ondanks herhaalde verzoeken daartoe is eiser in het detentiecentrum nog steeds niet door een arts gezien. Verder wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 december 2024, waarin is geoordeeld dat het Justitieel Centrum Schiphol (JCS) niet langer als gespecialiseerde inrichting voor grensbewaring kan worden aangemerkt. De maatregel moet dan ook worden opgeheven onder toekenning van schadevergoeding aan eiser.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Uit het proces-verbaal bij de asielaanvraag blijkt dat verweerder in voldoende mate aan eiser duidelijk heeft gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat verweerder diende af te zien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Eiser heeft in dit verband verklaard dat het voor hem geen probleem is om zijn procedure af te wachten in een gesloten opvangcentrum.

Gevraagd naar bijzondere medische omstandigheden heeft eiser verklaard dat er geen bijzonderheden zijn die hem belemmeren te verblijven in een gesloten opvangcentrum.
Aangezien eiser heeft verklaard dat er geen bijzondere feiten en omstandigheden zijn, en geen bezwaren te hebben tegen de vrijheidsontnemende maatregel, heeft verweerder zich in het besluit tot het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel terecht op het standpunt gesteld dat de vrijheidsontnemende maatregel in de situatie van eiser niet onevenredig bezwarend is. Verweerder heeft ook terecht opgenomen dat in het aanmeldcentrum medische voorzieningen aanwezig zijn waar eiser te allen tijde een beroep op kan doen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden overwogen dat het grensbewakingsbelang aan het opleggen van een lichter middel in de weg staat.
Verder worden de door eiser later genoemde knieklachten zowel in het voornemen van
7 december 2024 als in de afwijzende asielbeschikking van 10 december 2024 door verweerder benoemd. Hieruit blijkt dat verweerder eisers medische klachten heeft betrokken bij de te maken belangenafweging. Ter zitting is verder nog gebleken dat eiser inmiddels in het detentiecentrum door een arts is gezien en medicatie ontvangt. Niet is gebleken dat de verleende zorg niet adequaat is dan wel dat eiser detentieongeschikt is. De enkele stelling dat eiser nog pijn heeft aan zijn knie is onvoldoende om tot dat oordeel te kunnen komen. Deze grond treft geen doel.


6. Namens eiser is verder - samengevat weergegeven - betoogd dat het JCS, door de wijze waarop de maatregel op dit moment ten uitvoer wordt gelegd, niet langer kan worden gezien als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Hierbij is doorslaggevend dat de vreemdelingen in het JCS sinds kort aanzienlijk langer op hun kamer moeten blijven: nu worden zij dagelijks om 16:30 uur (in plaats van om 22.00 uur) op hun kamer ingesloten tot de volgende ochtend 08:00 uur. Namens eiser is verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024, waarin de grensdetentie om die reden onrechtmatig werd geacht en de opheffing van de maatregel werd bevolen.

7. De rechtbank heeft in meerdere uitspraken van 17 december 2024 geoordeeld dat deze beroepsgrond over het regime in het JCS niet gaat over de feitelijke toepassing van het regime, maar de vraag aan de orde stelt of het JCS met dit regime kan worden gekwalificeerd als bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn. Daarover dient de bewaringsrechter zich wel uit te laten. In die uitspraken van 17 december 2024 kwam de rechtbank op grond van de toen bekende informatie en ingenomen standpunten tot het oordeel dat niet langer kan worden gesproken van een bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn of van een gespecialiseerde inrichting in de zin van artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn en heeft om die reden de beroepen gegrond verklaard en – anders dan deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam - de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregelen bevolen.

8. In deze zaak zijn geen nieuwe feiten of argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden dan in de uitspraken van 17 december 2024 gegeven.

9. Verweerder heeft aangevoerd dat tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024, waarin een vergelijkbaar oordeel is gegeven en de opheffing van de bewaring werd bevolen, hoger beroep is ingesteld en een voorlopige voorziening is toegewezen. De rechtbank overweegt dat bij het treffen van deze voorlopige voorziening geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel is gegeven, maar dat is volstaan met een belangenafweging, waarbij het grensbewakingsbelang is afgewogen tegen het belang van de vreemdeling om niet langer in de grensdetentie te verblijven en dat het grensbewakingsbelang heeft geprevaleerd.

10. De rechtbank overweegt dat zij ambtshalve bekend is met het feit dat ook tegen haar uitspraken van 17 december 2024 hoger beroep is ingesteld en een voorlopige voorziening is gevraagd en dat de voorzieningenrechter van de Afdeling de volgende voorziening heeft toegewezen:



bepaalt
bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel niet in een andere bewaringsaccommodatie ten uitvoer gelegd hoeft te worden totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.


De rechtbank is echter niet bekend met de hele uitspraak, slechts voornoemd dictum. Haar is dan ook niet gebleken dat deze voorziening is toegewezen na een voorlopig rechtmatigheidsoordeel omtrent het oordeel van deze rechtbank over het regime in het JCS. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de voorziening is getroffen dan ook geen grond om tot een ander oordeel te komen dan in haar uitspraken van 17 december 2024 uiteengezet. Daarnaast overweegt zij dat voor een belangenafweging die mogelijk heeft geleid tot het treffen van de voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter van de Afdeling geen plaats is bij de beoordeling van deze beroepszaak, nog los van het feit dat aan het grensbewakingsbelang niet hetzelfde gewicht kan worden toegekend, nu enkel de gewijzigde tenuitvoerlegging zal worden gelast.


11. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de maatregel op onrechtmatige wijze ten uitvoer wordt gelegd. De rechtbank zal daarom de onmiddellijke wijziging van de tenuitvoerlegging gelasten in die zin dat eiser per omgaande dient te worden overgeplaatst naar een wel gespecialiseerde bewaringsaccommodatie. Ter zake van het nadeel dat eiser heeft geleden door zijn verblijf in het JCS, heeft hij aanspraak op € 1.140,- aan schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze

kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door
een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het
indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, gegrond;
- gelast per omgaande de maatregel ten uitvoer te leggen in een andere bewaringsaccommodatie;
- veroordeelt verweerder om aan de vreemdeling bij wijze van schadeloosstelling
€ 1.140,- (zegge: eenduizendhonderdveertig euro) te betalen;
- verklaart het door de vreemdeling ingestelde beroep voor het overige ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier.










De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.



Richtlijn 2013/33/EU


Zie onder andere de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20829


Voorlopige voorziening van de voorzieningenrechter van de ABRS van 12 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5185


Zie onder andere de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21322