Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2024:22779

2024-12-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.50153
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2024-12-31
Publicatiedatum
2025-01-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.50153
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, beroep ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.964 tekens)
proces-verbaal uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.50153


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Alkir),


en


de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: A. Hadfy-Kovâcs).




Procesverloop


Bij besluit van 13 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL24.50154, op 31 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is, met het verzoek om schriftelijk af te doen, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Overwegingen


1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.



2. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft


Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.


Interstatelijk vertrouwensbeginsel

3. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Hiertoe voert eiser aan dat er sprake is van structurele en systematische tekortkomingen met betrekking tot de opvang voor asielzoekers. Eiser verwijst hiervoor naar het AIDA-rapport, update 2023, pagina 151, 152 en 153.



4. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid – voor Dublinclaimanten - ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.1 Dit heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 24 juni 20242 nog bevestigd. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank schetst het AIDA-rapport update 2023, geen wezenlijk ander beeld van de opvangsituatie in Duitsland, dan in eerdere rapporten is weergegeven. De Afdeling bevestigt dit ook.3 Eiser geeft niet aan op welk punt dit oordeel niet zou kloppen. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond.



7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2024 door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.





1 Dit heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State onder meer in de uitspraken van
30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2296, 19 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4356 en 13 juli
2016, ECLI:NL:RVS:2016:2064 geoordeeld.
2 ECLI:NL:RVS:2024:2548.





Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:



03 januari 2025

















Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.