Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2024:24034
2024-12-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.50155
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2025:3953 → ECLI:NL:RBDHA:2024:24034 meerdere afhandelingswijzen
Inhoudsindicatie
art 6
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2016:1451 Raad van State 03-06-2016
- ECLI:NL:RVS:2012:BW6799 Raad van State 22-05-2012
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20829 Rechtbank Den Haag 11-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:5185 Raad van State 12-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21322 Rechtbank Den Haag 17-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.742 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50155
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Op 19 december 2024 is de maatregel opgeheven en is eiser de maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was een tolk in de Spaanse taal aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat de aan eiser uitgereikte maatregel kennelijk is ondertekend door [naam 1], terwijl de maatregel in het dossier is ondertekend door [naam 2]. Het is niet duidelijk welke maatregel nu rechtsgeldig is, zodat ondertekening door twee verschillende ambtenaren tot schending van artikel 5.3 van het Vb 2000 leidt. Eiser is hierdoor in zijn belangen geschaad en de belangenafweging moet in zijn voordeel uitvallen. Daarnaast lijkt het gezien de verhoogde instroom van asielzoekers in het Justitieel Centrum Schiphol (JCS) onmogelijk voor verweerder om al deze zaken in de grensprocedure af te doen, en had doorzending van asielzoekers naar een asielzoekerscentrum in de rede gelegen. Verder wordt, onder meer met een verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 aangevoerd dat het JCS niet langer als gespecialiseerde inrichting in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn kan worden aangemerkt, hetgeen de voortduring van de maatregel onrechtmatig maakt.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Verweerder heeft op zitting verklaard dat het in de praktijk gebruikelijk is dat aan de vreemdeling een handmatig ondertekende maatregel wordt uitgereikt, terwijl in het procesdossier een digitaal ondertekend exemplaar wordt gevoegd. De rechtbank stelt vast dat in het digitaal ondertekend exemplaar van de maatregel staat vermeld dat deze is opgesteld, gecontroleerd en akkoord bevonden door wachtmeester der eerste klasse [naam 1]. Als reden voor de ondertekening van de maatregel door [naam 2] staat vermeld dat de maatregel niet door de behandelaar kon worden getekend omdat zijn smartcard niet functioneerde en dat hiervan melding is gemaakt bij de servicedesk. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan deze verklaring en oordeelt dat hiermee een afdoende verklaring is gegeven voor het feit dat de opsteller van de maatregel deze niet zelf digitaal heeft ondertekend. Aangezien de aan eiser uitgereikte maatregel is voorzien van dagtekening, een handmatige ondertekening en met redenen is omkleed, is naar het oordeel van de rechtbank aan de daaraan in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) gestelde voorwaarden voldaan, en is de maatregel daarmee rechtsgeldig tot stand gekomen.
6. De stelling dat verweerder gezien de hoge instroom van asielzoekers had moeten kiezen voor doorzending naar een asielzoekerscentrum wordt niet gevolgd. Ingevolge vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter verzet de Procedurerichtlijn zich er niet tegen om in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielverzoeken in de grensprocedure te behandelen. Daarnaast vereist het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen.
7. Op grond van artikel 5.1a van het Vb 2000 wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Van zeer bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van de maatregel is in het geval van eiser niet gebleken. Door op 11 december 2024 op eisers asielaanvraag te beslissen, heeft verweerder binnen de hiervoor geldende termijn beslist.
8. Namens eiser is - samengevat weergegeven - betoogd dat het JCS, door de wijze waarop de maatregel thans ten uitvoer wordt gelegd, niet langer kan worden gezien als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Hierbij is doorslaggevend dat de vreemdelingen in het JCS sinds kort aanzienlijk langer op hun kamer moeten blijven: nu worden zij dagelijks om 16:30 uur (in plaats van 22.00 uur) op hun kamer ingesloten tot de volgende ochtend 08:00 uur. Namens eiser is verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024, waarin de grensdetentie om die reden onrechtmatig werd geacht en de opheffing van de maatregel werd bevolen.
9. De rechtbank heeft in meerdere uitspraken van 17 december 2024 geoordeeld dat deze beroepsgrond over het regime in het JCS niet gaat over de feitelijke toepassing van het regime, maar de vraag aan de orde stelt of het JCS met dit regime kan worden gekwalificeerd als bewaringsaccommmodatie in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn. Daarover dient de bewaringsrechter zich wel uit te laten. In die uitspraken van 17 december 2024 kwam de rechtbank op grond van de toen bekende informatie en ingenomen standpunten tot het oordeel dat niet langer kan worden gesproken van een bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn of van een gespecialiseerde inrichting in de zin van artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn en heeft om die reden de beroepen gegrond verklaard en – anders dan deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam - de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregelen bevolen.
