Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2023:5104
2023-04-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL23.7633
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2023:2241 → ECLI:NL:RBDHA:2023:5104 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Dublin Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2021:816 Raad van State 21-04-2021
- ECLI:EU:C:2019:218
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.309 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.7633
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Saakjan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.7634, op 6 april 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
2. Eiser stelt in zijn gronden van beroep dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij verwijst daarbij naar het rapport van Amnesty International 2021/2022 en naar het AIDA-rapport van 31 december 2021. Eiser vreest dat hij na een overdracht aan Frankrijk geen opvang, geen toegang tot medische voorzieningen en geen toegang tot de asielprocedure zal hebben, waardoor hij zich in Frankrijk niet kan handhaven. Tot slot had verweerder zijn asielaanvraag aan zich moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
3. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Frakrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is ook recentelijk nog door de Afdeling bevestigd. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. Eiser is hierin niet geslaagd.
4. Uit de laatste update van het AIDA-rapport kan weliswaar worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van 21 april 2021 een uitspraak gedaan over eerdere rapporten van AIDA en geoordeeld dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De door eiser aangehaalde rapporten schetsen geen wezenlijk ander beeld.
5. Verweerder heeft in dit verband ook terecht opgemerkt dat Frankrijk met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Dat betekent ook dat eiser aanspraak maakt op opvang en medische voorzieningen. Voor zover eiser stelt dat hij toch problemen ondervindt bij het verkrijgen van opvang en andere voorzieningen, dient hij hierover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit voor hem niet mogelijk of zinloos is.
6. Ook de stelling dat verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken, omdat overdracht naar Frankrijk zou leiden tot kennelijke hardheid, kan geen doel treffen. Eiser verwijst immers naar feiten en omstandigheden die aan de orde zijn gesteld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft daarin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2023 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:816)
Zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
Handvesten van de grondenrechten van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.7633
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Saakjan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.7634, op 6 april 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
2. Eiser stelt in zijn gronden van beroep dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij verwijst daarbij naar het rapport van Amnesty International 2021/2022 en naar het AIDA-rapport van 31 december 2021. Eiser vreest dat hij na een overdracht aan Frankrijk geen opvang, geen toegang tot medische voorzieningen en geen toegang tot de asielprocedure zal hebben, waardoor hij zich in Frankrijk niet kan handhaven. Tot slot had verweerder zijn asielaanvraag aan zich moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
3. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Frakrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is ook recentelijk nog door de Afdeling bevestigd. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. Eiser is hierin niet geslaagd.
4. Uit de laatste update van het AIDA-rapport kan weliswaar worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van 21 april 2021 een uitspraak gedaan over eerdere rapporten van AIDA en geoordeeld dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De door eiser aangehaalde rapporten schetsen geen wezenlijk ander beeld.
5. Verweerder heeft in dit verband ook terecht opgemerkt dat Frankrijk met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Dat betekent ook dat eiser aanspraak maakt op opvang en medische voorzieningen. Voor zover eiser stelt dat hij toch problemen ondervindt bij het verkrijgen van opvang en andere voorzieningen, dient hij hierover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit voor hem niet mogelijk of zinloos is.
6. Ook de stelling dat verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken, omdat overdracht naar Frankrijk zou leiden tot kennelijke hardheid, kan geen doel treffen. Eiser verwijst immers naar feiten en omstandigheden die aan de orde zijn gesteld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft daarin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2023 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:816)
Zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
Handvesten van de grondenrechten van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.