Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2023:7610
2023-05-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL23.9735
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2023:2292 → ECLI:NL:RBDHA:2023:7610 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
mondelinge uitspraak, veilig land van herkomst, Marokko, beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2022:1531 Raad van State 08-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2017:210 Raad van State 01-02-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.615 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.9735
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop Bij besluit van 29 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. In geschil is of Marokko in het algemeen kan worden aanmerkt als veilig land van herkomst. Ook is in geschil of eiser asielrelevante elementen naar voren heeft gebracht bij zijn asielaanvraag, aan hem ten onrechte een vertrektermijn is onthouden en tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd.
2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij asielgerelateerde elementen naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft in zijn besluit terecht overwogen dat eiser tijdens zijn gehoor meermaals heeft verklaard dat hij geen problemen in Marokko had. Ook heeft hij tijdens zijn gehoor verklaard dat de voornaamste reden dat hij naar Nederland is gekomen is om te werken. Verweerder heeft daarnaast terecht opgemerkt dat de omstandigheid dat hij Berber is en uit het Rifgebied afkomstig is, onvoldoende is om te kunnen spreken van een relevant element dat in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het EVRM.
3. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat Marokko in het algemeen niet valt aan te merken als veilig land van herkomst. In haar uitspraak van 8 juni 2022 heeft de Afdeling overwogen dat verweerder met de herbeoordeling van 6 mei 2021 zorgvuldig heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd dat Marokko in het algemeen een veilig land van herkomst is. Het is daarbij toegestaan dat één of meer groepen als uitzondering worden aangemerkt. Dat het er meer zijn is niet bepalend voor de vraag of Marokko wel of niet een veilig land van herkomst is. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd dat de algemene situatie in Marokko sindsdien is verslechterd. Verweerder heeft daarom terecht Marokko in het algemeen en in het bijzonder ten aanzien van eiser aangemerkt als veilig land van herkomst. De asielaanvraag is daarom niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Nu de aanvraag niet ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond, heeft verweerder kunnen bepalen dat een vertrektermijn wordt onthouden. Verweerder moest daarom ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitvaardigen. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om van het inreisverbod af te zien.
5. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2023 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2022:1531.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie in dat verband de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:210.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.9735
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop Bij besluit van 29 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. In geschil is of Marokko in het algemeen kan worden aanmerkt als veilig land van herkomst. Ook is in geschil of eiser asielrelevante elementen naar voren heeft gebracht bij zijn asielaanvraag, aan hem ten onrechte een vertrektermijn is onthouden en tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd.
2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij asielgerelateerde elementen naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft in zijn besluit terecht overwogen dat eiser tijdens zijn gehoor meermaals heeft verklaard dat hij geen problemen in Marokko had. Ook heeft hij tijdens zijn gehoor verklaard dat de voornaamste reden dat hij naar Nederland is gekomen is om te werken. Verweerder heeft daarnaast terecht opgemerkt dat de omstandigheid dat hij Berber is en uit het Rifgebied afkomstig is, onvoldoende is om te kunnen spreken van een relevant element dat in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het EVRM.
3. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat Marokko in het algemeen niet valt aan te merken als veilig land van herkomst. In haar uitspraak van 8 juni 2022 heeft de Afdeling overwogen dat verweerder met de herbeoordeling van 6 mei 2021 zorgvuldig heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd dat Marokko in het algemeen een veilig land van herkomst is. Het is daarbij toegestaan dat één of meer groepen als uitzondering worden aangemerkt. Dat het er meer zijn is niet bepalend voor de vraag of Marokko wel of niet een veilig land van herkomst is. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd dat de algemene situatie in Marokko sindsdien is verslechterd. Verweerder heeft daarom terecht Marokko in het algemeen en in het bijzonder ten aanzien van eiser aangemerkt als veilig land van herkomst. De asielaanvraag is daarom niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Nu de aanvraag niet ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond, heeft verweerder kunnen bepalen dat een vertrektermijn wordt onthouden. Verweerder moest daarom ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitvaardigen. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om van het inreisverbod af te zien.
5. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2023 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2022:1531.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie in dat verband de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:210.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.