10. In deze zaak zijn geen nieuwe feiten of argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden dan in de uitspraken van 17 december 2024 gegeven.
11. Verweerder heeft aangevoerd dat tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024, waarin een vergelijkbaar oordeel is gegeven en de opheffing van de bewaring werd bevolen, hoger beroep is ingesteld en een voorlopige voorziening is toegewezen. De rechtbank overweegt dat bij het treffen van deze voorlopige voorziening geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel is gegeven, maar dat is volstaan met een belangenafweging, waarbij het grensbewakingsbelang is afgewogen tegen het belang van de vreemdeling om niet langer in de grensdetentie te verblijven en dat het grensbewakingsbelang heeft geprevaleerd.
12. De rechtbank overweegt dat zij ambtshalve bekend is met het feit dat ook tegen haar uitspraken van 17 december 2024 hoger beroep is ingesteld en een voorlopige voorziening is gevraagd en dat de voorzieningenrechter van de Afdeling de volgende voorziening heeft toegewezen:
bepaalt
bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel niet in een andere bewaringsaccommodatie ten uitvoer gelegd hoeft te worden totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
De rechtbank is echter niet bekend met de hele uitspraak, slechts voornoemd dictum. Haar is dan ook niet gebleken dat deze voorziening is toegewezen na een voorlopig rechtmatigheidsoordeel omtrent het oordeel van deze rechtbank over het regime in het JCS. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de voorziening is getroffen dan ook geen grond om tot een ander oordeel te komen dan in haar uitspraken van 17 december 2024 uiteengezet. Daarnaast overweegt zij dat voor een belangenafweging die mogelijk heeft geleid tot het treffen van de voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter van de Afdeling geen plaats is bij de beoordeling van deze beroepszaak.
13. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de maatregel op onrechtmatige wijze ten uitvoer werd gelegd. Ter zake van het nadeel dat eiser heeft geleden door zijn verblijf in het JCS tot en met 19 december 2024, heeft hij aanspraak op € 720,- aan schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze
kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door
een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het
indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, gegrond;
- veroordeelt verweerder om aan de vreemdeling bij wijze van schadeloosstelling
€ 720,- (zegge: zevenhonderdtwintig euro) te betalen;
- verklaart het door de vreemdeling ingestelde beroep voor het overige ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie onder andere zaaknummer NL24.47086.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
Afdeling, zie de uitspraak van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
Richtlijn 2013/33/EU
Zie onder andere de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20829
Voorlopige voorziening van de voorzieningenrechter van de ABRS van 12 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5185
Zie onder andere de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21322
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50155
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Op 19 december 2024 is de maatregel opgeheven en is eiser de maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was een tolk in de Spaanse taal aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat de aan eiser uitgereikte maatregel kennelijk is ondertekend door [naam 1], terwijl de maatregel in het dossier is ondertekend door [naam 2]. Het is niet duidelijk welke maatregel nu rechtsgeldig is, zodat ondertekening door twee verschillende ambtenaren tot schending van artikel 5.3 van het Vb 2000 leidt. Eiser is hierdoor in zijn belangen geschaad en de belangenafweging moet in zijn voordeel uitvallen. Daarnaast lijkt het gezien de verhoogde instroom van asielzoekers in het Justitieel Centrum Schiphol (JCS) onmogelijk voor verweerder om al deze zaken in de grensprocedure af te doen, en had doorzending van asielzoekers naar een asielzoekerscentrum in de rede gelegen. Verder wordt, onder meer met een verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 aangevoerd dat het JCS niet langer als gespecialiseerde inrichting in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn kan worden aangemerkt, hetgeen de voortduring van de maatregel onrechtmatig maakt.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Verweerder heeft op zitting verklaard dat het in de praktijk gebruikelijk is dat aan de vreemdeling een handmatig ondertekende maatregel wordt uitgereikt, terwijl in het procesdossier een digitaal ondertekend exemplaar wordt gevoegd. De rechtbank stelt vast dat in het digitaal ondertekend exemplaar van de maatregel staat vermeld dat deze is opgesteld, gecontroleerd en akkoord bevonden door wachtmeester der eerste klasse [naam 1]. Als reden voor de ondertekening van de maatregel door [naam 2] staat vermeld dat de maatregel niet door de behandelaar kon worden getekend omdat zijn smartcard niet functioneerde en dat hiervan melding is gemaakt bij de servicedesk. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan deze verklaring en oordeelt dat hiermee een afdoende verklaring is gegeven voor het feit dat de opsteller van de maatregel deze niet zelf digitaal heeft ondertekend. Aangezien de aan eiser uitgereikte maatregel is voorzien van dagtekening, een handmatige ondertekening en met redenen is omkleed, is naar het oordeel van de rechtbank aan de daaraan in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) gestelde voorwaarden voldaan, en is de maatregel daarmee rechtsgeldig tot stand gekomen.
