Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2023:13813

2023-09-13 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 22/4468
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2023-09-13
Publicatiedatum
2023-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
22/4468
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Niet tijdig bezwaar ingesteld tegen de vaststelling van eisers verdragsrecht. Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat eiser pas na afloop van de bezwaartermijn in het ziekenhuis lag. Het verdragsrecht van eiser staat vast. Beroep ongegrond.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.512 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 22/4468

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2023 in de zaak tussen


[eiser], uit [woonplaats] (Frankrijk), eiser


en


het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).




Procesverloop


In het besluit van 17 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser per 15 december 2021 verdragsgerechtigd is, omdat hij een pensioen uit Nederland ontvangt en daarom een zelfstandig recht heeft op medische zorg in zijn woonland. Eiser is daarvoor vanaf 15 december 2021 een verdragsbijdrage verschuldigd die verweerder laat inhouden op zijn pensioen.



In het besluit van 8 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser niet tijdig bezwaar heeft ingesteld tegen het primaire besluit.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.





Overwegingen



Wat vooraf ging aan deze procedure




1.1
Eiser, geboren in 1949, woont in Frankrijk en ontvangt een pensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW). Via het elektronisch gegevensuitwisselingssysteem heeft de Franse zorginstelling Caisse Primaire d’Assurance Maladie (CPAM) op 11 april 2022 aan verweerder de inschrijving van eiser als verdragsgerechtigde bevestigd. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.



1.2
In het bestreden besluit bepaalt verweerder dat eiser geen gelijk krijgt en dat de inhouding van de bijdrage op zijn AOW-pensioen door de Sociale verzekeringsbank (Svb) doorgaat. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat eisers verdragsrecht niet meer aan de orde kan komen. Eiser heeft namelijk niet op tijd bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 februari 2022, zodat dit besluit in rechte vaststaat.



Gronden van eiser



2. Eiser voert aan dat hij een ziektekostenverzekering heeft in Frankrijk, omdat hij daar woont. Verder ontvangt hij een pensioen uit Zweden en betaalt hij premie voor een verplichte ziektekostenverzekering in Zweden. Hij is het er niet mee eens dat de Svb ook een bedrag op zijn AOW-pensioen inhoudt en verzoekt om beëindiging daarvan. Op de zitting heeft eiser een beroep gedaan op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Eiser heeft namelijk in 2022 het ziekenhuis gelegen wegens een operatie aan zijn rug en heeft vervolgens zes maanden gerevalideerd. Zijn vrouw en haar moeder hebben zijn post bijgehouden, maar zij begrepen de brieven van verweerder en de Svb niet omdat zij de Nederlandse taal niet spreken. Ze dachten dat die brieven niet belangrijk waren en hebben er daarom niets mee gedaan, aldus eiser.



Wettelijk kader



3. Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
Artikel 6:9, eerste lid, Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Op grond van artikel 6:11 Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.



Beoordeling door de rechtbank



4. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift eindigde op 31 maart 2022. Eisers bezwaarschrift is gedateerd op 25 april 2022 en is volgens een stempel op 28 april 2022 ontvangen door verweerder. Dat is na afloop van de bezwaartermijn. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.

5. Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij vanaf 1 april 2022 in het ziekenhuis lag en dat hij op 10 april 2022 is geopereerd. Eiser lag dus pas na afloop van de bezwaartermijn in het ziekenhuis en moet in staat worden geoordeeld om binnen de bezwaartermijn te reageren. Verweerder heeft daarom terecht bepaald dat eisers verdragsrecht vaststaat. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser (nogmaals) contact kan opnemen met de CPAM als hij meent dat de CPAM zijn situatie niet juist heeft beoordeeld. De CPAM kan eiser dan uitschrijven bij verweerder.




Conclusie

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft bepaald dat het verdragsrecht van eiser vaststaat.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2023.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.