6. De stelling dat verweerder gezien de hoge instroom van asielzoekers had moeten kiezen voor doorzending naar een asielzoekerscentrum wordt niet gevolgd. Ingevolge vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter verzet de Procedurerichtlijn zich er niet tegen om in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielverzoeken in de grensprocedure te behandelen. Daarnaast vereist het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen.
7. Op grond van artikel 5.1a van het Vb 2000 wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Van zeer bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van de maatregel is in het geval van eiser niet gebleken. Door op 11 december 2024 op eisers asielaanvraag te beslissen, heeft verweerder binnen de hiervoor geldende termijn beslist.
8. Namens eiser is - samengevat weergegeven - betoogd dat het JCS, door de wijze waarop de maatregel thans ten uitvoer wordt gelegd, niet langer kan worden gezien als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Hierbij is doorslaggevend dat de vreemdelingen in het JCS sinds kort aanzienlijk langer op hun kamer moeten blijven: nu worden zij dagelijks om 16:30 uur (in plaats van 22.00 uur) op hun kamer ingesloten tot de volgende ochtend 08:00 uur. Namens eiser is verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024, waarin de grensdetentie om die reden onrechtmatig werd geacht en de opheffing van de maatregel werd bevolen.
9. De rechtbank heeft in meerdere uitspraken van 17 december 2024 geoordeeld dat deze beroepsgrond over het regime in het JCS niet gaat over de feitelijke toepassing van het regime, maar de vraag aan de orde stelt of het JCS met dit regime kan worden gekwalificeerd als bewaringsaccommmodatie in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn. Daarover dient de bewaringsrechter zich wel uit te laten. In die uitspraken van 17 december 2024 kwam de rechtbank op grond van de toen bekende informatie en ingenomen standpunten tot het oordeel dat niet langer kan worden gesproken van een bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn of van een gespecialiseerde inrichting in de zin van artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn en heeft om die reden de beroepen gegrond verklaard en – anders dan deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam - de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregelen bevolen.
10. In deze zaak zijn geen nieuwe feiten of argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden dan in de uitspraken van 17 december 2024 gegeven.
11. Verweerder heeft aangevoerd dat tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024, waarin een vergelijkbaar oordeel is gegeven en de opheffing van de bewaring werd bevolen, hoger beroep is ingesteld en een voorlopige voorziening is toegewezen. De rechtbank overweegt dat bij het treffen van deze voorlopige voorziening geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel is gegeven, maar dat is volstaan met een belangenafweging, waarbij het grensbewakingsbelang is afgewogen tegen het belang van de vreemdeling om niet langer in de grensdetentie te verblijven en dat het grensbewakingsbelang heeft geprevaleerd.
12. De rechtbank overweegt dat zij ambtshalve bekend is met het feit dat ook tegen haar uitspraken van 17 december 2024 hoger beroep is ingesteld en een voorlopige voorziening is gevraagd en dat de voorzieningenrechter van de Afdeling de volgende voorziening heeft toegewezen:
bepaalt
bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel niet in een andere bewaringsaccommodatie ten uitvoer gelegd hoeft te worden totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
De rechtbank is echter niet bekend met de hele uitspraak, slechts voornoemd dictum. Haar is dan ook niet gebleken dat deze voorziening is toegewezen na een voorlopig rechtmatigheidsoordeel omtrent het oordeel van deze rechtbank over het regime in het JCS. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de voorziening is getroffen dan ook geen grond om tot een ander oordeel te komen dan in haar uitspraken van 17 december 2024 uiteengezet. Daarnaast overweegt zij dat voor een belangenafweging die mogelijk heeft geleid tot het treffen van de voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter van de Afdeling geen plaats is bij de beoordeling van deze beroepszaak.
13. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de maatregel op onrechtmatige wijze ten uitvoer werd gelegd. Ter zake van het nadeel dat eiser heeft geleden door zijn verblijf in het JCS tot en met 19 december 2024, heeft hij aanspraak op € 720,- aan schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze
kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door
een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het
indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, gegrond;
- veroordeelt verweerder om aan de vreemdeling bij wijze van schadeloosstelling
€ 720,- (zegge: zevenhonderdtwintig euro) te betalen;
- verklaart het door de vreemdeling ingestelde beroep voor het overige ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie onder andere zaaknummer NL24.47086.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
Afdeling, zie de uitspraak van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
Richtlijn 2013/33/EU
Zie onder andere de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20829
Voorlopige voorziening van de voorzieningenrechter van de ABRS van 12 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5185
Zie onder andere de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21322